← Nederland

ECLI:NL:RVS:2012:BV0106

201104518/1/R4 en 201111577/1/R4 Datum uitspraak: 4 januari 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:

  1. [appellant sub 1], wonend te Almere,
  2. de vereniging Belangenvereniging Houdt Haven Groen (hierna: HHG), gevestigd te Almere,
  3. [appellant sub 3], wonend te Diemen,
  4. de vereniging Bewonersbelangenvereniging Kantershof (hierna: Kantershof), gevestigd te Amsterdam,
  5. [appellant sub 5], wonend te Almere,
  6. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]), beiden wonend te Diemen,
  7. de rechtspersoon naar Duits recht Commerz Real Investmentgesellschaft mbH (hierna: CRI), gevestigd te Wiesbaden (Duitsland),
  8. [appellant sub 8A], wonend te Naarden, en [appellant sub 8B], gevestigd te Naarden (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 8]),
  9. [appellante sub 9], wonend te Almere,
  10. [appellante sub 10], gevestigd te Almere,
  11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Golfbaan Naarderbos B.V. (hierna: Golfbaan Naarderbos), gevestigd te Bussum,
  12. [appellant sub 12], wonend te Almere, en anderen,
  13. [appellant sub 13], wonend te Amstelveen,
  14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Haerzathe Investments II Monumenten B.V. (hierna: Haerzathe), gevestigd te Oldenzaal,
  15. [appellant sub 15], wonend te Almere,
  16. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Interbest B.V., gevestigd te Breda, en Spectate B.V., gevestigd te Amsterdam (hierna tezamen en in enkelvoud: Interbest),
  17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Interkoop Properties B.V. (hierna: Interkoop), gevestigd te Maarssen,
  18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JC Decaux Nederland B.V. (hierna: JC Decaux), gevestigd te Diemen,
  19. [appellant sub 19], wonend te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel, en anderen,
  20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KNSF Vastgoed II B.V. (hierna KNSF Vastgoed), gevestigd te Amsterdam,
  21. [appellant sub 21], wonend te Muiderberg, gemeente Muiden,
  22. [appellant sub 22], wonend te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel,
  23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid McDonald's Nederland B.V., Vestiging A6 (hierna: McDonald's A6), gevestigd te Amsterdam,
  24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid McDonald's Nederland B.V., Vestiging A9 (hierna: McDonald's A9), gevestigd te Amsterdam,
  25. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Naarderbos Ontwikkeling B.V. (hierna: Naarderbos Ontwikkeling), gevestigd te De Bilt,
  26. [appellant sub 26], wonend te Almere,
  27. [appellant sub 27A] en [appellante sub 27B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 27]), beiden wonend te Naarden,
  28. de naamloze vennootschap SRLEV N.V. (hierna: SRLEV), gevestigd te Alkmaar,
  29. de stichting Stichting Aktie Gezondheid Gaasperdammerweg (hierna: Stichting AGG), gevestigd te Amsterdam,
  30. de stichting Stichting A1-A10 Oost Beter Opgelost (hierna: Stichting OBO), gevestigd te Diemen,
  31. de stichting Stichting Beschermers Amstelland (hierna: Stichting BA), gevestigd te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel,
  32. de stichting Stichting Electrische Museumtramlijn Amsterdam (hierna: Stichting EMA), gevestigd te Amsterdam,
  33. [appellant sub 33], wonend te Amstelveen,
  34. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Unibail-Rodamco Nederland Winkels B.V. (hierna: Unibail-Rodamco), gevestigd te Amsterdam,
  35. de naamloze vennootschap Manroland Benelux N.V. (hierna: Manroland), gevestigd te Amsterdam,
  36. de vereniging Vereniging Manege de Eenhoorn, gevestigd te Diemen, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hock B.V., gevestigd te Amsterdam (hierna tezamen en in enkelvoud: Manege de Eenhoorn),
  37. [appellant sub 37], wonend te Amsterdam,
  38. [appellant sub 38], wonend te Almere,
  39. [appellant sub 39], wonend te Muiden,
  40. [appellant sub 40], wonend te 's-Graveland, gemeente Wijdemeren,
  41. de vereniging Groot-Geerdinkhof Vereniging van Huiseigenaren en de stichting Stichting Natuurontwikkeling Bijlmerweide (hierna: Groot Geerdinkhof en Stichting NB), beide gevestigd te Amsterdam, appellanten, en de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder.
  42. Procesverloop Bij besluit van 21 maart 2011 heeft de minister krachtens artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet, het tracébesluit weguitbreiding Schiphol-Amsterdam-Almere (hierna: tracébesluit) vastgesteld. Dit besluit is op 30 maart 2011 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], HHG, [appellant sub 3], Kantershof, [appellant sub 5], [appellant sub 6], CRI, [appellant sub 8], [appellante sub 9], [appellante sub 10], Golfbaan Naarderbos, [appellant sub 12] en anderen, [appellant sub 13], Haerzathe, [appellant sub 15], Interbest, Interkoop, JC Decaux, [appellant sub 19] en anderen, KNSF Vastgoed, [appellant sub 21], [appellant sub 22], McDonald's A6, McDonald's A9, Naarderbos Ontwikkeling, [appellant sub 26], [appellant sub 27], SRLEV, Stichting AGG, Stichting OBO, Stichting BA, Stichting EMA, [appellant sub 33], Unibail-Rodamco, Manroland, Manege de Eenhoorn, [appellant sub 37], [appellant sub 38] en [appellant sub 39] tijdig beroep ingesteld. Tegen dit besluit heeft voorts [appellant sub 40] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 oktober 2011, beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 14 september 2011 heeft de minister krachtens artikel 15b, eerste lid, van de Tracéwet het tracébesluit gewijzigd (hierna: het wijzigingsbesluit). In reactie daarop hebben [appellant sub 8] en [appellant sub 27] hun beroepen aangevuld. Groot Geerdinkhof en Stichting NB hebben binnen de beroepstermijn van het wijzigingsbesluit bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2011, beroep ingesteld tegen het tracébesluit. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 en 30 november 2011, waar een aantal partijen is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de minister heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen.
  43. Overwegingen 2.
  44. Stichting AGG heeft ter zitting haar beroepsgrond over te compenseren parkeerplaatsen ingetrokken. Naarderbos Ontwikkeling en Golfbaan Naarderbos hebben ter zitting hun beroepsgronden over schade ingetrokken. Het tracébesluit 2.
  45. Het tracébesluit voorziet - samengevat weergegeven - in uitbreiding van de weginfrastructuur in de corridor Schiphol-Amsterdam-Almere. Het betreft het aanpassen van ongeveer 63 kilometer autosnelweg op de A9, de A2, de A10-oost, de A1 en de A6, onder meer door uitbreiding van het aantal rijstroken en de realisatie van verbindingswegen, uitvoegstroken, wisselstroken en busbanen. Verder voorziet het tracébesluit onder meer in de aanleg van twee tunnels in de A9, de aanleg van een brug over het Amsterdam-Rijnkanaal, in een bypass van de A1 naar de A9, de aanleg van een aquaduct in de A1 ter hoogte van Muiden, de wijziging van een aantal knooppunten en het aanpassen van ongeveer 100 bruggen, viaducten en andere kunstwerken. Het wijzigingsbesluit 2.
  46. Het wijzigingsbesluit betreft wijzigingen van het tracébesluit van ondergeschikte aard. Het heeft betrekking op een gewijzigde vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel van twee woningen aan de Amsterdamsestraatweg 77 en 79 te Naarden. Daarnaast is onder meer de hoogte van een geluidscherm langs de A1 te Muiden aangepast en zijn enkele tracékaarten gewijzigd vastgesteld. Het wijzigingsbesluit is een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, worden de beroepen tegen het tracébesluit - met uitzondering van het beroep van [appellant sub 40] dat eerst na de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit is ingesteld - geacht mede te zijn gericht tegen het wijzigingsbesluit, nu dat besluit niet geheel aan de beroepen tegemoet komt. Ontvankelijkheid van de beroepen tegen het tracébesluit 2.
  47. De minister stelt dat Manroland geen belanghebbende is bij het tracébesluit, omdat zij huurster is van het pand aan de Kuiperbergweg 50 te Amsterdam. Een huurster heeft volgens de minister een afgeleid belang en geen rechtstreeks belang bij het tracébesluit. 2.4.
  48. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 2.4.
  49. Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb vereist dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het besluit en de belangenaantasting. Anders dan de minister meent, geldt dit niet slechts voor personen die eigenaar dan wel verhuurder zijn van een pand dat is gelegen in de nabijheid van het tracé. Manroland ondervindt als huurster van en bedrijfsexploitant in het pand aan de Kuiperbergweg 50, direct naast het knooppunt Holendrecht (A9/A2), de (milieu)gevolgen vanwege het tracébesluit. Manroland heeft derhalve een rechtstreeks belang en dient daarom in dit geding als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te worden aangemerkt. 2.
  50. Ingevolge artikel 6:7, van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:8, vierde lid, van de Awb vangt de beroepstermijn voor een geval als hier aan de orde aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, ter inzage is gelegd. 2.
  51. De terinzagelegging van het tracébesluit ving aan op 30 maart
  52. De beroepstermijn is derhalve begonnen op 31 maart 2011 en geëindigd op 11 mei
  53. 2.
  54. [appellant sub 40] heeft bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 oktober 2011, een beroepschrift tegen het tracébesluit ingediend. In dat beroepschrift heeft hij naar voren gebracht dat hij te laat beroep heeft ingesteld, omdat hij tot 13 september 2011 met Rijkswaterstaat in onderhandeling was over de verkoop van zijn pand en gronden. Nu de verkoop niet is doorgegaan, vreest hij hinder. 2.7.
  55. Naar het oordeel van de Afdeling is in de door [appellant sub 40] gestelde omstandigheid dat hij tot 13 september 2011 met Rijkswaterstaat in onderhandeling was over de verkoop van zijn pand en gronden geen rechtvaardiging gelegen voor de overschrijding van de beroepstermijn. De gestelde onderhandeling had [appellant sub 40] niet ervan behoeven te weerhouden om ter behoud van zijn rechten tijdig beroep in te stellen. Het beroep van [appellant sub 40] is niet-ontvankelijk. 2.
  56. Groot Geerdinkhof en Stichting NB hebben bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2011, een beroepschrift ingediend. In dat beroepschrift hebben zij naar voren gebracht dat zij alsnog beroep instellen tegen het tracébesluit, omdat zij uit de advertentietekst met de kennisgeving van het wijzigingsbesluit niet kunnen afleiden dat er binnen de beroepstermijn van het wijzigingsbesluit alleen beroep kan worden ingesteld tegen de aangebrachte wijzigingen. 2.8.
  57. De Afdeling stelt voorop dat het wijzigingsbesluit van 14 september 2011 niet de mogelijkheid met zich brengt om, zoals Groot Geerdinkhof en Stichting NB kennelijk menen, beroep in te stellen tegen het tracébesluit van 21 maart
  58. Groot Geerdinkhof en Stichting NB hebben geen bezwaren aangevoerd tegen de wijzigingen vervat in het besluit van 14 september
  59. Zij hebben ter zitting desgevraagd medegedeeld dat hun beroep moet worden gezien als een beroep tegen het tracébesluit van 21 maart
  60. Het beroep van Groot Geerdinkhof en Stichting NB is niet binnen de voor dat besluit geldende beroepstermijn ingediend. In hetgeen Groot Geerdinkhof en de Stichting NB naar voren hebben gebracht is naar het oordeel van de Afdeling geen rechtvaardiging voor de termijnoverschrijding gelegen. Het beroep van Groot Geerdinkhof en Stichting NB is niet-ontvankelijk. Kennisgeving ontwerptracébesluit 2.
  61. [appellant sub 12] en anderen stellen dat in de kennisgeving van het ontwerptracébesluit ten onrechte geen melding is gemaakt van de Steigerdreef. 2.9.
  62. Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, geeft het bestuursorgaan in een of meer dag-, nieuws-, of huis- aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerpbesluit, als thans aan de orde, voorafgaand aan de terinzagelegging. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud. Ingevolge het tweede lid wordt, indien het een besluit van een tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan betreft, de kennisgeving in ieder geval in de Staatscourant geplaatst, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. 2.9.
  63. Niet in geschil is dat de kennisgeving met betrekking tot het ontwerptracébesluit voorafgaand aan de terinzagelegging in de Staatscourant en in een lokale krant is gepubliceerd. In die kennisgeving is op hoofdlijnen uiteengezet uit welke onderdelen de weguitbreiding Schiphol-Amsterdam-Almere bestaat - zoals onder meer het aanpassen van circa 63 kilometer autosnelweg op de A9 tussen knooppunt Badhoevedorp en knooppunt Holendrecht, de wijziging van vijf knooppunten en het aanpassen van ongeveer 100 bruggen, viaducten en andere kunstwerken - en welke procedure wordt gevolgd. Blijkens artikel 3:12 van de Awb kan in de kennisgeving worden volstaan met het weergeven van de zakelijke inhoud van het ontwerpbesluit. Naar het oordeel van de Afdeling wordt met de vermelding op hoofdlijnen van de verschillende onderdelen in de kennisgeving de zakelijke inhoud van het ontwerptracébesluit vermeld. Gelet hierop is de kennisgeving niet in strijd met artikel 3:12, eerste lid, van de Awb. De beroepsgrond faalt. 2.
  64. [appellant sub 12] en anderen voeren aan dat het ontwerptracébesluit niet aan de bewoners van De Steiger is toegezonden, terwijl zij aangemerkt kunnen worden als belanghebbenden. Dat is volgens hen in strijd met artikel 3:13 van de Awb. 2.10.
  65. Ingevolge artikel 3:13, eerste lid, van de Awb zendt het bestuursorgaan, indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht, voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. 2.10.
  66. Artikel 3:13, eerste lid, van de Awb, heeft slechts betrekking op de situatie dat het te nemen besluit in het bijzonder tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht. Die situatie is in dit geval niet aan de orde, zodat niet de plicht bestond om het ontwerptracébesluit aan de bewoners van De Steiger toe te zenden. De beroepsgrond faalt. Terinzagelegging stukken bij het ontwerpbesluit 2.
  67. Manroland stelt dat de minister ten onrechte niet alle voor de beoordeling van het ontwerptracébesluit relevante stukken ter inzage heeft gelegd. Manroland wijst in dit verband op stukken met betrekking tot de externe veiligheid zoals de verantwoording behorende bij het rapport over de externe veiligheid, het advies van het bestuur van de regionale brandweer ter zake het groepsrisico, de zelfredzaamheid en de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en de notitie van het verplichte overleg met de betrokken overheden. Verder wijst zij op het archeologisch onderzoek van Arcadis van maart 2007, de onderzoeksvraag en onderzoeksresultaten van het veldonderzoek van Arcadis behorende bij het flora- en faunarapport van 28 februari 2010, het verkennend onderzoek ten aanzien van de waterhuishouding van Arcadis van 23 februari 2009, de verkeersgegevens en de invoergegevens die onder meer aan de Trajectnota/MER en het akoestisch onderzoek ten grondslag zijn gelegd en het deelonderzoek dat ingaat op het ruimtelijk kader van provincies en gemeenten. 2.11.
