201002844/1/R2. Datum uitspraak: 14 december 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te Workum, gemeente Súdwest Fryslân, 2. het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd (hierna in enkelvoud: Nijefurd), thans gemeente Súdwest Fryslân, 3. [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B], handelend onder de naam [maatschap A], gevestigd te Deventer, de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord, gevestigd te Deventer en [appellant sub 3 C] en [appellant sub 3 D], handelend onder de naam [maatschap B], gevestigd te Gaast, gemeente Súdwest Fryslân (hierna: [appellant sub 3] en anderen), 4. de vereniging Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels (hierna: de Vogelbescherming), gevestigd te Zeist, 5. het college van burgemeester en wethouders van Wieringermeer (hierna in enkelvoud: Wieringermeer), appellanten, en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 23 december 2009, kenmerk PDN/2009-072, heeft de minister het gebied IJsselmeer aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn), en de besluiten van 6 mei 1998, kenmerk DN.981308, en 24 maart 2000, kenmerk N2000/333, tot aanwijzing van de gebieden Friese IJsselmeerkust en IJsselmeer als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103), zoals vervangen door Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU L 20) (hierna: de Vogelrichtlijn), gewijzigd. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2010, Nijefurd bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2010, [appellant sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2010, de Vogelbescherming bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2010, en Wieringermeer bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2010, beroep ingesteld. LTO Noord en anderen hebben de gronden van hun beroep aangevuld bij brief van 26 april 2010. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De Vogelbescherming heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 september 2011, waar de Vogelbescherming, vertegenwoordigd door mr. A.I. Doesburg, ir. A.J.M. Wouters en H. Schoten, Wieringermeer, vertegenwoordigd door N. van Hoorn, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.E. de Groot-Valentijn, E.R. Osieck en ing. A.C. van Gelswijk, zijn verschenen. 2. Overwegingen Ontvankelijkheid 2.1. De minister stelt zich op het standpunt dat het beroep van de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord (hierna: LTO Noord) en [appellant sub 3 C] en [appellant sub 3 D], handelend onder de naam [maatschap B] (hierna: [appellant sub 3 C]) niet-ontvankelijk is, omdat het niet berust op een bij hem ingediende zienswijze. Daarnaast bestrijdt de minister de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B], handelend onder de naam [maatschap A] (hierna: [appellant sub 3]), voor zover het is gericht tegen de aanwijzing voor de subtypen moerasspirea en harig wilgenroosje van het habitattype ruigten en zomen (H6430A en H6430B) en het subtype trilvenen van het habitattype overgangs- en trilvenen (H7140A). Het beroep berust in zoverre niet op een naar voren gebracht zienswijze, aldus de minister. 2.1.1. Ingevolge artikel 11, eerste en tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), gelezen in samenhang met de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt het ontwerp van het te nemen besluit ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen over het ontwerp naar voren worden gebracht. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan slechts beroep worden ingesteld tegen een besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied door een belanghebbende die tegen het ontwerpbesluit tijdig een zienswijze bij de minister naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders voor zover de minister bij de vaststelling van het besluit daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie komt te verkeren ten opzichte van het ontwerpbesluit, dan wel indien een belanghebbende anderszins redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. 2.1.2. LTO Noord en [appellant sub 3 C] hebben geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit naar voren gebracht bij de minister. De minister heeft bij de vaststelling van het aanwijzingsbesluit daarin wijzigingen aangebracht ten opzichte van het ontwerp. Daarbij is onder meer het IJsselmeer aangewezen voor het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150). Het beroep van LTO Noord en [appellant sub 3 C] is derhalve slechts ontvankelijk voor zover het ziet op deze in het vaststellingsbesluit aangebrachte wijziging. Dit zou slechts anders zijn, indien de in het vaststellingsbesluit aangebrachte wijziging door een onlosmakelijke samenhang met reeds in het ontwerpbesluit aangewezen habitattypen en soorten tot gevolg heeft dat LTO Noord en [appellant sub 3 C] tevens in een nadeliger positie zijn gebracht ten aanzien van die habitattypen en soorten. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is echter niet gebleken. Evenmin is gebleken dat LTO Noord en [appellant sub 3 C] anderszins redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij niet tijdig een zienswijze naar voren hebben gebracht. Gelet op het voorgaande is het beroep van LTO Noord en [appellant sub 3 C], voor zover het geen betrekking heeft op het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150), niet-ontvankelijk. 