(2008)blijft sprake van een hypothese, waarbij het causaal verband niet wordt vastgesteld tussen het spuien van rivierwater via de Haringvlietsluizen en de mosselsterfte. Dat deze publicatie is goedgekeurd in het kader van het zogenoemde peer review betekent evenmin een bevestiging van die hypothese, nu daarbij geen beoordeling van de juistheid van de hypothese plaatsvindt. Evenmin is er grond voor de veronderstelling van [appellante] dat het aan de staatssecretaris is om aannemelijk te maken dat er sprake is van een andere schadeoorzaak. Nu de staatsecretaris na onderzoek terecht tot de conclusie is gekomen dat er geen aantoonbaar verband is tussen de door [appellante] gestelde hoge rivierafvoer via de Haringvlietsluizen en de massale mosselsterfte, ligt het niet op zijn weg vervolgens onderzoek te doen naar mogelijke andere oorzaken voor de mosselsterfte in
- 2.
- [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris in strijd met een eerdere uitspraak van de rechtbank van 15 september 2005 het primaire besluit van 4 november 2003 niet heeft herroepen en ten onrechte evenmin aanleiding heeft gezien voor een vergoeding van de proceskosten in bezwaar. 2.4.
- Ook dat betoog faalt. De rechtbank heeft bij uitspraak van 15 september 2005 het eerdere besluit op bezwaar van 9 november 2004 vernietigd, omdat de staatsecretaris ten onrechte heeft nagelaten een commissie op grond van artikel 15 van de Regeling in te stellen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] met het overleggen van het Monisnel-rapport voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er mogelijk een causaal verband bestaat tussen het spuien van rivierwater via de Haringvlietsluizen en de mosselsterfte. Bij besluit van 24 april 2008 heeft de staatssecretaris op advies van de commissie opnieuw de afwijzing van het verzoek gehandhaafd. Anders dan [appellante] betoogt, vindt herroeping alleen plaats indien een ontvankelijk bezwaar leidt tot intrekking of wijziging van het primaire besluit. In dit geval heeft het bezwaar geleid tot verbetering van de motivering, maar niet tot herroeping van dat besluit. Immers, de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie is bij besluit van 24 april 2008 gehandhaafd. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bestaat recht op vergoeding van de kosten die een belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar alleen dan, indien het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Nu het besluit van 4 november 2003 niet is herroepen, kan [appellante] geen aanspraak maken op vergoeding van de proceskosten in bezwaar. 2.
- [appellante] betoogt tot slot dat de door de rechtbank toegekende vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn niet kan worden beperkt tot de schade geleden door de overschrijding van de redelijke termijn zoals vastgesteld op 2 december 2010 en dat bij de vaststelling van de vergoeding rekening moet worden gehouden met de verdere overschrijding van deze termijn. 2.5.
- De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, zaak nr. 30979/96, AB 2001, 86 en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006, 134). 2.5.
- Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 24 december 2008, in zaak nr. 200802629/1 is in zaken zoals deze, die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk. Daarbij mag, zoals de Afdeling voorts in die uitspraak heeft overwogen, de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, waarbij de in 2.5.
- genoemde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. 2.5.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 4 maart 2009 in zaak nr. 200804799/1, vangt de redelijke termijn aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. In gevallen zoals deze, waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is geschonden, dient de rechtbank daarover op basis van de voormelde voor de behandeling van het bezwaar en het beroep gestelde termijnen haar oordeel te geven. Bij die beoordeling geldt dat de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep tezamen niet meer dan drie jaar mag duren en dat een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling. De rechtbank heeft in dit geval op verzoek van [appellante] geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden met vier jaar en zowel de Staat der Nederlanden als de staatssecretaris veroordeeld tot het betalen van een vergoeding. Het betoog van [appellante] dat de overschrijding van de redelijke termijn zou doorlopen in hoger beroep, slaagt niet, nu vanaf het instellen van hoger beroep door [appellante] tegen de uitspraak van de rechtbank tot aan deze uitspraak, waarin is beslist op het hoger beroep is beslist, geen twee jaar zijn verstreken. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat. w.g. Van Altena w.g. Planken voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2011 299.