  68. De minister stelt dat op 26 maart 2010 alle op het ontwerptracébesluit betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerpbesluit, ter inzage zijn gelegd. 2.11.
  69. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. 2.11.
  70. De door Manroland bedoelde stukken met betrekking tot de externe veiligheid zijn opgesteld naar aanleiding van de conclusies van het door Iv-Infra uitgevoerde onderzoek van 13 januari
  71. Blijkens de stukken is de Notitie Verantwoording Groepsrisico, waarin onder meer het advies van de regionale brandweer voor de verschillende deelgebieden is weergegeven, pas op 2 december 2010 opgesteld, dat is na afloop van de periode waarin het ontwerptracébesluit ter inzage heeft gelegen. Deze Notitie Verantwoording Groepsrisico kon de minister derhalve niet met het ontwerptracébesluit ter inzage leggen. Het door Manroland bedoelde archeologisch onderzoek van Arcadis van maart 2007 betreft een bureauonderzoek waarbij de archeologische waarden van het onderzoeksgebied in kaart zijn gebracht. In 2009 is een aanvullend archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd waarbij ook de wijzigingen in het project ten opzichte van de Trajectnota/MER zijn beoordeeld. Het onderzoek van 2009 is bij het ontwerptracébesluit ter inzage gelegd. In de toelichting bij het ontwerptracébesluit heeft de minister de gevolgen voor de archeologische waarden in de verschillende deelgebieden beoordeeld. Daarbij is niet verwezen naar het archeologisch onderzoek van Arcadis van maart
  72. Gelet hierop was dit onderzoek niet redelijkerwijs nodig voor een beoordeling van het ontwerptracébesluit. De door Manroland bedoelde onderzoeksvraag en -resultaten met betrekking tot het flora- en faunaveldonderzoek van Arcadis, zijn weergegeven in het rapport "Natuurtoets Flora en Fauna" van 28 februari 2010, onderscheidenlijk op blz. 5 en in hoofdstuk 8 van dat onderzoek. Dit rapport is met het ontwerptracébesluit ter inzage gelegd. Het door Manroland bedoelde onderzoek met betrekking tot de waterhuishouding betreft een verkennend onderzoek van Arcadis van 23 februari
  73. De gevolgen van het project zijn in overleg met verschillende waterbeheerders uitgewerkt in het Waterbeheerplan van 16 februari 2010, opgesteld door Tauw BV. Dat waterbeheerplan is bij het ontwerptracébesluit ter inzage gelegd. In de toelichting bij het ontwerptracébesluit heeft de minister de gevolgen voor de waterhuishouding beoordeeld. Daarbij is niet verwezen naar het door Manroland bedoelde verkennend onderzoek. Gelet hierop was het verkennend onderzoek niet redelijkerwijs nodig voor een beoordeling van het ontwerptracébesluit. De door Manroland bedoelde verkeers- en invoergegevens zijn opgenomen in de Trajectnota/MER Fase 2 Schiphol-Amsterdam-Almere (hierna: SAA), deel B: "Aspect Verkeer en Vervoer". In het door Manroland bedoelde deelonderzoek dat ingaat op het ruimtelijk kader van provincies en gemeenten is onderzocht hoe het project Schiphol-Amsterdam-Almere zich verhoudt tot de regionale, provinciale en lokale ruimtelijke plannen. De resultaten van dat onderzoek zijn verwerkt in de Trajectnota/MER. De Trajectnota/MER is bij het ontwerptracébesluit ter inzage gelegd. Gelet hierop was het deelonderzoek niet redelijkerwijs nodig voor een beoordeling van het ontwerptracébesluit. 2.11.
  74. Gezien het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de terinzagelegging van het ontwerp van het besluit in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb heeft plaatsgevonden. De beroepsgrond faalt. Overige procedurele aspecten 2.
  75. [appellant sub 13] stelt dat de minister in de Nota van Antwoord niet is ingegaan op de door hem ingediende zienswijze over het verlengen van de tunnelbuis tot voorbij de Operabuurt. Kantershof stelt dat de minister in de Nota van Antwoord niet is ingegaan op de door haar ingebrachte zienswijze over het Geerdinkhofpad. SRLEV stelt dat de minister geen zorgvuldige belangenafweging heeft kunnen maken, omdat de minister in de Nota van Antwoord de door haar ingediende zienswijzen ten dele niet heeft behandeld en ten dele zijn reactie op de door haar ingediende zienswijzen onvoldoende heeft gemotiveerd. HHG stelt dat de minister bij het vaststellen van het tracébesluit onvoldoende rekening heeft gehouden met haar zienswijzen. 2.12.
  76. Naar aanleiding van het ontwerptracébesluit van 24 maart 2010 zijn 845 zienswijzen ingediend. Vanwege dit grote aantal heeft de minister er niet voor gekozen om elke reactie afzonderlijk te behandelen, maar om de brieven waarin dezelfde of nagenoeg dezelfde opmerkingen zijn gemaakt samen te voegen. In de Nota van Antwoord zijn de zienswijzen, samengevat en per thema gerubriceerd, met behulp van aan de zienswijzen toegekende unieke nummers beantwoord. 2.12.
  77. De Tracéwet noch de Awb verzet zich ertegen dat de minister de zienswijzen in de Nota van Antwoord samengevat en per thema gerubriceerd, weergeeft en beantwoordt. Dat de minister in de Nota van Antwoord niet afzonderlijk is ingegaan op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk, is op zichzelf ontoereikend voor het oordeel dat de minister niet een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt. De beroepsgronden falen. 2.
  78. [appellant sub 8] en [appellant sub 27] stellen dat nu het tracébesluit voor het tracé ter hoogte van het knooppunt Muiderberg ten opzichte van het ontwerptracébesluit is gewijzigd, de minister gehouden was deze wijzigingen op te nemen in een nieuw - ter inzage te leggen - ontwerptracébesluit. 2.13.
  79. De Afdeling overweegt dat de op de voorbereiding van het besluit van toepassing zijnde afdeling 3.4 van de Awb noch enige andere rechtsregel of -beginsel de minister ertoe verplicht om opnieuw een ontwerptracébesluit ter inzage te leggen wanneer het voornemen bestaat om bij het nemen van het besluit gedeeltelijk van het ontwerpbesluit af te wijken. De beroepsgrond faalt. Milieu-effectrapport 2.
  80. [appellant sub 12] en anderen en Manroland stellen dat de Trajectnota/MER en het aanvullend MER ten onrechte aan het tracébesluit ten grondslag zijn gelegd, omdat het project na het opstellen van de Trajectnota/MER en het aanvullend MER volgens hen ingrijpend is gewijzigd. [appellant sub 12] en anderen wijzen er op dat de (milieu)gevolgen, zoals de effecten op de zogenoemde groene zone en de verkeersproblemen vanwege de Steigerdreef onvoldoende zijn onderzocht nu de Steigerdreef niet in de Trajectnota/MER en het aanvullend MER is betrokken. De minister had daarom volgens [appellant sub 12] en anderen en Manroland een nieuwe Trajectnota/MER moeten opstellen. Manroland betoogt voorts dat een aantal rapporten weliswaar is geactualiseerd, maar dat deze rapporten nog steeds gebaseerd zijn op de uitgangspunten van de Trajectnota/MER en daarom ten onrechte aan het tracébesluit ten grondslag zijn gelegd. 2.14.
  81. De minister stelt dat het tracé op onderdelen is gewijzigd ten opzichte van het stroomlijnalternatief dat is onderzocht in de Trajectnota/MER, maar dat het geen wezenlijke wijzigingen betreft. Volgens de minister is aanvullend onderzoek gedaan naar de milieueffecten van de door [appellant sub 12] en anderen en Manroland bedoelde aanpassingen. Alle benodigde informatie over de milieueffecten van de wijzigingen van het ontwerptracébesluit ten opzichte van de Trajectnota/MER en van het tracébesluit ten opzichte van het ontwerptracébesluit was beschikbaar, aldus de minister. 2.14.
  82. Bij wet van 17 december 2009 (Stb. 2010, 20) zijn de bepalingen in de Wet milieubeheer met betrekking tot de milieu-effectrapportage gewijzigd. Uit het bij de wet van 17 december 2009 behorende overgangsrecht volgt dat op dit geding de bepalingen zoals deze luidden voor inwerkingtreding van die wet van toepassing blijven. Ingevolge artikel 7.27, tweede lid, van de Wet milieubeheer (oud), voor zover hier van belang, neemt het bevoegd gezag een besluit niet indien de gegevens die in het milieu-effectrapport zijn opgenomen, redelijkerwijs niet meer aan het besluit ten grondslag kunnen worden gelegd in verband met aanmerkelijke wijziging van de omstandigheden waarvan bij het maken van het milieu-effectrapport is uitgegaan. 2.14.
  83. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 27 april 2011, in zaaknr. 201008134/1/M2 heeft overwogen houdt een milieu-effectrapport zelf niet een besluit over een bepaald project in. Het rapport wordt opgesteld om voldoende milieu-informatie te verzamelen om tot besluitvorming over een project over te gaan. De in die besluitvorming gemaakte keuze (uitmondend in het tracébesluit) hoeft niet volledig overeen te stemmen met de in het milieu-effectrapport beschreven uitvoeringen van het project; zo'n eis zou betekenen dat het milieu-effectrapport zelf reeds een definitieve keuze over het project zou moeten inhouden. Verder heeft de Afdeling in haar uitspraak van 3 december 2008 in zaaknr. 200703693/1 overwogen dat het niet ongebruikelijk is en in beginsel is toegestaan, dat in procedures als hier aan de orde de beschikbare informatie wordt aangevuld gedurende de besluitvormingsprocedure. In dit geval is na het opstellen van de Trajectnota/MER besloten het traject op de A9 verder te verbreden, ter hoogte van knooppunt Holendrecht en bij Muiderberg rijstroken toe te voegen en de hoogspanningslijn 380 kV - hoogspanningsverbindingen Diemen - Krimpen en Diemen - Lelystad te wijzigen. Tevens is besloten in verband met de splitsing van de aansluiting Almere Haven in twee nieuwe halve aansluitingen - Almere Haven Oost en Almere Haven West - een nieuwe ontsluitingsweg over bedrijventerrein De Steiger te realiseren. Dit zijn naar het oordeel van de Afdeling niet dusdanige aanpassingen, dat de opgestelde Trajectnota/MER niet meer als basis voor de besluitvorming over het project kon worden gebruikt. In aanvulling op de Trajectnota/MER is onderzoek gedaan naar de relevante milieueffecten van de aanpassingen. Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat de minister bij het nemen van zijn besluit op dit punt over onvoldoende informatie beschikte over de relevante feiten. 2.14.
  84. Gezien het tijdsverloop tussen het opstellen van de trajectnota/MER, het aanvullend MER en het nemen van het besluit en de aard van de nadere informatie, kan niet worden geoordeeld dat de Trajectnota/MER en het aanvullend MER niet als basis voor de besluitvorming over het project konden dienen. Evenmin is aanleiding voor het oordeel dat de geactualiseerde rapporten die gebaseerd zijn op de uitgangspunten van de Trajectnota/MER ten onrechte aan het tracébesluit ten grondslag zijn gelegd. 2.
  85. Manroland voert aan dat niet inzichtelijk is welke verkeersgegevens in het milieu-effectrapport zijn gehanteerd. 2.15.
  86. In de Trajectnota/MER Fase 2 SAA, deel B: "Aspect Verkeer en Vervoer" zijn voor de huidige situatie, de autonome situatie in 2020 en de verschillende alternatieven in 2020 met een toelichting de invoergegevens opgenomen van onder andere het aantal voertuigkilometers, de voertuigverliesuren op het hoofd- en onderliggend wegennetwerk, de etmaalintensiteiten op de verschillende tracédelen, de gemiddelde trajectsnelheden per tracédeel, de verschillende fileknelpunten en de intensiteit-/capaciteitverhoudingen. Manroland heeft niet aannemelijk gemaakt dat het milieu-effectrapport onvoldoende inzicht geeft in de gehanteerde verkeersgegevens. De beroepsgronden falen. 2.
  87. HHG, [appellant sub 12] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellante sub 9], [appellant sub 15] en [appellant sub 38] stellen dat zij met betrekking tot de Steigerdreef onvoldoende inspraak hebben gehad, omdat deze pas na het opstellen van de Trajectnota/MER in het ontwerptracébesluit is opgenomen. [appellant sub 3] voert aan - zo begrijpt de Afdeling het betoog - dat zij door de complexiteit van in elkaar grijpende wetten en de tussentijdse invoering van nieuwe wetten onvoldoende inspraak heeft gehad in de procedure. 2.16.
  88. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat geen nieuwe Trajectnota/MER benodigd was, zodat de minister in dat kader niet opnieuw gehouden was tot het bieden van gelegenheid om zienswijzen naar voren te brengen. 2.16.
  89. Ingevolge artikel 12, derde lid, van de Tracéwet, voor zover hier van belang, is op de voorbereiding van een tracébesluit afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling is op 26 maart 2010 een ontwerptracébesluit, waarin in dit geval in verband met de wijziging van de aansluiting op de A6 bij Almere Haven een nieuwe ontsluitingsweg was opgenomen, ter inzage gelegd, waarop zienswijzen naar voren konden worden gebracht door een ieder. HHG, [appellant sub 12] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellante sub 9], [appellant sub 15] en [appellant sub 38] hadden derhalve de mogelijkheid om een zienswijze naar voren te brengen en hebben dat ook gedaan. Voor zover HHG, [appellant sub 12] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellante sub 9], [appellant sub 15] en [appellant sub 38] stellen dat anderszins - reeds voor de terinzagelegging van het ontwerptracébesluit - inspraak geboden had moeten worden, overweegt de Afdeling dat noch de Tracéwet, noch de Awb voorziet in een dergelijke inspraakprocedure. Gelet op het voorgaande is geen aanleiding voor het oordeel dat de in de Tracéwet vervatte procedure onjuist is verlopen. De beroepsgronden falen. Evaluatieprogramma 2.
  90. [appellant sub 37] stelt dat in het tracébesluit onvoldoende duidelijk is gemaakt op welke wijze een evaluatie van het MER moet worden verricht. Hij voert hierbij aan dat ten onrechte in het midden is gelaten in welk jaar geluidmetingen plaatsvinden. 2.17.
  91. De Afdeling stelt voorop dat een tracébesluit voorziet in het vaststellen van een tracé en niet in de wijze waarop uitvoering moet worden gegeven aan verplichtingen op grond van artikel 7.39, eerste lid, van de Wet milieubeheer. In artikel 19 van het tracébesluit kondigt de minister aan dat hij voornemens is uitvoering te geven aan artikel 7.39, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Daarbij is ook weergegeven waarop het evaluatieonderzoek gericht zal zijn. De wijze waarop een evaluatie moet worden verricht, vormt geen onderwerp van het tracébesluit. De gronden daarover kunnen dan ook niet leiden tot het oordeel dat het tracébesluit niet mocht worden vastgesteld. Verkeersprognoses 2.