2.1.3. Het beroep van [appellant sub 3], voor zover het is gericht tegen de aanwijzing van het IJsselmeer voor de subtypen moerasspirea en harig wilgenroosje van het habitattype ruigten en zomen (H6430A en H6430B) en het subtype trilvenen van het habitattype overgangs- en trilvenen (H7140A), vindt niet zijn grondslag in een bij de minister naar voren gebrachte zienswijze. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat een besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied, voor zover toepassing wordt gegeven aan artikel 6:13 van de Awb, zelfstandige besluitonderdelen kan bevatten. De aanwijzing voor een bepaald habitattype heeft echter geen betrekking op een geografisch duidelijk te onderscheiden deel van het gebied, maar op het gehele gebied waarop de aanwijzing ziet. Bovendien kan de aanwijzing voor een habitattype gevolgen hebben voor de aanwijzing voor een ander habitattype. De Afdeling is daarom van oordeel dat een habitattype waarvoor een gebied is aangewezen geen zelfstandig onderdeel van het besluit is. Gelet op het voorgaande staat artikel 6:13 van de Awb niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 3], ook voor zover het is gericht tegen de subtypen moerasspirea en harig wilgenroosje van het habitattype ruigten en zomen (H6430A en H6430B) en het subtype trilvenen van het habitattype overgangs- en trilvenen (H7140A) . Daarnaast staat, binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het aanwijzingsbesluit naar voren zijn gebracht. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk is. Wettelijk kader 2.2. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998 wijst de minister gebieden aan ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ingevolge het tweede lid van dit artikel bevat een besluit als bedoeld in het eerste lid de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied. Tot de instandhoudingsdoelstellingen behoren in ieder geval: a. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de leefgebieden, voor zover vereist ingevolge de Vogelrichtlijn of b. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten, voor zover vereist ingevolge de Habitatrichtlijn. Ingevolge het derde lid van dit artikel kan de instandhoudingsdoelstelling, bedoeld in het tweede lid, mede betrekking hebben op doelstellingen ten aanzien van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied, anders dan vereist ingevolge de richtlijnen, bedoeld in het tweede lid. 2.2.1. Ingevolge artikel 15a, eerste lid, van de Nbw 1998 kan een Natura 2000-gebied niet worden aangewezen als beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid. Ingevolge het tweede lid van dit artikel vervalt een besluit houdende de aanwijzing van een natuurmonument als beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, met ingang van het tijdstip waarop doch slechts voorzover dat beschermd natuurmonument deel uitmaakt van een aangewezen gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid. Ingevolge het derde lid van dit artikel heeft, indien met toepassing van het tweede lid een besluit houdende de aanwijzing van een natuurmonument als beschermd natuurmonument geheel of gedeeltelijk is vervallen, de instandhoudingsdoelstelling voor het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied, voor het gedeelte van het gebied waarop de aanwijzing als beschermd natuurmonument betrekking had, mede betrekking op de doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied zoals bepaald in het vervallen besluit. 2.2.2. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vierde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten. 2.2.3. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Nbw 1998 voor zover hier van belang, kent, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een besluit, genomen krachtens hoofdstuk III van de Nbw 1998, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, het orgaan dat dat besluit heeft genomen of geacht wordt te hebben genomen, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. 2.2.4. Ingevolge artikel 2 van de Habitatrichtlijn heeft deze richtlijn tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het verdrag van toepassing is. 2.2.5. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Habitatrichtlijn, voor zover van belang, wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de lidstaten overeenkomstig de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszones. 2.2.6. Ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn wijst de betrokken lidstaat een gebied dat van communautair belang is verklaard zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging. 2.2.7. Ingevolge artikel 2 van de Vogelrichtlijn nemen de lidstaten alle nodige maatregelen om de populatie van de in artikel 1 bedoelde soorten op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen, waarbij zij tevens rekening houden met economische en recreatieve eisen. 2.2.8. