(2009)313 definitief; hierna: de richtsnoeren). Daartoe wijst de minister erop dat de richtsnoeren juridisch niet-bindend zijn en de huidige en toekomstige rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) onverlet laten. Door niettemin bindende werking aan de richtsnoeren toe te kennen, komt het oordeel van de rechtbank reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking, aldus de minister. 2.4.
- Hoewel de minister terecht erop wijst dat de richtsnoeren op zichzelf niet bindend zijn, bieden zij een handvat bij de interpretatie van bepalingen in de richtlijn. Gelet hierop kan aan de richtsnoeren niet elke betekenis worden ontzegd. Ook de minister zelf haalt in voorkomend geval deze aan ter rechtvaardiging van zijn beleid (zie onder meer de uitspraak van 6 september 2011 in zaak nr. 201009139/1/V4; www.raadvanstate.nl). Blijkens de aangevallen overwegingen heeft de rechtbank de richtsnoeren mede aan haar oordeel ten grondslag gelegd, doch daaruit kan niet worden afgeleid dat de rechtbank haar oordeelsvorming louter heeft gebaseerd op de richtlijnen, zonder daarbij kennis te hebben genomen van de terzake geldende jurisprudentie van het Hof. Nu de minister evenmin concreet heeft aangegeven in welk opzicht de rechtbank, door de richtsnoeren mede bij haar oordeelsvorming te betrekken, voorbijgegaan is aan de rechtspraak van het Hof, kan zijn betoog niet slagen. Dit deel van de grieven faalt. 2.
- De minister betoogt voorts in de grieven dat de rechtbank, door te overwegen dat niet is gebleken dat de vreemdeling dreigt te recidiveren in haar vroegere gedrag waarvoor zij tot een gevangenisstraf van 36 maanden is veroordeeld, een onjuiste uitleg aan het begrip recidive heeft gegeven. Daartoe betoogt de minister dat de rechtbank aldus niet heeft onderkend dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van recidive van belang is of de vreemdeling zich andermaal schuldig heeft gemaakt van crimineel gedrag en niet of zij eenzelfde strafbaar feit heeft begaan als waarvoor zij eerder strafrechtelijk is veroordeeld. 2.5.
- In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, overwogen dat de minister de beoordeling of sprake is van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging niet op juiste wijze heeft verricht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de minister, door voor de ernst van de bedreiging te verwijzen naar een veroordeling uit 2002 en voor het actuele karakter van de bedreiging te verwijzen naar een veroordeling uit 2009, de afzonderlijke elementen ten onrechte los van elkaar heeft beoordeeld. Met de aangevallen overweging dat niet is gebleken dat de vreemdeling dreigt te recidiveren in haar vroegere gedrag, welk gedrag tot de veroordeling uit 2002 heeft geleid, heeft de rechtbank slechts beoogd haar oordeel dat de afzonderlijke elementen in samenhang met elkaar dienen te worden beoordeeld nader te motiveren. Dit deel van de grieven berust op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak en faalt derhalve eveneens. 2.
- Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; III. bepaalt dat van de minister voor Immigratie en Asiel een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.A.A. Mondt Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken Westra, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink voorzitter w.g. Vreken-Westra ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2011
- Verzonden: 13 december 2011 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, mr. H.H.C. Visser