  92. [appellant sub 19] en anderen en Stichting OBO betogen dat bij het vaststellen van het tracébesluit van onjuiste prognoses over de toename van het verkeer is uitgegaan. Daartoe stelt Stichting OBO dat de gehanteerde verkeersgegevens niet actueel zijn. Daarnaast voert Stichting OBO aan dat volgens cijfers van de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ANWB het aantal files in de regio Amsterdam de afgelopen vijf jaar sterk is gedaald en door het "nieuwe werken" verder zal dalen. [appellant sub 19] en anderen voeren aan dat de prognoses over de groei van het aantal inwoners en de omvang van Almere naar beneden moeten worden bijgesteld. Ook voeren [appellant sub 19] en anderen aan dat in de prognoses ten onrechte geen rekening is gehouden met de positieve effecten voor de doorstroming als gevolg van de verbreding van de A
  93. 2.18.
  94. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet, voor zover hier van belang, wordt bij de vaststelling van het tracébesluit in beginsel gebruik gemaakt van de verkeersgegevens en de daarop gebaseerde onderzoeken, die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-tracébesluit, met dien verstande dat indien de rapporten waarin die gegevens, onderzoeken en inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het tracébesluit ouder zijn dan twee jaar, het tracébesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat. 2.18.
  95. Hoofdstuk 2 van de toelichting op het tracébesluit vermeldt dat de bij de vaststelling van het tracébesluit gebruikte verkeersprognoses zijn berekend met behulp van het verkeersmodel Nieuw Regionaal Model Randstad versie 2.3 (hierna: het NRM). Bijlage 4 van de toelichting op het tracébesluit bevat de uitgangspunten van de verkeersberekeningen van het NRM. Bijlage 4 vermeldt dat het NRM als studiegebied de vier Randstadprovincies heeft. Het NRM heeft als basisjaar 2000 en als toekomstjaar
  96. Uitgangspunt voor de autonome ontwikkeling voor het autowegennet in 2020 is het bestaande wegennet, uitgebreid met projecten uit het Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport 2009, de Spoedwet wegverbreding en vastgestelde uitbreidingsplannen van het regionale wegennet. Bijlage 4 vermeldt voorts dat de sociaaleconomische gegevens zijn ontleend aan de door het Sociaal Planbureau ontwikkelde scenario's. De invulling van de gegevens voor woningbouwlocaties en bedrijventerreinen zijn blijkens bijlage 4 in overleg met de overheden in het studiegebied, waaronder de gemeente Almere, vastgesteld. 2.18.
  97. Gezien de in bijlage 4 weergegeven onderzoeken waarop de bij de vaststelling van het tracébesluit gebruikte verkeersgegevens zijn gebaseerd, waaronder het Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport 2009, kan, gelet op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet niet worden gezegd dat het tracébesluit berust op verouderde gegevens. Anders dan [appellant sub 19] en anderen stellen, is hierbij blijkens tabel 2 van bijlage 4 ook rekening gehouden met het project van de verbreding van de A
  98. 2.18.
  99. In aanmerking genomen de bij de verkeersberekeningen gehanteerde uitgangspunten en gegevens, hebben [appellant sub 19] en anderen en Stichting OBO met hun niet nader onderbouwde stellingen dat volgens cijfers van de ANWB het aantal files in de regio Amsterdam de afgelopen vijf jaar sterk is gedaald, dat het aantal files in de toekomst verder zal dalen als gevolg van het "nieuwe werken" en dat de prognoses over de groei van het aantal inwoners en de omvang van Almere zijn overschat, naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de bij het vaststellen van het tracébesluit gebruikte verkeersprognoses op grond van het NRM geen juist beeld geven van de te verwachten verkeersstromen. 2.
  100. Unibail-Rodamco betoogt dat in de verkeersprognoses ten onrechte geen rekening is gehouden met de toename van de verkeersintensiteit op de A9 als gevolg van toekomstige ontwikkelingen. In dit verband wijst zij op de in de "Uitgangspunten gebiedsvisie zone A9" van 16 september 2009 geformuleerde plannen van de gemeente Amstelveen om het winkelgebied uit te breiden, om woningen te bouwen in het gebied dat direct grenst aan de A9, om het dak van de in het tracébesluit voorziene aanleg van de tunnel in de A9 in te richten met een esplanade en om een openbaarvervoerstation aan de oostzijde van het winkelcentrum te ontwikkelen. 2.19.
  101. De minister stelt dat de in de "Uitgangspunten gebiedsvisie zone A9" geformuleerde plannen niet een voldoende concrete toekomstige ontwikkeling zijn. De plannen zijn, volgens de minister, uitgangspunten voor de gebiedsontwikkeling rondom de A9 waarover ten tijde van het vaststellen van het tracébesluit geen besluitvorming had plaatsgevonden. Ook thans heeft hierover volgens de minister nog geen besluitvorming plaatsgevonden. De plannen behoefden daarom niet in de berekeningen van de verkeersprognoses met het NRM te worden betrokken, aldus de minister. In hetgeen Unibail-Rodamco aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding dit standpunt van de minister onjuist te achten. Tracékeuzes en alternatieven 2.
  102. Zoals de Afdeling onder meer in haar uitspraak van 15 september 2010 in zaak nr. 200904401/1/M2 heeft overwogen, vergt de vaststelling van een tracébesluit een belangenafweging, waarbij politieke en bestuurlijke inzichten een belangrijke rol spelen. Bij deze afweging, waarbij ook de voor- en nadelen van alternatieven dienen te worden betrokken, heeft de minister beleidsvrijheid. De rechter heeft niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De rechter kan slechts concluderen dat de door de minister te maken belangenafweging in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, wanneer de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen, dat de minister niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. 2.
  103. Stichting OBO en [appellant sub 19] en anderen betogen dat door de wijzigingen in de prognoses over de toename van het aantal inwoners en de groei van Almere, en de afname van het aantal files in de regio Amsterdam, de noodzaak van de in het tracébesluit voorziene infrastructurele maatregelen thans onvoldoende vaststaat. Stichting OBO voert in dit kader voorts aan dat de groei van de economie het afgelopen decennium is gestagneerd, zodat investeringen in infrastructurele maatregelen niet worden terugverdiend. 2.21.
  104. De toelichting op het tracébesluit vermeldt dat door de economische groei en de stijging van het inwonertal de mobiliteit op het wegennet in de corridor Schiphol-Amsterdam-Almere sterk is gegroeid. De toelichting wijst er in dit verband op dat de weggebruikers in de corridor in 2000 21,2 miljoen verkeerskilometers per etmaal maakten, en dat dat aantal in 2020 32,6 miljoen zal bedragen, hetgeen een toename van 54% inhoudt. De toelichting vermeldt voorts dat er nu al veel structurele filelocaties in de regio zijn, maar dat als de capaciteit van de wegen ter plaatse niet wordt uitgebreid, het aantal filelocaties in 2020 meer dan verdubbelt. Door de overvolle snelwegen ontstaan volgens de toelichting bovendien problemen op het onderliggend wegennet. De toelichting concludeert dat zonder infrastructurele maatregelen het wegennet in 2020 zwaar overbelast zal zijn, met als gevolg meer files, langere reistijden en een toenemende belasting van de kwaliteit van de leefomgeving. De regio wordt hierdoor ook economisch minder aantrekkelijk, aldus de toelichting. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister aannemelijk gemaakt dat de geschetste problemen zich voordoen. De minister heeft gelet hierop mogen concluderen dat het voor de vermindering van de verkeerscongestie in de corridor Schiphol-Amsterdam-Almere en de gevolgen daarvan voor onder meer de bereikbaarheid, de kwaliteit van de leefomgeving en de economie, noodzakelijk is om infrastructurele maatregelen te treffen. 2.
  105. [appellant sub 3] betoogt dat de in het tracébesluit voorziene infrastructurele maatregelen geen structurele oplossing bieden voor het bereikbaarheidsprobleem in de regio. Volgens haar ontstaan er op de lange termijn weer files. 2.22.
  106. De minister stelt dat de in het tracébesluit voorziene infrastructurele maatregelen zowel voor 2020 als voor de langere termijn een positief effect hebben op het functioneren van het wegennetwerk en de bereikbaarheidsproblemen in de corridor Schiphol-Amsterdam-Almere. Volgens de minister zullen de voorziene infrastructurele maatregelen een gunstig effect hebben op de doorstroming van het verkeer in de corridor in 2020 en kunnen de verkeersstromen, ondanks de toename van het verkeersaanbod door de vergroting van de capaciteit van de bestaande wegen, ook na 2020 goed worden opgevangen. 2.22.
  107. De minister heeft aannemelijk gemaakt dat de in het tracébesluit voorziene infrastructurele maatregelen ook op de langere termijn het functioneren van het wegennet in de corridor verbetert en de bereikbaarheidsproblemen vermindert. Het tracébesluit voorziet immers in een grotere capaciteit van de bestaande wegen in de corridor. Het door de minister erkende gegeven dat na 2020 de verkeersdruk enigszins toeneemt als gevolg van de groei van het verkeersaanbod dat gepaard gaat met de vergroting van de capaciteit, is op zich beschouwd niet toereikend voor het oordeel dat de minister geen doorslaggevende betekenis heeft mogen toekennen aan de met het voorliggende tracébesluit beoogde oplossing van een deel van de verkeersproblematiek in de noordvleugel van de Randstad. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister daarmee de onder rechtsoverweging 2.20 vermelde beleidsvrijheid niet overschreden. 2.
  108. [appellant sub 3] betoogt dat de minister ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar alternatieve, meer structurele oplossingen voor het bereikbaarheidsprobleem in de regio. [appellant sub 26] voert aan dat de minister het bosbesparende alternatief om de A6 aan de noordzijde uit te breiden niet heeft onderzocht. Ook heeft de minister geen onderzoek gedaan naar een "Haarlemmermeer-aansluiting", aldus [appellant sub 26]. Stichting AGG voert aan dat het zogenoemde Verbindingsalternatief een betere oplossing is. 2.23.
  109. In de Trajectnota/MER Fase 1 SAA zijn het probleemoplossend vermogen en de milieugevolgen van twee alternatieven ten opzichte van de doelstellingen van het project beschreven. Deze twee alternatieven zijn het Stroomlijnalternatief en het door Stichting AGG genoemde Verbindingsalternatief. Het Stroomlijnalternatief bestaat, kort gezegd, uit het uitbreiden van de bestaande infrastructuur in de corridor Amsterdam-Schiphol-Almere zoals dat is vastgelegd in het onderhavige tracébesluit. Het Verbindingsalternatief bestaat uit het aanleggen van een nieuwe autosnelweg die de A6 met de A9 verbindt tussen de knooppunten Muiderberg en Holendrecht. Uit de vergelijking komt naar voren dat de verkeersafwikkeling met uitbreiding van de bestaande infrastructuur nagenoeg gelijkwaardig is aan de kwaliteit van de doorstroming met een nieuwe verbindingsweg A6/A9, terwijl de effecten op natuur en recreatie beperkter zijn. De minister stelt dat niet is gekozen voor de door [appellant sub 26] genoemde uitbreiding van de A6 naar de zuidzijde vanwege de aanwezigheid van de Hollandse Brug en de Hoge Ring, het gebrek aan ruimte tussen de bestaande A6 en Almere Poort en Almere Stad, en de verkeersveiligheid. De "Haarlemmermeer-aansluiting" is volgens de minister om redenen van verkeersveiligheid en doorstroming niet mogelijk. De minister stelt ten slotte dat de door [appellant sub 3] voorgestelde alternatieve vervoersstromen het bereikbaarheidsprobleem in de corridor onvoldoende oplossen. 2.23.
  110. Voor het aantasten van de rechtmatigheid van de keuze van de minister voor de in het tracébesluit voorziene uitbreiding van de bestaande weginfrastructuur is onvoldoende dat wordt gewezen op andere mogelijk aanvaardbare oplossingen, maar moet aannemelijk worden gemaakt dat de keuze van de minister redelijke gronden ontbeert. In aanmerking genomen de weerlegging van de minister van de in beschouwing genomen alternatieven, ziet de Afdeling in hetgeen appellanten daarover hebben aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar alternatieven. Evenmin bestaat aanleiding voor de conclusie dat de minister niet in redelijkheid de voorkeur heeft mogen geven aan de in het tracébesluit voorziene uitbreiding van de bestaande weginfrastructuur boven een van die alternatieven. 2.
  111. [appellante sub 9] en [appellant sub 38] voeren aan dat de door de minister in het tracébesluit gemaakte keuze om het Kesslerpad aan te sluiten op de fietsoversteek over de Steigerdreef leidt tot onveilige situaties voor fietsers. In dit verband wijzen zij erop dat het Kesslerpad wordt gebruikt door zwaar verkeer voor het afvoeren van mest en foerage, het op- en afstijgen van ruiters en het rijden met paard en wagen. 2.24.
  112. De minister stelt zich op het standpunt dat aansluiting van het Kesslerpad op de fietsoversteek over de Steigerdreef geen onveilige verkeerssituatie voor fietsers met zich brengt. [appellante sub 9] en [appellant sub 38] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van de minister onjuist is. De Afdeling overweegt dat de minister in redelijkheid heeft kunnen komen tot de keuze om het Kesslerpad op de in het tracébesluit voorziene wijze aan te sluiten op de fietsoversteek over de Steigerdreef. 2.
  113. [appellant sub 39] betoogt dat de minister de keuze om de A1 ter hoogte van Muiden te verleggen in plaats van te verbreden onvoldoende heeft onderbouwd. Hij voert aan dat er ook andere mogelijkheden zijn, zoals varianten direct parallel aan het huidige tracé of een beperktere verlegging van 150 m naar het zuiden. 2.25.
  114. Het tracébesluit voorziet erin dat de A1 ter hoogte van Muiden met maximaal 380 m naar het zuiden wordt verlegd. Deze verlegging zorgt er volgens de minister voor dat de leefbaarheid in Muiden verbetert, omdat door de grotere afstand van de weg tot de woonomgeving minder omwonenden overlast van de weg ondervinden. Bovendien zou bij uitbreiding van het bestaande tracé op de huidige locatie een begraafplaats geruimd moeten worden, aldus de minister. De minister stelt voorts dat eerdere onderzoeken naar een beperktere verlegging van 150 m op verzoek van de gemeente Muiden zijn gestaakt. Ten slotte stelt de minister dat de verlegging nu zodanig is ingepast dat de minste schade wordt aangebracht aan de ter plaatse aanwezige hoogspanningslijnen. 2.25.