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Vogelrichtlijn nemen de lidstaten, met inachtneming van de in artikel 2 genoemde eisen, alle nodige maatregelen om voor alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen 2.3. [appellant sub 1] vreest voor negatieve gevolgen van het bestreden besluit voor zijn bedrijfsvoering. In dit kader betoogt hij dat het dijkoppervlak van de Workumerwaard ten onrechte binnen de begrenzing van het aanwijzingsbesluit valt. Volgens [appellant sub 1] kan het aanwijzingsbesluit in de weg staan aan een eventuele verhoging van de dijk, hetgeen de kans op een overstroming van zijn perceel vergroot. Verder betoogt [appellant sub 1] dat het gebied ten onrechte is aangewezen ten behoeve van de kolgans, de grauwe gans, de brandgans en de smient. Volgens [appellant sub 1] behoeven deze soorten geen bescherming, omdat de draagkracht van het gebied voor deze soorten reeds ver wordt overschreden. Bovendien brengen de brandganzen schade toe aan de door hem te behalen weidevogeldoelen. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat het aanwijzingsbesluit onaanvaardbare belemmeringen met zich brengt voor de bestrijding van de vos. Verder maakt [appellant sub 1] bezwaar tegen de gevolgen van het bestreden besluit door de zogenoemde externe werking die van geval tot geval wordt beoordeeld. Ten slotte betoogt [appellant sub 1] dat het besluit leidt tot schade voor zijn bedrijfsvoering die moet worden gecompenseerd. 2.3.1. De minister wijst er op dat bij de aanwijzing van het Natura 2000-gebied uitsluitend ecologische en ornithologische aspecten van betekenis zijn. De gevolgen voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 1] vloeien volgens de minister reeds voort uit de Nbw 1998 en de eerdere besluiten tot aanwijzing van het IJsselmeer als Vogelrichtlijngebied. 2.3.2. Voor zover [appellant sub 1] wijst op de negatieve gevolgen van het aanwijzingsbesluit voor zijn bedrijfsvoering, overweegt de Afdeling dat gelet op artikel 4 van de Vogelrichtlijn bij de selectie en begrenzing van gebieden die mogelijk in aanmerking komen voor aanwijzing op grond van de Vogelrichtlijn slechts ornithologische criteria worden gehanteerd. Hierbij verwijst de Afdeling naar de arresten van het Hof in de Lappel Bank-zaak van 11 juli 1996 (C-44/95) en de Santoña-zaak van 2 augustus 1993 (C-355/90) (www.eur-lex.europa.eu). Bedrijfseconomische belangen kunnen derhalve bij de selectie en de begrenzing van het gebied geen rol spelen. 2.3.3. Het gebied "Friese IJsselmeerkust" is reeds bij besluit van 6 mei 1998 als Vogelrichtlijngebied aangewezen. Het bestreden besluit strekt mede tot wijziging van het besluit van 6 mei 1998. Dit betekent dat thans in beginsel slechts de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke besluit in beroep aan de orde kunnen komen. Dit is slechts anders indien nieuwe feiten of omstandigheden van na het rechtens onaantastbaar geworden besluit naar voren worden gebracht en deze feiten en omstandigheden voor de minister aanleiding hadden moeten zijn het besluit op onderdelen te wijzigen. Het dijkoppervlak van de Workumerwaard maakte reeds deel uit van het in 1998 aangewezen Vogelrichtlijngebied. In het bestreden besluit wordt de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied op dit punt niet gewijzigd. [appellant sub 1] heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de minister in afwijking van de eerdere aanwijzing ter uitvoering van de Vogelrichtlijn de grens van het gebied in zoverre diende te wijzigen. Het dijkoppervlak van de Workumerwaard is in het bestreden besluit eveneens aangewezen als Habitatrichtlijngebied. In het bestreden besluit is vermeld dat in de Workumer buitenwaard de noordse woelmuis (H1340) voorkomt. [appellant sub 1] heeft de ecologische onderbouwing van het aanwijzingsbesluit niet gemotiveerd bestreden. Het door [appellant sub 1] gestelde belang van bescherming tegen wateroverlast kan bij de begrenzing van het aanwijzingsbesluit geen rol spelen, nu uitsluitend overwegingen van ecologische aard betrokken kunnen worden bij de begrenzing van het gebied. Overigens heeft de minister er op gewezen dat de Nbw 1998 niet in de weg staat aan het nemen van maatregelen met betrekking tot waterkerende dijken die vanwege de openbare veiligheid noodzakelijk zijn om de waterkerende functie te blijven waarborgen. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit standpunt van de minister onjuist is. Gelet op het voorgaande heeft de minister op juiste gronden het dijkoppervlak van de Workumerwaard opgenomen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied. 2.3.4. Ten aanzien van de kolgans, de grauwe gans, de brandgans en de smient overweegt de Afdeling dat het IJsselmeer reeds bij besluit van 24 maart 2000 onder meer voor deze vogelsoorten is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. In het bestreden besluit is het besluit van 24 maart 2000 op dit punt niet gewijzigd. [appellant sub 1] heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die voor de minister aanleiding hadden moeten zijn het besluit van 24 maart 2000 ten aanzien van de genoemde vogelsoorten te wijzigen. Weliswaar heeft de minister erkend dat de beschermde ganzensoorten een negatieve invloed kunnen hebben op de weidevogels waarvoor het IJsselmeer is aangewezen, maar niet is gebleken dat de aanwijzing voor de genoemde ganzensoorten zich niet verhoudt tot de aanwijzing voor bepaalde weidevogels. Daarbij is van belang dat in het kader van het beheerplan kan worden afgewogen welke maatregelen moeten worden genomen om de instandhoudingsdoelstellingen voor de beide soorten te behalen. 