  115. In hetgeen [appellant sub 39] aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de keuze van de minister om de A1 ter hoogte van Muiden 380 m naar het zuiden te verleggen, onrechtmatig is. De minister heeft aan zijn keuze om de A1 ter plaatse te verleggen ten grondslag gelegd dat op die wijze voor minder omwonenden hun woon- en leefklimaat wordt aangetast, de aanwezige begraafplaats kan worden gehandhaafd en de minste schade aan hoogspanningslijnen wordt aangebracht. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zijn keuze onvoldoende heeft onderbouwd. Dat als gevolg van deze keuze de woning van [appellant sub 39] niet kan worden behouden, is op zich beschouwd niet toereikend voor het oordeel dat de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen, dat de minister niet in redelijkheid tot de in het tracébesluit vastgelegde wijze van verlegging van de A1 ter hoogte van Muiden heeft kunnen besluiten. 2.
  116. [appellant sub 19] en anderen en Stichting BA betogen dat de minister aan de keuze om een tankstation naar de polder De Ronde Hoep te verplaatsen een onvoldoende belangenafweging ten grondslag heeft gelegd. Volgens hen brengt de gekozen locatie extra nadelige milieugevolgen voor de natuur en de omwonenden met zich, terwijl de noodzaak van verplaatsing niet vaststaat. Evenmin is het noodzakelijk om ter plaatse ook een verzorgingsplaats te realiseren, aldus [appellant sub 19] en anderen en Stichting BA. 2.26.
  117. De minister stelt dat ten gevolge van de in het tracébesluit voorziene realisatie van de Keizer Kareltunnel het bestaande brandstofverkooppunt nabij Amstelveen, aan de zuidzijde van de A9, niet kan worden behouden. De minister stelt voorts dat verplaatsing van het brandstofverkooppunt naar de polder De Ronde Hoep en de realisering van een verzorgingsplaats ter plaatse noodzakelijk zijn, omdat anders niet wordt voldaan aan het in de Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen geformuleerde beleid. Dit beleid dat sedert de vaststelling van de Kennisgeving in 2004 wordt gevoerd, houdt in dat ten behoeve van de verkeersveiligheid, het besparen van tijdsverlies, en het voorkomen van onnodig gebruik van het onderliggend wegennet met als gevolg een aantasting van het woon- en leefmilieu, om de 20 km een brandstofverkooppunt en de verzorgingsplaats aanwezig dient te zijn. De minister stelt ten slotte dat bij de keuze voor de nieuwe locatie van het brandstofverkooppunt inclusief verzorgingsplaats is gekeken naar vijf alternatieve locaties langs de A9 tussen het knooppunt Badhoevedorp en het knooppunt Holendrecht-Zuid, maar dat al die locaties ongeschikt zijn vanwege, kort samengevat, ruimtegebrek. 2.26.
  118. [appellant sub 19] en anderen en Stichting BA hebben niet betwist dat het bestaande tankstation niet kan worden gehandhaafd. In aanmerking genomen voorts dat vanwege de verkeersveiligheid, het besparen van tijdsverlies, en het voorkomen van onnodig gebruik van het onderliggend wegennet, om de 20 km een brandstofverkooppunt inclusief verzorgingsplaats aanwezig dient te zijn, en in aanmerking genomen de weerlegging van de minister van de in beschouwing genomen alternatieve locaties, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister aan de keuze om het brandstofverkooppunt naar de polder De Ronde Hoep te verplaatsen, en daarbij een verzorgingsplaats aan te brengen, een onvoldoende belangenafweging ten grondslag heeft gelegd. Dat [appellant sub 19] en anderen en Stichting BA vanwege de door hen gestelde aantasting van de natuur en de woonomgeving van de polder De Ronde Hoep een andere keuze voorstaan dan de minister, geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat de afweging van de minister zodanig onevenwichtig is, dat de minister in redelijkheid niet tot de in het tracébesluit voorziene verplaatsing van het tankstation naar De Ronde Hoep en de realisatie van een verzorgingsplaats ter plekke, heeft kunnen besluiten. Wat betreft de bespreking van het betoog van [appellant sub 19] en anderen dat de verplaatsing van het tankstation naar De Ronde Hoep niet wordt voldaan aan de "Spelregels EHS", verwijst de Afdeling naar hetgeen daarover hierna wordt overwogen in rechtsoverweging 2.72 en volgende. 2.
  119. Stichting AGG voert aan dat de in het tracébesluit voorziene aanleg van de Gaasperdammertunnel leidt tot barrièrewerking voor fietsers, wandelaars en minder validen, omdat er een dijk met een hoogte van vier tot ruim zes meter hoog tussen de wijken aan de noord- en zuidzijde van de A9 komt te liggen en de bestaande wandel- en fietstunnels verdwijnen. Volgens haar kan de barrièrewerking verminderd worden door de aanleg van liften en roltrappen. 2.27.
  120. De minister stelt dat in de in het tracébesluit voorziene situatie ter plaatse van de Gaasperdammertunnel alle thans aanwezige kruisende verbindingen voor fietsers en wandelaars, met uitzondering van het fietspad Geerdinkhofpad, blijven bestaan. De onderdoorgangen worden vervangen door kruisingen bovenlangs, aldus de minister. De minister stelt voorts dat het hoogteverschil wordt verholpen door de realisatie van hellingbanen. De aanleg van liften of roltrappen is dan volgens de minister niet nodig. Naar het oordeel van de Afdeling heeft Stichting AGG niet aannemelijk gemaakt dat de in het tracébesluit voorziene realisatie van de Gaasperdammertunnel leidt tot een toename van de barrièrewerking ten opzichte van de reeds bestaande situatie. De Afdeling heeft in dit verband laten wegen dat met uitzondering van het Geerdinkhofpad, dat verlegd wordt, alle de Gaasperdammertunnel kruisende verbindingen behouden blijven. Gelet hierop ziet de Afdeling in de gestelde toename van de barrièrewerking geen grond voor het oordeel dat de minister in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot de keuze voor de in het tracébesluit neergelegde wijze van de aanleg van de Gaasperdammertunnel. 2.
  121. Kantershof en Stichting AGG kunnen zich niet verenigen met de in het tracébesluit voorziene verlegging van het fietspad Geerdinkhofpad. Zij voeren aan dat de bewoners van Kantershof als gevolg van de verlegging 900 m moeten omfietsen om de A9 te kruisen. Volgens hen is een ondertunnelde doorgang op de huidige locatie een betere oplossing. Stichting AGG kan zich voorts niet verenigen met de in het tracébesluit voorziene uitvoering van de wandel- en fietspaden Gaasperparkpad, Bijlmerpleinpad en Reigerbospad. 2.28.
  122. De minister stelt zich op het standpunt dat het Geerdinkhofpad vanwege de aanleg van de Gaasperdammertunnel niet op de huidige locatie kan worden gehandhaafd. De minister stelt dat een ondertunnelde doorgang van het Geerdinkhofpad op de huidige locatie, zoals gewenst door appellanten, niet mogelijk is omdat hierdoor een gat in de waterkering zou ontstaan. Bovendien stuit een ondertunnelde doorgang op landschappelijke bezwaren, aldus de minister. De minister stelt voorts dat een kruising bovenlangs op de huidige locatie niet mogelijk is, omdat ter plaatse onvoldoende ruimte is om de hellingbanen in te passen die nodig zijn om het Geerdinkhofpad over de tunnelmond te leiden. Het standpunt van de minister komt de Afdeling niet onjuist voor. Kantershof en Stichting AGG hebben niet aannemelijk gemaakt dat het Geerdinkhofpad op de huidige locatie kan worden gehandhaafd. Hun betoog geeft geen grond voor het oordeel dat de minister, ondanks het door hem erkende gegeven dat dit voor een aantal bewoners van Kantershof ten opzichte van de huidige situatie leidt tot een omweg, na afweging van de belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de keuze om het Geerdinkhofpad op de in het tracébesluit omschreven wijze te verleggen. Evenmin geeft het niet nader onderbouwde betoog van Stichting AGG over de wandel- en fietspaden Gaasperparkpad, Bijlmerpleinpad en Reigerbospad grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid tot de in het tracébesluit voorziene wijze van uitvoering van die wandel- en fietspaden heeft kunnen besluiten. 2.
  123. Stichting AGG voert aan dat vanwege de tunnelmond van de Gaasperdammertunnel ter hoogte van Kantershof extra nadelige milieugevolgen ontstaan. Zij acht het doortrekken van de tunnel in noordoostelijke richting, onder de Gaasp door, een betere oplossing. 2.29.
  124. De minister stelt zich op het standpunt dat met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (hierna: NSL) overal in Nederland, en dus ook bij de tunnelmond ter hoogte van Kantershof, tijdig aan de grenswaarden voor luchtverontreinigende stoffen uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer wordt voldaan en ook het in de Wet geluidhinder opgenomen beoordelingskader niet aan de voorziene tunnelmond ter hoogte van Kantershof in de weg staat. Bovendien zijn met het doortrekken van de tunnel in noordoostelijke richting onder de Gaasp door hoge kosten gemoeid, aldus de minister. 2.29.
  125. Stichting AGG heeft niet aannemelijk gemaakt dat aanleiding bestaat om aan de stellingname van de minister te twijfelen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de keuze voor de in het tracébesluit vastgelegde wijze van de aanleg van de Gaasperdammertunnel. 2.
  126. Stichting AGG heeft bezwaren tegen het vervallen van de op- en afrit S113 Utrecht/Badhoevedorp, omdat als gevolg van het vervallen van deze op- en afrit het verkeer op de Langebroekdreef en de Karspeldreef toeneemt. Zij voert aan dat er mogelijkheden zijn om de op- en afrit te behouden. 2.30.
  127. De minister stelt dat, anders dan Stichting AGG veronderstelt, de aansluiting van de S113 met de A9 niet komt te vervallen, maar wordt vervangen door een halve aansluiting. Volgens de minister is er vanwege de in het tracébesluit voorziene wijze van uitvoering van de Gaasperdammertunnel onvoldoende ruimte om de volledige aansluiting ter plaatse te handhaven. De minister stelt dat handhaving van een volledige aansluiting alleen mogelijk is als die aansluiting naar het oosten wordt verplaatst. Dit zou echter een grote belasting van de natuur in het Diemerbos opleveren, aldus de minister. Stichting AGG heeft niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van de minister onjuist is. Er is, gelet op de toetsingsmaatstaf verwoord onder rechtsoverweging 2.20, geen grond voor het oordeel dat de minister in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot de keuze voor de in het tracébesluit vastgelegde wijze van uitvoering van de aansluiting van de S113 met de A
  128. 2.
  129. [appellant sub 13] en [appellant sub 33] voeren aan dat vanwege de oostelijke tunnelmond van de nieuwe Keizer Kareltunnel ter hoogte van de woonwijk Operabuurt in Amstelveen een extra verslechtering van de luchtkwaliteit ontstaat. Volgens hen moet de tunnel worden verlengd of worden voorzien van een gesloten overkapte luifel tot aan Elsenhove. 2.31.
  130. De minister stelt dat met het NSL overal in Nederland, en dus ook bij de desbetreffende tunnelmond, tijdig aan de grenswaarden voor luchtverontreinigende stoffen uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer wordt voldaan. Aanvullende maatregelen, zoals voorgesteld door [appellant sub 13] en [appellant sub 33], zijn daarom volgens de minister niet nodig. Bovendien zijn met het verlengen van de tunnelmond tot aan Elsenhove hoge kosten gemoeid, aldus de minister. 2.31.
  131. [appellant sub 13] en [appellant sub 33] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de stellingname van de minister onjuist is. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot de keuze voor de in het tracébesluit vastgelegde wijze van de aanleg van de nieuwe Keizer Kareltunnel. 2.
  132. De beroepsgronden over de tracékeuzes en alternatieven falen. Bijkomende infrastructurele voorziening 2.
  133. [appellant sub 12] en anderen stellen dat de Steigerdreef in het tracébesluit ten onrechte is aangemerkt als bijkomende infrastructurele voorziening. Volgens hen is de aanleg van de Steigerdreef niet noodzakelijk voor een doelmatig gebruik van de A6, ook niet voor zover er een samenhang in aanmerking is genomen met de gebiedsontwikkeling tussen het Weerwater en Almere Haven (hierna: de Weerwaterzone). In dit verband wijzen zij erop dat de realisering van de Weerwaterzone onder meer vanuit financieel oogpunt nog onzeker is. 2.33.
  134. De minister stelt dat de Steigerdreef een nieuwe verbinding is tussen de Noorderdreef en de A6 en daarmee één van de ontsluitingswegen voor het verkeer van en naar Lelystad, die dient voor het doelmatig gebruik van de A6 ter hoogte van de Weerwaterzone. De minister heeft ervoor gekozen de A6 ter plaatse van de Weerwaterzone op maaiveld aan te leggen en de aansluiting Almere Haven te splitsen in twee nieuwe halve aansluitingen, Almere Haven Oost en Almere Haven West, zodat op termijn in het tussenliggende gebied over de A6 heen kan worden gebouwd. De aanleg van twee halve aansluitingen maakt het volgens de minister noodzakelijk ten behoeve van de ontsluiting van de A6 ter plaatse, een nieuwe weg over bedrijventerrein De Steiger te realiseren om verkeer vanuit Almere Haven via de A6 naar Lelystad en andersom mogelijk te maken. De Steigerdreef ontsluit Almere Haven Oost. De ontsluitingsweg hangt volgens de minister zodanig samen met de uitbreiding van de A6 ter plaatse dat deze technisch en functioneel niet is los te zien van het tracé en daarom een bijkomende infrastructurele voorziening in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f van de Tracéwet is. 2.33.
  135. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Tracéwet wordt, voor zover van belang, in deze wet onder tracé verstaan:
  136. de aanduiding op topografische en geografische kaarten van het verloop en de geografische omvang van een aan te leggen of te wijzigen hoofdweg;
  137. een nauwkeurige beschrijving van de daarbij te realiseren ligging in het terrein, de daarbij te realiseren bijkomende infrastructurele voorzieningen en de daarbij te realiseren maatregelen van landschappelijke, landbouwkundige en ecologische aard. Ingevolge dat artikellid, aanhef en onder f, voor zover hier van belang, wordt in deze wet onder bijkomende infrastructurele voorzieningen verstaan: werken of bouwwerken die, zonder deel uit te maken van het profiel van een hoofdweg, met die weg zijn verbonden en dienen voor de instandhouding dan wel het veilig en doelmatig gebruik daarvan. 2.33.
  138. De Afdeling ziet, gezien de stukken en het verhandelde ter zitting, geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanleg van de Steigerdreef vanwege de samenhang met de uitbreiding van de A6 met het tracé is verbonden en dient voor het doelmatig gebruik van de A
  139. Dat de realisering van de gebiedsontwikkeling met betrekking tot de Weerwaterzone onder meer vanuit financieel oogpunt nog niet zeker is, betekent - anders dan [appellant sub 12] en anderen kennelijk menen - niet dat de minister niet in redelijkheid met deze door het gemeentebestuur van Almere voorgestane ontwikkeling rekening kon en mocht houden. Gelet hierop is de Steigerdreef op goede gronden als een bijkomende infrastructurele voorziening in het tracébesluit opgenomen. 2.
  140. [appellant sub 12] en anderen betogen dat de keuze van de minister voor de aanleg van de Steigerdreef tot gevolg heeft dat de milieuoverlast ter plaatse van de woningen op het bedrijventerrein De Steiger aanzienlijk toeneemt en de kwaliteit van de leefomgeving verslechtert. [appellant sub 12] en anderen pleiten daarom voor de zogenoemde Gitaarvariant, waarbij de Steigerdreef niet over het bedrijventerrein De Steiger loopt, maar ten noorden daarvan is gesitueerd. 2.34.
  141. De minister stelt dat niet is gekozen voor de door [appellant sub 12] en anderen gewenste Gitaarvariant, omdat die variant onvoldoende opties openlaat voor de gebiedsontwikkeling van de Weerwaterzone. Daarnaast leidt de aansluiting van de Gitaarvariant op de A6 tot veel ruimtebeslag en schade aan het Vroege Vogelbos, aldus de minister. 2.34.
  142. [appellant sub 12] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de keuze van de minister voor de aanleg van de Steigerdreef niet berust op redelijke gronden. De minister heeft vanwege de noodzaak van de ontsluiting van de A6, alsmede uit overwegingen van gebiedsontwikkeling met betrekking tot de Weerwaterzone, ruimtebeslag en de aantasting van het Vroege Vogelbos, gekozen voor de aanleg van de Steigerdreef. Dat de minister bij zijn keuze geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de gestelde toename van de milieuoverlast en de gestelde verslechtering van de kwaliteit van de leefomgeving ter plaatse van de woningen op het bedrijventerrein De Steiger, acht de Afdeling niet zodanig onredelijk dat de minister hiertoe niet heeft kunnen besluiten. De beroepsgrond faalt. Verhouding tot provinciaal ruimtelijk beleid 2.
  143. Manroland betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd hoe het tracébesluit zich verhoudt tot het Provinciale Verkeers- en Vervoersplan 2007-2013, het Provinciaal Meerjarenplan (op 14 december 2009 vastgesteld door provinciale staten), en de Structuurvisie van de Provincie Noord-Holland (op 16 februari 2010 vastgesteld door gedeputeerde staten). 2.35.
  144. De minister stelt dat hij overleg heeft gevoerd met alle betrokken provinciale en lokale overheidsorganen voordat hij het tracébesluit heeft vastgesteld en dat is onderzocht hoe de weguitbreiding zich verhoudt tot regionale, provinciale en lokale ruimtelijke plannen. De resultaten van dat onderzoek zijn weergegeven in de Trajectnota/MER Fase 2 SAA. 2.35.
  145. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder g, van de Tracéwet, voor zover hier van belang, bevat een trajectnota ten minste een beschrijving van de ruimtelijke ontwikkeling van het desbetreffende verkeers- en vervoertraject en de mate waarin in structuurvisies als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), in een verordening als bedoeld in artikel 4.1 van die wet, in een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van die wet of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van die wet met de aanleg van de hoofdweg rekening is gehouden, alsmede een beschrijving van de ruimtelijke gevolgen van de aanleg van de hoofdweg voor het in de omgeving van het desbetreffende verkeers- en vervoertraject gelegen gebied. Ingevolge artikel 15, zesde lid, geldt, voor zover het tracébesluit en het bestemmingsplan of de beheersverordenig niet met elkaar in overeenstemming zijn, het tracébesluit als omgevingsvergunning waarbij ten behoeve van een project van nationaal belang met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken. Bij de toepassing van artikel 2.10 van die wet wordt onder bestemmingsplan of beheersverordening mede het tracébesluit begrepen. 2.35.
  146. Uit de Trajectnota/MER Fase 2 SAA, deel B: "Aspect ruimte" en de Trajectnota/MER Fase 2 SAA, deel A-1 volgt dat de minister rekening heeft gehouden met het regionaal, provinciaal en lokaal beleidskader. In de toelichting bij het tracébesluit is vermeld dat de minister de raden van de gemeenten, provinciale staten en besturen van waterschappen heeft betrokken bij de voorbereiding van het tracébesluit. Gelet hierop is geen aanleiding voor het oordeel dat de minister niet heeft voldaan aan artikel 4, eerste lid, aanhef en onder g, van de Tracéwet. De beroepsgrond faalt. Het akoestisch onderzoek 2.
  147. Het akoestisch onderzoek, dat aan het tracébesluit ten grondslag is gelegd, is vastgelegd in de door Grontmij B.V. opgestelde rapporten "Akoestisch onderzoek voor Ontwerp-Tracébesluit SAA Hoofdrapport", "Akoestisch onderzoek voor Ontwerp-Tracébesluit SAA Bijlagenrapport algemene uitgangspunten" en "Akoestisch onderzoek voor Ontwerp-Tracébesluit SAA Bijlagenrapport specifieke uitgangspunten en resultaten", en het door Movares B.V. opgestelde rapport "Akoestisch onderzoek voor tracébesluit SAA - Aanvullende rapportage" (hierna: het akoestisch Hoofdrapport, het algemene Bijlagenrapport, het specifieke Bijlagenrapport en de Aanvullende rapportage). 2.
  148. Manroland voert aan dat de geluidbelasting van het kantoorgebouw waarvan zij een gedeelte huurt ten onrechte niet in het akoestisch onderzoek is betrokken. Stichting AGG voert aan dat de geluidbelasting van een dertiental objecten langs de Gaasperdammerweg ten onrechte niet is berekend. [appellant sub 1] voert aan dat de geluidbelasting van het Kromslootpark en het Beginbos bij Almere ten onrechte niet is berekend en dat ook niet is onderzocht of ter bescherming van het Kromslootpark en het Beginbos geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen. [appellante sub 9], Naarderbos Ontwikkeling en [appellant sub 38] voeren aan dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar geluidbeperkende maatregelen voor onderscheidenlijk de stadsweides in Almere en Golfbaan Naarderbos. 2.37.
  149. Op de aanleg, wijziging of verbreding van een hoofdweg in de zin van artikel 2 van de Tracéwet is afdeling 2A van hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder van toepassing. In artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet geluidhinder, zoals dat luidt sinds 1 januari 2007, is, kort weergegeven en voor zover hier van belang, bepaald dat onder aanpassing van een weg in de zin van afdeling 2A moet worden verstaan: een aanpassing ten gevolge waarvan de berekende geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen met 2 dB of meer wordt verhoogd ten opzichte van de geluidsbelasting die op grond van deze afdeling als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt. Artikel 87d, eerste lid, bepaalt waarnaar akoestisch onderzoek moet worden gedaan bij het voorbereiden van de aanleg van een hoofdweg. Ingevolge sub a van dit artikellid moet - kort weergegeven en voor zover hier van belang - onderzoek worden ingesteld naar de geluidsbelasting die door woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen binnen de zone van de weg vanwege de weg wordt ondervonden. Ingevolge sub b van dit artikellid moet - kort weergegeven en voor zover hier van belang - voor de onder a bedoelde objecten onderzoek worden ingesteld naar de doeltreffendheid van de in aanmerking komende maatregelen om de geluidshinder te beperken tot de ten hoogste toelaatbare waarden. Het tweede lid bepaalt waarnaar akoestisch onderzoek moet worden gedaan bij het voorbereiden van een wijziging of verbreding van een hoofdweg. Ingevolge dit artikellid - kort weergegeven en voor zover hier van belang - geeft dit onderzoek tevens inzicht in de heersende geluidsbelasting en de op 1 maart 1986 ondervonden geluidsbelasting. Artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder e, zakelijk weergegeven, verstaat onder andere geluidsgevoelige gebouwen: onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medisch centra, poliklinieken en medische kleuterdagverblijven. Dat artikellid, aanhef en onder f, voor zover hier van belang, verstaat onder geluidsgevoelige terreinen: terreinen die behoren bij gebouwen als bedoeld onder e. 2.37.
  150. Het kantoorgebouw waarvan Manroland een gedeelte huurt is gelegen aan de Kuiperbergweg 50 te Amsterdam. In Bijlage III ("Geluidbelasting") van deel A van de Aanvullende rapportage zijn de resultaten van de geluidberekeningen vermeld die voor dit kantoorgebouw zijn uitgevoerd. Hieruit blijkt, anders dan Manroland aanvoert, dat onderzoek is ingesteld naar de geluidbelasting die door het kantoorgebouw vanwege de weg wordt ondervonden. Het betoog van Manroland mist in zoverre feitelijke grondslag. 2.37.
  151. Uit Bijlage III van deel A van de Aanvullende rapportage blijkt voorts dat ook onderzoek is ingesteld naar de geluidbelasting van de door de Stichting AGG genoemde dertien objecten, met uitzondering van twee kinderdagverblijven aan de Hogevecht 138/C en het Bullewijkpad
  152. Deze twee kinderdagverblijven vallen niet onder de in of krachtens artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet geluidhinder limitatief opgesomde gevallen. Op grond van artikel 87d, eerste lid, sub a, van die wet behoefde daarom geen onderzoek te worden ingesteld naar de geluidbelasting die door deze twee kinderdagverblijven vanwege de weg wordt ondervonden. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het onderzoek in zoverre in strijd is met artikel 87d, eerste lid, van de Wet geluidhinder. Overigens bevatten de geluidrapporten, zoals de minister in het verweerschrift heeft uiteengezet, voldoende gegevens om de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting van de twee kinderdagverblijven te kunnen beoordelen. 2.37.
  153. Het Kromslootpark, het Beginbos, de stadsweides in Almere en de Golfbaan Naarderbos zijn geen geluidgevoelige terreinen als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet geluidhinder. Dit brengt mee, anders dan [appellant sub 1], [appellante sub 9], Naarderbos Ontwikkeling en [appellant sub 38] veronderstellen, dat op grond van artikel 87d, eerste lid, sub a, van de Wet geluidhinder geen onderzoek behoefde te worden ingesteld naar de geluidbelasting die door deze terreinen wordt ondervonden. Gelet op het bepaalde in artikel 87d, eerste lid, onder sub b, van de Wet geluidhinder bestond evenmin de verplichting om onderzoek in te stellen naar de doeltreffendheid van de in aanmerking komende maatregelen om de geluidhinder in het Kromslootpark, het Beginbos, de stadsweides en op de golfbaan te beperken. Ook in zoverre bestaat dus geen grond voor het oordeel dat het onderzoek in strijd is met artikel 87d, eerste lid, van de Wet geluidhinder. Overigens bevatten de geluidrapporten, zoals de minister in het verweerschrift heeft uiteengezet, voldoende gegevens om de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting van de voornoemde bestemmingen te kunnen beoordelen. 2.
  154. Stichting AGG voert aan dat de geluidbelasting als gevolg van fiets- en wandelpaden ten onrechte niet in het akoestisch onderzoek is betrokken. 2.38.
  155. Gelet op het bepaalde in artikel 87d van de Wet geluidhinder moet onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting vanwege de weg. Op grond van genoemd artikel behoeft geen onderzoek te worden ingesteld naar de geluidbelasting vanwege fiets- en wandelpaden. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het onderzoek in zoverre in strijd is met artikel 87d, eerste lid, van de Wet geluidhinder. 2.
  156. Stichting AGG en Stichting OBO voeren aan dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van woningen aan de Harteveldsweg in Diemen en de Kromwijkdreef, Langbroekdreef en Karspeldreef in Amsterdam Zuidoost. [appellant sub 1] voert aan dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van de woningen aan de Havendreef in Almere. 2.39.
  157. Artikel 87d, derde lid, van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, bepaalt dat indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een hoofdweg zal leiden tot een aanpassing van andere wegen dan de te wijzigen hoofdweg, of tot aanpassing van de niet te wijzigen gedeelten van de hoofdweg, het onderzoek tevens betrekking heeft op die andere wegen of de niet te wijzigen gedeelten van de betrokken hoofdweg. 2.39.
  158. De minister heeft uiteengezet dat langs de Harteveldseweg en de Kromwijkdreef geen woningen staan waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het tracébesluit bij deze woningen leidt tot een aanpassing van de weg. Stichting OBO en Stichting AGG hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het onderzoek in zoverre in strijd is met artikel 87d, derde lid, van de Wet geluidhinder. Wat betreft de Havendreef, Langbroekdreef en Karspeldreef heeft de minister niet nader betwist gesteld dat, anders dan [appellant sub 1] en Stichting AGG veronderstellen, de geluidbelasting op de gevels van de woningen aan deze wegen in het onderzoek is betrokken. 2.
  159. Manroland betoogt dat in de berekeningen van het onderzoek ten onrechte rekening is gehouden met de geluidbeperkende maatregelen die in het kader van het openbaarvervoersproject Schiphol-Amsterdam-Almere (hierna: OV SAAL) worden genomen. Zij voert aan dat de realisering van deze maatregelen onzeker is. 2.40.
  160. De minister heeft uiteengezet dat in de berekeningen van het wegverkeerslawaai geen rekening is gehouden met de geluidbeperkende maatregelen van het project OV SAAL. Wel zijn deze maatregelen, voor zover dit het traject Hoofddorp-Diemen - onderdeel van het project OV SAAL - betreft, betrokken in de berekeningen van andere geluidbronnen, aldus de minister. De minister vermeldt dat het tracébesluit tot vaststelling van dit traject van het project OV SAAL op 11 mei 2011 bekend is gemaakt. Het desbetreffende tracébesluit is, voor zover hier van belang, niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerptracébesluit. Het staat, gelet hierop, volgens de minister vast dat de geluidbeperkende maatregelen voor dit traject worden gerealiseerd. Manroland heeft niet aannemelijk gemaakt dat de minister zich niet op dit standpunt mocht stellen. 2.
  161. [appellant sub 26] en Stichting OBO betogen dat het bij het akoestisch onderzoek gehanteerde rekenmodel ongeschikt is voor het bepalen van de geluidbelasting die optreedt als gevolg van de in het tracébesluit voorziene infrastructurele maatregelen. Zij voeren aan dat de geluidbelasting ten onrechte niet is gemeten, maar berekend. 2.41.
  162. Ingevolge artikel 110d van de Wet geluidhinder wordt, voor zover hier van belang, ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelasting vanwege een weg voor het bepalen van het equivalente geluidsniveau bij ministeriële regeling aangegeven op welke wijze en met inachtneming van welke bestaande of te verwachten omstandigheden, de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid worden vastgesteld, en op welke wijze uit de over een bepaalde periode verkregen uitkomsten het in vorengenoemde omschrijving bedoelde gemiddelde wordt afgeleid. Hieraan is uitvoering gegeven in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 (hierna: RMV 2006). Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, van het RMV 2006 wordt het equivalente geluidniveau bepaald volgens de in hoofdstuk 2 van bijlage III beschreven Standaardrekenmethode II. Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid het equivalente geluidniveau worden bepaald volgens de in hoofdstuk 1 van bijlage III beschreven Standaardrekenmethode I, indien de desbetreffende situatie binnen het toepassingsgebied van die Standaardrekenmethode I valt. Ingevolge het derde lid kan in afwijking van het eerste en tweede lid het equivalente geluidniveau tevens worden bepaald volgens de Standaardmeetmethode, bedoeld in hoofdstuk 3 van bijlage III, indien de desbetreffende situatie valt binnen het toepassingsgebied van die Standaardmeetmethode. 2.41.