2.3.5. Voorts heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat de vos voorkomt in het Natura 2000-gebied nog niet met zich brengt dat het aanwijzingsbesluit leidt tot belemmeringen voor de bestrijding van de vos. Daarbij heeft de minister van belang geacht dat voor zover de bestrijding van de vos negatieve gevolgen zou hebben voor de Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, dit in het concrete geval moet worden beoordeeld. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Het betoog faalt. 2.3.6. Voor zover [appellant sub 1] bezwaar maakt tegen de externe werking van het aanwijzingsbesluit overweegt de Afdeling dat artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 met zich brengt dat een vergunning op grond van die wet nodig is, indien sprake is van een project dat of andere handeling die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Of dat het geval is en of in voorkomend geval vergunning al dan niet zal kunnen worden verleend, kan niet in deze procedure worden beantwoord, maar zal van geval tot geval dienen te worden bepaald, zo volgt uit het systeem van de Nbw 1998. 2.3.7. Met betrekking tot het betoog dat het bestreden besluit mogelijk leidt tot schade die moet worden gecompenseerd, overweegt de Afdeling dat artikel 31, eerste lid, van de Nbw 1998, een regeling bevat voor vergoeding van schade die belanghebbenden lijden of zullen lijden als gevolg van een besluit genomen krachtens hoofdstuk III van die wet. Artikel 10a maakt deel uit van dit hoofdstuk zodat eventuele schade als gevolg van het bestreden besluit valt onder het bereik van de in artikel 31 opgenomen schadevergoedingsregeling. Toepassing van deze regeling valt buiten het kader van de onderhavige procedure, zodat vergoeding van schade als gevolg van het bestreden besluit thans niet ter beoordeling staat. 2.4. [appellant sub 3] en [appellant sub 1] betogen dat de minister het gebied ten onrechte heeft aangewezen voor de subtypen moerasspirea en harig wilgenroosje van het habitattype ruigten en zomen (H6430A en H6430B) en het subtype trilvenen van het habitattype overgangs- en trilvenen (H7140A). [appellant sub 3] en anderen hebben voorts bezwaar tegen het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150). Zij voeren hiertoe aan dat deze habitattypen ten onrechte zijn toegevoegd ten opzichte van de bij de Europese Commissie aangemelde habitattypen. Voorts is volgens [appellant sub 3] ten onrechte de oppervlakte van het gebied vergroot ten opzichte van de oppervlakte van het aangemelde gebied. Vergroting van de oppervlakte van het gebied en uitbreiding van de habitattypen na de aanmelding bij de Europese Commissie is in strijd met de Habitatrichtlijn en de rechtszekerheid, aldus [appellant sub 3]. Ten aanzien van het habitattype trilvenen (H7140A) betwist [appellant sub 3] voorts dat dit habitattype in het IJsselmeer aanwezig is. Voor zover kan worden aangetoond dat de trilvenen in het gebied voorkomen, bestrijdt [appellant sub 3] dat de aanwijzing voor trilvenen in het IJsselmeer noodzakelijk is voor de landelijke dekking of de geografische spreiding van het habitattype. 2.4.1. Het IJsselmeer is door de Europese Commissie bij beschikking van 7 december 2004 op de lijst van gebieden van communautair belang geplaatst. Op grond van artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn bestaat derhalve de verplichting tot aanwijzing van het IJsselmeer als speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn. 2.4.2. In het bestreden besluit staat vermeld dat de minister de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied heeft aangepast ten opzichte van de begrenzing van het aangemelde gebied. De minister heeft de begrenzing onder meer afgestemd op die van de deelgebieden Makkumer Noordwaard, Zuidwaard, Kooiwaard en Workumer buitenwaard van het (voormalig) natuurmonument Friese IJsselmeerkust en op die van het (voormalig) natuurmonument Stoenckherne. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 20 oktober 2010 in zaak nr. 200908058/1/R2 bestaat bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied een zekere beoordelingsruimte bij de exacte begrenzing. Indien door de uitbreiding van een gebied verdergaande bescherming wordt geboden aan de habitats waarvoor het gebied is aangewezen, wordt geen afbreuk gedaan aan en is dit in overeenstemming met het door de Habitatrichtlijn beoogde doel van waarborging van de biodiversiteit door instandhouding van natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna door middel van het vormen van een coherent Europees ecologisch netwerk van speciale beschermingszones. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het aanpassen van de begrenzing van het Natura 2000-gebied IJsselmeer in het aanwijzingsbesluit zonder voorafgaande toestemming van de Europese Commissie in strijd is met de Habitatrichtlijn. Wel kunnen, zoals reeds eerder is overwogen (uitspraak van 5 november 2008 in zaak nr. 200802545/1), volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: Europese Unie) (hierna: het Hof) bij een aanwijzingsbesluit als het onderhavige, uitsluitend overwegingen van ecologische aard betrokken worden bij de begrenzing van het gebied. Bij de vaststelling van de begrenzing van een aanwijzingsbesluit mag volgens het arrest van het Hof van 7 november 2000 in zaak no. C-371/98 (First Corporate Shipping; www.curia.europa.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.