  163. In hoofdstuk 3 van het algemene Bijlagenrapport is vermeld dat het onderzoek overeenkomstig het RMV 2006 en de daarin voorgeschreven Standaardrekenmethode II is uitgevoerd. Dit is in overeenstemming met artikel 3.3, eerste lid, van het RMV
  164. Dat het RMV 2006 onder voorwaarden ook toestaat dat de geluidbelasting op een andere wijze - met een meting of met toepassing van Standaardrekenmethode I - wordt vastgesteld, maakt dit niet anders. De Afdeling merkt nog op, dat het vaststellen van de geluidbelasting door middel van een meting ten behoeve van het nemen van een tracébesluit, zoals [appellant sub 26] en Stichting OBO wensen, niet mogelijk is omdat de daarbij te betrekken toekomstige situatie uit de aard der zaak alleen kan worden beoordeeld aan de hand van een rekenmodel. 2.
  165. [appellant sub 1], [appellant sub 8], [appellant sub 12] en anderen, [appellant sub 19] en anderen, [appellant sub 22], Naarderbos Ontwikkeling, [appellant sub 27], Stichting AGG, Stichting OBO, en [appellant sub 33] betogen dat een aantal bij de berekeningen gehanteerde uitgangspunten onjuist is. Zij voeren aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met slijtage van stil asfalt, vegetatie, het optrekken en afremmen van auto's, de heersende windrichting, gebreken van geluidschermen, reflectie vanwege geluidschermen, extra geluidbelasting als gevolg van de tunnelmonden en de hoogte van het tunneldak, sluipverkeer en files. [appellant sub 1] voert voorts aan dat in de berekeningen ten onrechte rekening is gehouden met de grondlichamen ter hoogte van Almere Haven, omdat niet zeker is dat deze worden aangebracht. 2.42.
  166. In artikel 3, eerste lid, samen met bijlage 2 van het tracébesluit, voor zover hier van belang, is bepaald dat een weg wordt aangelegd over het bedrijventerrein De Steiger tussen de Noorderdreef en de nieuwe aansluiting op de A
  167. Voor de aanleg van deze weg wordt de A6 op maaiveld gelegd. De grond die wordt uitgegraven voor het op maaiveld leggen van de A6 wordt in de vorm van grondwallen naast het nieuwe tracé gelegd. In hetgeen [appellant sub 1] aanvoert, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister bij het nemen van het tracébesluit niet heeft mogen uitgaan van de akoestisch afschermende werking van de grondwallen ter hoogte van Almere Haven. Wat betreft de overige door appellanten genoemde factoren, die de geluidbelasting kunnen beïnvloeden, overweegt de Afdeling dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat deze factoren, voor zover de Standaardrekenmethode II daarvoor in parameters voorziet, niet op juiste wijze in de uitgevoerde berekeningen zijn betrokken. 2.
  168. [appellant sub 8], [appellant sub 12] en anderen en [appellant sub 27] betogen dat in het onderzoek naar de geluidbelasting van hun woningen ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatie van geluid vanwege luchthaven Schiphol, treinverkeer van en naar Almere en bedrijventerrein De Steiger. 2.43.
  169. Ingevolge artikel 110f, eerste lid, van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, dient degene, die bij of krachtens deze wet verplicht is tot het verrichten van een akoestisch onderzoek, ter plaatse van een woning waarop Afdeling 2, 2a, 3 en 4 van hoofdstuk VI van toepassing is en die in twee of meer aanwezige geluidzones als bedoeld in artikel 74 van deze wet is gelegen, tevens onderzoek te doen naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidbronnen. Aangegeven dient te worden op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij de te treffen maatregelen. Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, voor hier van belang, is het eerste lid uitsluitend van toepassing indien voor een woning een hogere waarde zal worden vastgesteld. 2.43.
  170. In paragraaf 2.4 van het specifieke Bijlagenrapport is vermeld, voor zover hier van belang, dat indien een woning in een geluidzone langs een weg ook in de zone van luchthaven Schiphol, spoorcorridor Schiphol-Amsterdam-Almere, of een industrieterrein is gelegen, tevens onderzoek is gedaan naar de effecten van de samenloop van die geluidsbronnen. Uit het akoestisch Hoofdrapport deel C-A1 en deel D-A6 volgt dat de woningen van [appellant sub 8] en [appellant sub 27] aan de Amsterdamsestraatweg 77 onderscheidenlijk 79 te Naarden, waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld, in meer dan één geluidzone liggen als bedoeld in artikel 110f, eerste lid, van de Wet geluidhinder. Het betreft de geluidzone ten behoeve van de A1 en A6, gemeentelijke en provinciale wegen, waaronder de Amsterdamsestraatweg, de spoorcorridor Schiphol-Amsterdam-Almere-Lelystad en het spoor Weesp-Amersfoort. De cumulatieve effecten vanwege de geluidbelasting van deze spoor- en hoofdwegen zijn bij het akoestisch onderzoek betrokken. Anders dan [appellant sub 8] en [appellant sub 27] betogen, vallen hun woningen, gelet op het Specifieke bijlagenrapport, buiten het beperkingengebied van Schiphol. De minister was dan ook op grond van de Wet geluidhinder niet gehouden rekening te houden met de cumulatie van vliegverkeerslawaai en wegverkeerslawaai. 2.43.
  171. Uit het akoestisch Hoofdrapport deel D-A6 volgt dat de woningen van [appellant sub 12] en anderen aan De Steiger te Almere, waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld, in meer dan een geluidzone liggen als bedoeld in artikel 110f, eerste lid, van de Wet geluidhinder. Het betreft de geluidzone ten behoeve van de toekomstige Steigerdreef en de A
  172. De cumulatieve effecten vanwege de geluidbelasting van deze wegen zijn bij het akoestisch onderzoek betrokken. Anders dan [appellant sub 12] en anderen menen, is het bedrijventerrein De Steiger geen industrieterrein als bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder. De minister heeft dan ook terecht het bedrijventerrein niet meegenomen in de berekening van de gecumuleerde geluidbelasting. 2.43.
  173. [appellant sub 8] en [appellant sub 12] en anderen en [appellant sub 27] hebben niet aannemelijk gemaakt dat in het onderzoek bij het bepalen van de cumulatieve geluidbelasting op de desbetreffende woningen niet met alle geluidzones van geluidbronnen die samenlopen rekening is gehouden. 2.
  174. [appellant sub 8] en [appellant sub 27] betogen dat ten onrechte een aftrek is toegepast op de cumulatieve geluidbelasting. Hiertoe voeren zij aan dat een dergelijke aftrek op grond van het in 2010 gewijzigde RMV 2006 niet langer is toegestaan. Voorts voeren zij aan dat in het onderzoek niet inzichtelijk is gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de aftrek. 2.44.
  175. Op 26 augustus 2009 trad de regeling van 17 augustus 2009 tot wijziging van het RMV 2006 (Scrt. 2009, nr. 12561) in werking. In het in 2009 gewijzigde RMV 2006 is voorgeschreven dat op de berekende cumulatieve geluidbelasting een aftrek als bedoeld in artikel 110g van de Wet geluidhinder dient te worden toegepast. Het in 2009 gewijzigde RMV 2006 is met de regeling van 9 september 2010 tot wijziging van het RMV 2006 (Stcr. 2010, nr. 14303), die in werking is getreden op 1 oktober 2010, opnieuw gewijzigd en staat niet langer een aftrek als bedoeld in artikel 110g van de Wet geluidhinder op de cumulatieve geluidbelasting toe. Ingevolge artikel II van de regeling van 9 september 2010 blijft het RMV 2006, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing op een akoestisch onderzoek dat reeds vóór dat tijdstip is ingesteld, tenzij het rapport van dat onderzoek de keuze bevat voor toepassing van genoemde regeling, zoals deze luidt vanaf bedoeld tijdstip. In paragraaf 4.1 van het specifieke Bijlagenrapport is vermeld dat het onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig het RMV 2006, zoals gewijzigd bij regeling van 17 augustus
  176. Gelet op het overgangsrecht van het in 2010 gewijzigde RMV 2006 en nu het akoestisch onderzoek, zoals neergelegd in de rapporten van 12 februari 2010 dateert van vóór de datum van inwerkingtreding van het laatstelijk gewijzigde RMV 2006, heeft de minister op goede gronden het RMV 2006, zoals gewijzigd bij regeling van 17 augustus 2009, toegepast. 2.44.
  177. De wijze waarop volgens de toelichting bij de regeling toepassing wordt gegeven aan de aftrek als bedoeld in artikel 110g van de Wet geluidhinder is dat de geluidbelasting vanwege alle betrokken geluidbronnen wordt gecumuleerd. Pas bij terugrekening naar de geluidbelasting vanwege het wegverkeer wordt deze aftrek op de gecumuleerde waarde toegepast. Deze bedraagt ingevolge artikel 3.6 en artikel 3.7, aanhef en onder b en c, van het RMV 2006, zoals die artikelen destijds luidden, voor de heersende waarde van de geluidbelasting en die in het toekomstige maatgevende jaar voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/uur of meer, 2 dB en voor overige wegen 5 dB. Deze aftrek is ook toegepast op het zogenoemde Stand Still 2008 als bedoeld in de "Aanvullende overeenkomst Stroomlijnalternatief planstudie weg Schiphol-Amsterdam-Almere" van januari
  178. Dit Stand Still 2008 houdt - kort weergegeven - in dat de geluidbelasting na de in het tracébesluit voorziene aanpassingen ter plaatse van gevels van woningen lager of gelijk moet zijn aan de in 2008 heersende geluidbelasting van deze woningen. Overeenkomstig artikel 6.1 van het RMV 2006, zoals het destijds luidde, is op de waarden voor het jaar 1986 een aftrek van 5 dB(A) toegepast. De minister heeft, gezien het specifieke Bijlagenrapport, op de vorenstaande wijze invulling gegeven aan de aftrek als bedoeld in artikel 110g van de Wet geluidhinder. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het onderzoek in zoverre onvoldoende gegevens bevat over de wijze van toepassing van de aftrek op de cumulatieve geluidbelasting. 2.
  179. [appellant sub 8] en [appellant sub 27] voeren aan dat in de tabel van Bijlage 3a bij het tracébesluit ten onrechte niet voor alle hoogbelaste gevels van hun woningen hogere waarden zijn opgenomen. Volgens hen is dit in strijd met het in 2010 gewijzigde RMV 2006, waarin is geadviseerd om voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de cumulatieve geluidbelasting aandacht te besteden aan de vraag of één dan wel meer gevels hoogbelast zijn. 2.45.
  180. Deze beroepsgrond slaagt niet reeds omdat het in 2010 gewijzigde RMV 2006, zoals hierboven overwogen, niet van toepassing is. 2.
  181. [appellant sub 27] voert aan dat aan de juistheid van het akoestisch onderzoek kan worden getwijfeld, nu uit de tabel van Bijlage I ("vast te stellen hogere waarde door de A1 voor de gemeente Naarden") van deel C van de Aanvullende rapportage volgt dat de cumulatieve geluidbelasting op de zuidwestgevel van de woning aan de Amsterdamsestraatweg 73 bij een waarneemhoogte van 1,5 m hetzelfde is als die op de zuidwestgevel van zijn woning. Dit ondanks dat de woning aan de Amsterdamsestraatweg 73 op grotere afstand van de A1 is gelegen dan zijn woning, aldus [appellant sub 27]. 2.46.
  182. In Bijlage I is voor de woning Amsterdamsestraatweg 73 weergegeven dat de gecumuleerde geluidbelasting bij een waarneemhoogte van 1,5 m en geveloriëntatie ZW 59 dB is. Voor de woning van [appellant sub 27] geldt volgens de desbetreffende bijlage bij een hoogte van 1,5 meter en geveloriëntatie ZW eveneens een gecumuleerde geluidbelasting van 59 dB. 2.46.
  183. Ter zitting heeft de minister naar voren gebracht dat de woning aan de Amsterdamsestraatweg 73 weliswaar op grotere afstand van de A1 is gelegen dan de woning van [appellant sub 27], maar dat bij de eerstgenoemde woning de geluidbelasting vanwege andere geluidbronnen dan de A1 in de toekomstige situatie bepalend zal zijn voor de cumulatieve geluidbelasting op de zuidwestzijde van die woning. De geluidbelasting afkomstig van deze geluidbronnen leidt volgens de minister in de toekomstige situatie voor de woning aan de Amsterdamsestraatweg 73 tot een vergelijkbare cumulatieve geluidbelasting als die van de A1 voor de cumulatieve geluidbelasting op de woning van [appellant sub 27]. [appellant sub 27] heeft de stellingname van de minister niet gemotiveerd weersproken en derhalve niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek in zoverre onjuist is. 2.46.
  184. De beroepen geven gezien het voorgaande geen grond voor het oordeel dat de minister bij de toepassing van de bepalingen van de Wet geluidhinder niet van de resultaten van het akoestisch onderzoek mocht uitgaan. Geluidhinder (Hogere waarden) 2.
  185. Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de Tracéwet, voor zover hier van belang, maakt een beslissing tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones ingevolge de artikelen 87e tot en met 87i van de Wet geluidhinder met betrekking tot het gebied dat is begrepen in een tracébesluit, deel uit van het tracébesluit. In de artikelen 87e, 87f en 87g is, kort weergegeven, bepaald welke geluidsbelasting vanwege de weg in beginsel in acht moet worden genomen bij woningen in de zone van deze weg (hierna: de voorkeursgrenswaarde). In deze artikelen is verder geregeld, kort weergegeven, dat bij een voorziene overschrijding van de voorkeursgrenswaarde daarvoor een hogere waarde in de plaats kan worden gesteld, maar uitsluitend voor zover toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard. 2.
  186. Gezien het verhandelde ter zitting begrijpt de Afdeling het beroep van [appellant sub 22], voor zover hier van belang, aldus dat hij van mening is dat door de verbreding van de weg de bezoekers van zijn bezoekboerderij gedurende de buitenactiviteiten geluidhinder zullen ondervinden. 2.48.
  187. In artikel 1 van de Wet geluidhinder zijn definities opgenomen van "andere geluidgevoelige gebouwen" en "geluidgevoelige terreinen". Op grond van die bepaling worden als geluidgevoelig aangemerkt: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, buitenterreinen bij specifieke gezondheidszorggebouwen en woonwagenstandplaatsen. Nu een buitenterrein krachtens voormelde wetsbepaling niet als geluidgevoelig wordt bestempeld, komt dit op grond van de Wet geluidhinder geen bescherming toe. 2.
  188. Manroland voert aan dat het tracébesluit een motivering ontbeert voor de noodzaak tot het vaststellen van hogere waarden. Volgens haar is onvoldoende onderbouwd waarom maatregelen gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zullen zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard. 2.49.
  189. De minister heeft voor de beoordeling van de doeltreffendheid van geluidbeperkende maatregelen in relatie tot de bezwaren van financiële aard (hierna: de doelmatigheidsbeoordeling) voor saneringswoningen het schermencriterium gehanteerd en voor de overige woningen het maatregelcriterium. In hoofdstuk 4 van het Algemene bijlagenrapport zijn het maatregelcriterium en het schermencriterium toegelicht. In hoofdstuk 6 van het specifieke Bijlagenrapport is voor ieder van de vier onderzochte deeltrajecten van het tracébesluit (te weten: de A9 vanaf knooppunt Holendrecht tot en met knooppunt Diemen en de A2 ter hoogte van knooppunt Holendrecht, de A10 Oost vanaf knooppunt Amstel tot de Zeeburgerbrug en de A1 vanaf knooppunt Watergraafsmeer tot en met knooppunt Diemen, de A1 vanaf knooppunt Diemen tot Naarden-West, en de A6 vanaf knooppunt Muiderberg tot en met Almere Buiten Oost) uiteengezet welke maatregelvarianten voor het beperken van de geluidbelasting zijn onderzocht, en tot welke maatregelen en welke hogere waarden een doelmatigheidsbeoordeling aan de hand van het maatregel- en schermencriterium leidt. In hoofdstuk 4 van de Aanvullende rapportage, voor zover hier van belang, is aan de hand van het maatregel- en schermencriterium onderzocht of de wijzigingen van het tracébesluit ten opzichte van het ontwerptracébesluit aanleiding geven om de in het specifieke Bijlagenrapport voorgestelde maatregelen uit te breiden. 2.49.
  190. Gelet op het voorgaande, ziet de Afdeling het in algemene bewoordingen gestelde betoog van Manroland geen grond voor het oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard. 2.
  191. [appellant sub 1] en [appellant sub 26] kunnen zich niet verenigen met het door de minister in het kader van de doelmatigheidsbeoordeling toegepaste maatregel- en schermencriterium. [appellant sub 26] acht het onjuist dat geluidbeperkende maatregelen enkel uit financiële overwegingen achterwege worden gelaten. [appellant sub 1] voert aan dat nieuwe, goed geïsoleerde woningen minder profiteren van de toepassing van het maatregel- en schermencriterium. 2.50.
  192. In onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2007 in zaak nr. 200600229/1 is overwogen dat toepassing van het maatregel- en schermencriterium niet in strijd is met de Wet geluidhinder en de daarop gebaseerde regelgeving. Bij toepassing van het maatregel- en schermencriterium spelen niet alleen financiële overwegingen een rol, maar worden de kosten van geluidbeperkende maatregelen afgewogen tegen de te behalen geluidreductie. Geluidisolerende capaciteiten van woningen worden bij de toepassing van het maatregel- en schermencriterium niet betrokken. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 26] aanvoeren geen aanleiding om ten aanzien van de aanvaardbaarheid van het maatregel- en schermencriterium tot een ander oordeel te komen. 2.
  193. [appellant sub 26] is beducht voor geluidhinder ter plaatse van zijn woning. Hij voert aan dat het tracébesluit in onvoldoende maatregelen voorziet om de geluidhinder aldaar te beperken. Voorts acht hij het onjuist dat voor zijn woning geen hogere waarde is vastgesteld, terwijl dat voor een aantal nabijgelegen woningen in de wijk Muidergouw wel het geval is. 2.51.
  194. De woning van [appellant sub 26] is gelegen in de woonwijk Muidergouw te Almere. Voor het beperken van de geluidbelasting van de woningen in onder meer deze wijk is in artikel 8 van het tracébesluit bepaald dat tussen km 41.8 en 50.2 en tussen km 51.9 en 56.1 van de A6 tweelaags zeer open asfaltbeton wordt aangebracht. In de tabel van Bijlage III (blz. 173 van 342) van deel D van de Aanvullende rapportage en in de tabel van Bijlage 3f (blz. 39 van 55) van deel OWN van de Aanvullende rapportage is aangegeven dat de geluidbelastingen van de woning van [appellant sub 26] vanwege onderscheidenlijk de A6 en de Noorderdreef gelijk dan wel lager is dan de voor deze woning op grond van artikel 87f van de Wet geluidhinder geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De Afdeling ziet geen aanleiding om die uitkomsten onjuist te achten. De constatering dat voor de woning van [appellant sub 26] de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden, brengt mee dat voor deze woning het vaststellen van een hogere waarde noch het in dat kader doen van onderzoek naar verdere geluidbeperkende maatregelen aan de orde is. Dat, zoals [appellant sub 26] aanvoert, voor een aantal nabijgelegen woningen wel hogere waarden zijn vastgesteld, komt omdat die woningen dichter bij de A6 dan wel de Noorderdreef zijn gelegen, aldus de minister. [appellant sub 26] heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die de Afdeling aanleiding geven om aan de juistheid van deze redenering te twijfelen. 2.
  195. [appellant sub 1], [appellant sub 12] en anderen, [appellant sub 21] en [appellant sub 33] zijn beducht voor geluidhinder ter plaatse van hun woningen. Volgens hen voorziet het tracébesluit in onvoldoende maatregelen om de geluidhinder aldaar te beperken. [appellant sub 1] voert hiertoe aan dat in de stedenbouwkundige opzet van Almere Haven geen rekening is gehouden met de uitbreiding van de A6 ter plaatse. Hij stelt voor om ter hoogte van het Kromslootpark en het Beginbos aarden wallen gecombineerd met geluidschermen te realiseren en/of de A6 verdiept aan te leggen. [appellant sub 21] voert aan dat in het onderzoek is uitgegaan van een te lage geluidbelasting op de woning van [appellant sub 21], te weten 59 dB in plaats van 63 dB, en dat de geluidbeperkende maatregelen daarom moeten worden aangevuld met een geluidscherm van vier meter hoog en 600 meter lang. Daarbij zijn bij een ander project met betrekking tot de uitbreiding van de A2 voor andere woningen die ook in het buitengebied zijn gelegen wel geluidschermen gerealiseerd, aldus [appellant sub 21]. [appellant sub 33] voert aan dat meer geluidbeperkende maatregelen moeten worden getroffen ter plaatse van zijn woning vanwege de extra geluidbelasting als gevolg van de tunnelmond. 2.52.
  196. In het akoestisch Hoofdrapport, het specifieke Bijlagenrapport en de Aanvullende rapportage is vermeld welke maatregelvarianten voor het beperken van de geluidbelasting zijn onderzocht ter plaatse van de woningen van [appellant sub 12] en anderen, waarbij voor de woningen van [appellant sub 12] en anderen aan De Steiger de woning aan De Steiger 182 door de minister maatgevend is geacht, en ter plaatse van de woningen in de woonwijken van [appellant sub 1], [appellant sub 21] en [appellant sub 33]. In deze rapporten is voor deze woningen vermeld tot welke maatregelen en hogere waarden een doelmatigheidsbeoordeling aan de hand van het maatregel- en schermencriterium leidt. In aanmerking genomen dat het betoog van [appellant sub 21] feitelijke grondslag mist, omdat [appellant sub 21] de voor de woning vastgestelde hogere waarde van 59 dB vergelijkt met de cumulatieve geluidbelasting van 63 dB, dat [appellant sub 33] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gestelde extra geluidbelasting als gevolg van de tunnelmond niet of op onjuiste wijze in het akoestisch onderzoek is betrokken en dat [appellant sub 1] en [appellant sub 12] en anderen geen concrete argumenten naar voren hebben gebracht tegen deze beoordeling van de doelmatigheid, ziet de Afdeling in hetgeen deze appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding om de uitkomsten van deze doelmatigheidsbeoordeling onjuist te achten. Hetgeen zij naar voren hebben gebracht, geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor de in het tracébesluit vastgestelde maatregelen en de daarbij behorende hogere waarden. Dat, zoals [appellant sub 1] aanvoert, in de stedenbouwkundige opzet van Almere Haven geen rekening is gehouden met een uitbreiding van de A6, leidt niet tot een ander oordeel. [appellant sub 21] heeft met de verwijzing naar een andere wegaanpassing, waarbij meer geluidschermen zouden zijn gerealiseerd, niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zodanig overeenkomt met haar eigen situatie, dat geoordeeld moet worden dat de minister bij het nemen van het Tracébesluit heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. 2.
  197. [appellant sub 19] en anderen zijn beducht voor geluidhinder ter plaatse van hun woningen. Zij voeren aan dat het tracébesluit in onvoldoende maatregelen voorziet om de geluidhinder aldaar te beperken. Volgens hen moet het in het tracébesluit voorziene geluidscherm ter hoogte van hun woningen niet drie meter maar vier meter hoog zijn. 2.53.
  198. De woningen van [appellant sub 19] en anderen zijn gelegen in het buitengebied van Ouderkerk aan de Amstel ten zuiden van de A
  199. In het akoestisch Hoofdrapport is dit gebied aangeduid als Gebied 55 ("Ronde Hoep - oost"). Op grond van de "Aanvullende overeenkomst Stroomlijnalternatief planstudie weg Schiphol-Amsterdam-Almere" van januari 2009 (hierna: de Aanvullende overeenkomst) geldt voor dit gebied het "Stand Still 2008". Stand Still 2008 houdt in, voor zover hier van belang, dat de geluidbelasting na de in het tracébesluit voorziene aanpassing van de A9 ter plaatse lager of gelijk moet zijn aan de in 2008 heersende geluidbelasting van de woningen. In paragraaf 6.1.11 van deel A van het akoestisch Hoofdrapport, Bijlagen 6.1.7 en 6.1.8 van het specifieke Bijlagenrapport en paragraaf 4.2.14 van deel A van de Aanvullende rapportage is vermeld welke maatregelvarianten voor het beperken van de geluidbelasting zijn onderzocht om aldaar te voldoen aan Stand Still
  200. Uit dit onderzoek volgt dat met het aanbrengen van tweelaags ZOAB van km 22.100 tot 26.940 in combinatie met de realisering van een geluidscherm van drie meter hoog van km 22.820 tot km 24.520 de geluidbelasting van de woningen van [appellant sub 19] en anderen na de in het tracébesluit voorziene aanpassing van de A9 lager is dan in 2008, en dat met deze combinatie van maatregelen derhalve wordt voldaan aan Stand Still 2008, zodat meer geluidbeperkende maatregelen niet noodzakelijk zijn. [appellant sub 19] en anderen hebben geen concrete argumenten naar voren gebracht tegen deze beoordeling van de noodzakelijkheid. Hetgeen zij aanvoeren geeft de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister niet op goede gronden heeft kunnen kiezen voor de in het tracébesluit vastgestelde maatregelen. 2.
  201. JC Decaux en Manege de Eenhoorn kunnen zich niet verenigen met het in het tracébesluit voorziene geluidscherm langs de zuidzijde van de A1 ter hoogte van de Manege de Eenhoorn, omdat door dit geluidscherm het zicht wordt ontnomen op de door hen geëxploiteerde reclamewand op de muur van Manege de Eenhoorn. Volgens hen is het niet noodzakelijk om het geluidscherm daar te plaatsen, omdat er zich in de omgeving reeds geluidschermen bevinden, de manege niet bewoond is, en de manege omringd is door spoordijken die de geluidbelasting beperken. Voorts voeren zij aan dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of er andere, meer effectieve mogelijkheden zijn om de geluidbelasting in de omgeving te beperken, zoals het plaatsen van geluidschermen langs de spoorwegen in de nabije omgeving. Manege de Eenhoorn voert tevens aan dat het realiseren van het betrokken geluidscherm in strijd is met artikel 3, tweede lid, onder c, van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder, omdat de maatregel niet in verhouding staat tot de extra geluidreductie die door het treffen van deze maatregel wordt bereikt. 2.54.
  202. In artikel 8, eerste lid, samen met tabel 3, van het tracébesluit is bepaald dat langs de zuidzijde van de A1 tussen km 4.77 en km 6.84 een geluidscherm van vier meter hoog wordt gerealiseerd. De minister vermeldt in het verweerschrift dat het tracébesluit voorziet in de realisering van dit geluidscherm om de geluidbelasting van de wijk Buitenlust in Diemen en de nog te bouwen woningen in de Sniep, ten oosten van de kern van Diemen, te beperken. De wijk Buitenlust en de nieuw te bouwen woningen in de Sniep zijn gelegen in het gebied dat in het akoestisch Hoofdrapport is aangeduid als Gebied
  203. In de Aanvullende overeenkomst is ten aanzien van dit gebied afgesproken dat als gevolg van de in het tracébesluit voorziene maatregelen voor de nieuw te bouwen woningen in de Sniep de geluidbelasting niet meer bedraagt dan 48 dB en dat voor woningen in de wijk Buitenlust wordt uitgegaan van Stand Still
  204. In paragraaf 6.1.4 van deel B van het akoestisch Hoofdrapport, Bijlage 2.1 van het specifieke Bijlagenrapport en paragraaf 4.2.
  205. van de Aanvullende rapportage is, voor zover hier van belang, vermeld dat om hieraan te voldoen het noodzakelijk is om in combinatie met tweelaags ZOAB het betrokken geluidscherm te realiseren. JC Decaux en Manege de Eenhoorn hebben met hun betoog dat zich in de omgeving reeds geluidschermen bevinden, de manege niet bewoond is, en de manege omringd is door spoordijken die de geluidbelasting beperken, niet aannemelijk gemaakt dat de berekeningen die in de rapporten zijn uitgevoerd en ten grondslag zijn gelegd aan de noodzaak het desbetreffende geluidscherm te realiseren om aan de geluidbelasting van 48 dB en Stand Still 2008 te voldoen, onjuist zijn. Het betoog van Manege de Eenhoorn dat het aanbrengen van het geluidscherm in strijd is met artikel 3, tweede lid, onder c, van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder faalt, reeds omdat in artikel 8, tweede lid, in samenhang met Bijlage III van die Regeling, is bepaald, voor zover hier van belang, dat de Regeling buiten toepassing kan blijven op het tracébesluit. Hetgeen JC Decaux en Manege de Eenhoorn aanvoeren geeft de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister niet op goede gronden heeft kunnen kiezen voor de in het tracébesluit voorziene realisering van het geluidscherm. 2.54.
  206. Ten aanzien van het door JC Decaux en Manege de Eenhoorn naar voren gebrachte alternatief om het geluidscherm langs de spoorwegen in de nabije omgeving te plaatsen, is in Bijlage 2.1 van het specifieke Bijlagenrapport vermeld dat met de situering van een scherm met een vergelijkbare hoogte op het talud van het spoor tussen Oud Diemen en de A1 de effectiviteit van het scherm met 2 tot 4 dB afneemt. Voor zover zij aanvoeren dat een geluidscherm geplaatst zou kunnen worden langs de tweede spoorweg ten zuiden van de manege, is in het verweerschrift vermeld dat dit scherm geen effect zou hebben voor de ten noorden van deze spoorweg gelegen woningen in de wijk Buitenlust. Gelet op het voorafgaande, geeft het betoog van JC Decaux en Manege de Eenhoorn geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar andere mogelijkheden dan het betrokken geluidscherm om de geluidbelasting van de woningen in de wijk Buitenlust en de nieuw te bouwen woningen in de Sniep te beperken. Voor de bespreking van het betoog van JC Decaux en Manege de Eenhoorn dat zij schade lijden als gevolg van de gewijzigde zichtbaarheid van hun reclame-uitingen, verwijst de Afdeling naar rechtsoverweging 2.92 en volgende. 2.
  207. [appellant sub 12] en anderen voeren aan dat niet duidelijk is waarom vergelijkbare hogere waarden zijn vastgesteld voor woningen die ongeveer 60 tot 70 m van de weg zijn gelegen en voor woningen die op ongeveer 400 tot 500 m van de weg zijn gelegen. 2.55.
  208. De minister stelt in het verweerschrift dat voor de woningen waarnaar [appellant sub 12] en anderen verwijzen en die op korte afstand van de weg zijn gelegen hogere waarden zijn vastgesteld wegens de van de Steigerdreef afkomstige geluidbelasting en dat voor de woningen waarnaar [appellant sub 12] en anderen verwijzen en die verder van de weg zijn gelegen hogere waarden zijn vastgesteld wegens de van de A6 afkomstige geluidbelasting. Het feit dat de hoogte van de vastgestelde hogere waarden vergelijkbaar is, komt volgens de minister doordat de A6 meer geluid produceert dan de Steigerdreef. Dit betekent dat de A6 op grote afstand van deze weg een vergelijkbare geluidbelasting met zich kan brengen als die de Steigerdreef bij nabijgelegen woningen veroorzaakt, aldus de minister. [appellant sub 12] en anderen hebben geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die de Afdeling aanleiding geven om aan deze uitleg te twijfelen. 2.
  209. [appellant sub 8] en [appellant sub 27] betogen dat voor een aantal woningen binnen het deelgebied van hun woningen ten onrechte hogere waarden zijn vastgesteld dan 58 dB. Hiertoe voeren zij aan dat in artikel 83, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet geluidhinder is bepaald dat voor woningen die binnen de geluidzone van een nog niet geprojecteerde weg zijn gelegen, geen hogere waarden mogen worden vastgesteld dan 58 dB. 2.56.
  210. Artikel 87c van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, bepaalt dat artikel 83 van die wet niet van toepassing is op, zoals in dit geval aan de orde, de aanleg, wijziging of verbreding van een hoofdweg in de zin van artikel 2 van de Tracéwet. De beroepsgrond faalt. 2.
  211. [appellant sub 8] voert aan dat in artikel 3 van het wijzigingsbesluit ten onrechte is bepaald dat de vastgestelde hogere waarden vanwege de A1 en de A6 voor de noordwestelijke gevel van zijn woning aan de Amsterdamsestraatweg 77 vervallen, omdat deze woning geen noordwestelijke gevel op 1,5 m hoogte zou hebben. Volgens hem heeft deze woning wel een noordwestelijke gevel. 2.57.
  212. De minister stelt dat de woning van [appellant sub 8] een twee-onder-een-kap-woning is. Op de eerste verdieping aan de noordwestzijde van het pand is, boven de begane grond van de woning Amsterdamsestraatweg 79, een slaapkamer van de woning van [appellant sub 8] gelegen. Deze gevel wordt volgens de minister zowel in de huidige als in de toekomstige situatie door de A1 en de A6 belast. Daarom heeft de minister bij het akoestisch onderzoek de geluidbelasting afkomstige van de A1 en de A6 op 4,5 m hoogte op de noordwestzijde van de gevel van de woning van [appellant sub 8] berekend. De door [appellant sub 8] genoemde waarneemhoogte van 1,5 m is volgens de minister daarom niet representatief voor de slaapkamer op de eerste verdieping aan de noordwestzijde van de woning. Nu de begane grond aan de noordwestzijde van het pand niet bij de woning van [appellant sub 8] hoort, zijn de in het tracébesluit op 1,5 m hoogte vastgestelde hogere waarden op de noordwestgevel van het pand vanwege de A1 en de A6 met het wijzigingsbesluit komen te vervallen. [appellant sub 8] heeft hetgeen de minister stelt niet gemotiveerd weersproken. Nu de gevel aan noordwestzijde van het pand op 1,5 m hoogte niet tot de woning van [appellant sub 8] behoort, heeft de minister desbetreffende vastgestelde hogere waarden wegens van de A1 en de A6 afkomstige geluidbelasting met het wijzigingsbesluit terecht laten vervallen. 2.
  213. [appellant sub 8] en [appellant sub 27] voeren aan dat in de tabel van Bijlage I ("vast te stellen hogere waarde door de A1 voor de gemeente Naarden") van deel C van de Aanvullende rapportage is vermeld dat de toepasselijke binnenwaarde van hun woningen vanwege de weg 43 dB bedraagt, terwijl dit 33 dB moet zijn. 2.58.
  214. [appellant sub 8] en [appellant sub 27] wijzen er terecht op dat, anders dan in de betreffende tabel is vermeld, ingevolge artikel 111, tweede lid, van de Wet geluidhinder de maximaal toelaatbare binnenwaarde vanwege een weg 33 dB bedraagt. In het aanvullend verweerschrift en ook ter zitting heeft de minister erkend dat Bijlage I in zoverre een verschrijving bevat. Deze verschrijving heeft echter geen gevolgen, omdat de door de minister te hanteren binnenwaarde rechtstreeks uit artikel 111, tweede lid, van de Wet geluidhinder voortvloeit en tast dan ook de rechtmatigheid van het tracébesluit niet aan. 2.
  215. De beroepsgronden over geluidhinder falen. Luchtkwaliteit 2.
  216. [appellant sub 3], [appellant sub 12] en anderen, [appellant sub 13], [appellant sub 19] en anderen, [appellant sub 22], McDonald's A6 en A9, [appellant sub 26], Stichting AGG, Stichting OBO, Stichting BA, [appellant sub 33] en Manroland stellen dat de minister het tracébesluit niet had mogen vaststellen vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Ze vrezen tevens voor gezondheidsklachten als gevolg van de uitstoot van zwevende deeltjes en stikstofdioxide. Zij voeren - kort weergegeven - aan dat de minister niet had mogen verwijzen naar het NSL, maar dat de minister de luchtkwaliteit had dienen te berekenen om te toetsen of wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor luchtkwaliteit. Volgens Stichting AGG had onder meer moeten worden getoetst aan de grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM2,5). Verder voert zij aan dat de vrijstelling die de Commissie van de Europese Gemeenschappen (thans: Europese Unie) heeft verleend van de verplichting om aan de jaargemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide te voldoen tot 31 december 2014 en om aan de daggemiddelde grenswaarde voor zwevende deeltje (PM10) te voldoen tot 11 juni 2011, is gebaseerd op het ontwerp NSL en geen betrekking heeft op de wijzigingen van het NSL van na die tijd. Stichting AGG verzoekt in dit kader om prejudiciële vragen te stellen. Daarnaast voeren appellanten aan dat de projectkenmerken in het tracébesluit niet overeenkomen met de beschreven projectkenmerken in het NSL, zodat de minister ook daarom niet had mogen volstaan met een verwijzing naar het NSL. Zo is bijvoorbeeld de nieuw aan te leggen Steigerdreef niet opgenomen in de projectbeschrijving weguitbreiding tracébesluit Schiphol-Amsterdam-Almere in het NSL. [appellant sub 12] en anderen voeren in dit verband aan dat op grond van artikel 15a van de Tracéwet had moeten worden berekend of de aanleg van de Steigerdreef leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Voorts betwijfelen appellanten of met het NSL wel tijdig aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit zal worden voldaan. Daartoe voeren zij aan dat een aantal bij de vaststelling van het NSL voorziene maatregelen, zoals de plannen voor het rekening rijden, is gewijzigd en dat deze maatregelen mogelijk in de toekomst weer wijzigen. In dit verband wordt naar voren gebracht dat er plannen zijn om de maximale snelheid op een aantal snelwegen te verhogen. Daarnaast twijfelen zij aan een aantal uitgangspunten van het NSL, zoals de prognose van de termijn voor het vervangen van het autopark in Nederland en de verwachte positieve effecten van ZOAB op de luchtkwaliteit. Tevens plaatsen zij kanttekeningen bij de luchtkwaliteitsberekeningen die ten grondslag liggen aan het NSL. Zo wordt aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de emissieconcentraties die zich kunnen voordoen bij de tunnelmonden en veroorzaakt worden door optrekkend en afremmend verkeer op de verzorgingsplaats bij het brandstofverkooppunt aan de A9 en ter hoogte van de wijk Diemen-Noord. Volgens [appellant sub 3] wordt ter hoogte van de woonwijk Diemen-Noord een soort bufferzone ingevoerd waardoor het verkeer ter plaatse moet afremmen en optrekken. Ten aanzien van de tunnels wordt specifiek aangevoerd dat geen rekening is gehouden met de overheersende westenwind en het venturi-effect van de tunnels en daarnaast is volgens appellanten niet duidelijk of de tunnels van luchtfiltering worden voorzien. Voorts voeren zij aan dat het aantal verkeersbewegingen is onderschat, geen rekening is gehouden met de extra kilometers die auto's moeten omrijden om de restaurants van de McDonald's aan de A6 en A9 te bereiken, geen rekening is gehouden met de aanleg van een aarden wal ten behoeve van de luchtkwaliteit die volgens Stichting OBO wel is voorgeschreven in het MER, geen rekening is gehouden met de gevolgen van het bedrijventerrein "De Steiger" op de luchtkwaliteit en geen rekening is gehouden met de emissies van de binnenvaart op het Amsterdam Rijnkanaal. [appellant sub 12] en anderen betwijfelen of de nieuw aan te leggen Steigerdreef ook wordt meegenomen bij de monitoring van het NSL. Ten slotte voert een aantal appellanten aan dat onduidelijkheid bestaat over welke maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat tijdig aan de grenswaarden wordt voldaan. 2.60.
  217. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de in de richtlijn gestelde grenswaarden voor onder meer zwevende deeltjes en stikstofdioxide opgenomen. Ingevolge artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, stelt de minister van VROM (thans: Infrastructuur en Milieu) met betrekking tot een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde die op of na het daarbij behorende tijdstip wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, een programma vast dat is gericht op het bereiken van die grenswaarde. Ingevolge het vijfde lid, kort weergegeven en voor zover hier van belang, worden in het programma geen besluiten opgenomen indien het aannemelijk is dat deze besluiten een overschrijding of verdere overschrijding van een geldende grenswaarde tot gevolg hebben op het tijdstip waarop, met toepassing van uitstel als bedoeld in artikel 22 van de richtlijn 2008/50/EG, aan de in bijlage 2 opgenomen grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide moet worden voldaan. Voor de grenswaarde voor de daggemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) geldt als tijdstip waarop na uitstel aan de grenswaarde moet worden voldaan 11 juni
  218. Voor stikstofdioxide geldt (met uitzondering van de agglomeratie Heerlen/Kerkrade) als tijdstip waarop na uitstel aan de grenswaarde moet worden voldaan 1 januari
  219. De Afdeling wijst in dit verband naar haar uitspraak van 27 april 2011 in zaak nr. 201008134/1/M
  220. Ingevolge het twaalfde lid, voor zover hier van belang, kunnen bestuursorganen die het aangaat, na een daartoe strekkende melding aan de minister van VROM (thans: Infrastructuur en Milieu), een of meer in het programma genoemde of beschreven maatregelen, ontwikkelingen of besluiten wijzigen of vervangen, of een of meer maatregelen, ontwikkelingen of besluiten aan het programma toevoegen, indien bij de betreffende melding aannemelijk wordt gemaakt dat die gewijzigde, vervangende of nieuwe maatregelen, ontwikkelingen of besluiten per saldo passen binnen of in elk geval niet in strijd zijn met het programma. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, samen met het tweede lid, onder d, - voor zover thans van belang - kan een tracébesluit dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, worden vastgesteld indien dit besluit betrekking heeft op een ontwikkeling die is genoemd in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12, eerste lid, vastgesteld programma. Ingevolge het derde lid, kort weergegeven en voor zover hier van belang, vindt wanneer artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van toepassing is, met betrekking tot de effecten van het desbetreffende besluit geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit plaats voor de in bijlage 2 opgenomen grenswaarden. Ingevolge artikel 15a, eerste lid, van de Tracéwet - voor zover hier van belang - is artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer ook van toepassing indien het tracébesluit inzake de aanleg of wijziging van een hoofdweg is genoemd in een overeenkomstig artikel 3:11, eerste lid, van de Awb ter inzage gelegd ontwerp van het programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer. 2.60.
  221. Het programma dat is bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het NSL. Het project A6/A9 Schiphol-Amsterdam-Almere waarvoor het thans bestreden tracébesluit is vastgesteld, is van meet af aan als ontwikkeling genoemd in het NSL. Bij een op grond van artikel 5.12, twaalfde lid, van de Wet milieubeheer gedane melding van 13 juli 2010 zijn de in het NSL opgenomen kenmerken van het project A6/A9 Schiphol-Amsterdam-Almere nader aangeduid. 2.60.
  222. Ten aanzien van het betoog dat de beschreven projectkenmerken in het NSL niet volledig overeenkomen met het tracébesluit, overweegt de Afdeling dat het te ver voert om te eisen dat alle projectkenmerken tot in detail in het NSL of in de meldingen bij het NSL worden vermeld. Van belang is dat de voor de bepaling van de luchtkwaliteit relevante aspecten bij de berekening op grond van het NSL worden betrokken. Overigens heeft de minister bij zijn melding van 13 april 2011, aangevuld op 13 mei 2011, onder meer de kilometrering en de datum van ingebruikname in het NSL in overeenstemming gebracht met het tracébesluit. Naar aanleiding van de opmerking van [appellant sub 12] en anderen dat de Steigerdreef niet in het NSL of in de meldingen bij het NSL wordt genoemd, heeft de minister met de ter zitting overgelegde printscreen van de NSL Monitoringstool voor het jaar 2020 en de gegeven toelichting daarop, waaruit blijkt dat voor de Steigerdreef wordt voldaan aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10), aangetoond dat de Steigerdreef bij de monitoring van het NSL is betrokken. Het betoog van [appellant sub 12] en anderen dat op grond van artikel 15a van de Tracéwet voor de Steigerdreef een afzonderlijk luchtkwaliteitsonderzoek had moeten worden verricht, mist feitelijke grondslag. Artikel 15a van de Tracéwet ziet immers op de vaststelling van tracébesluiten in de periode na vaststelling van het ontwerp NSL en voor vaststelling van het definitieve NSL. Nu ten tijde van het nemen van het tracébesluit reeds het definitieve NSL, met inbegrip van het project A6/A9 Schiphol-Amsterdam-Almere, was vastgesteld e

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.