(036309), gedeeltelijk ter plaatse van de [locatie], achter nummer […], op de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nrs. […], ten onrechte niet op de legger is ingetekend. Verder voert zij aan dat zij het met deze demping niet eens is, nu deze volgens haar illegaal is. 2.4.
- Met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende is een zekere begrenzing beoogd ten aanzien van de mogelijkheid tegen een besluit bezwaar te maken en beroep in te stellen. Dat geldt ook voor besluiten van algemene strekking waarbij de belangen van (zeer) velen kunnen zijn betrokken. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest beroep open te stellen voor een ieder. Bij een besluit tot wijziging van een legger als hier aan de orde dient dan ook van geval tot geval te worden onderzocht wiens belangen rechtstreeks bij dat besluit betrokken zijn. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder andere de uitspraak van 28 april 2010 in zaak nr. 200809292/1/R3) volgt dat, om als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht te kunnen worden aangemerkt, een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang dient te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van andere ingezetenen van het waterschap en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. 2.4.
- Het in beroep bestreden besluit ziet uitsluitend op wijzigingen in de legger. Dit betekent dat degene die beroep instelt tegen dat besluit niet alleen belanghebbende in de zin van de Awb is als zijn belang rechtstreeks bij een of meer van die wijzigingen is betrokken, maar ook als zijn belang rechtstreeks is betrokken bij een wijziging die - naar gesteld - ten onrechte niet in de legger is aangebracht. [appellante] voert aan dat, hoewel blijkens de toelichting op het besluit van 12 oktober 2010 de daarbij vastgestelde wijzigingen onder meer wijzigingen betreffen die het gevolg zijn van werken die met een ontheffing van het waterschap zijn uitgevoerd, bij dat besluit ten onrechte niet is vastgesteld dat een in de buurt van haar perceel gelegen watergang is gedempt. Naar het oordeel van de Afdeling kan gelet daarop niet worden staande gehouden dat [appellante] door het besluit van 12 oktober 2010 niet rechtstreeks in haar belang is geraakt. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat het betoog slaagt. 2.
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt. 2.5.
- In beroep heeft [appellante] aangevoerd dat zij het niet eens is met de demping van een in de buurt van haar perceel gelegen watergang die ligt op de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nrs. […]. Het college heeft bij besluit van 8 april 2008 ontheffing verleend voor het dempen en compenseren van voormelde watergang. Eventuele bezwaren tegen de demping kunnen in bezwaar en (hoger) beroep tegen dat besluit aan de orde worden gesteld en niet in beroep tegen de vaststelling van de wijzigingen in de legger. Dat het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 8 april 2008 niet-ontvankelijk is verklaard wegens een termijnoverschrijding en derhalve niet inhoudelijk is beoordeeld, maakt niet dat zij in de onderhavige procedure alsnog haar bezwaren tegen het dempen van de watergang naar voren kan brengen. 2.5.
- [appellante] heeft in beroep verder betoogd dat zij bezwaar heeft tegen riooloverstorten van de gemeente in de watergang langs haar perceel. Dit betoog kan evenmin leiden tot het ermee beoogde doel, nu de riooloverstorten geen onderdeel zijn van het besluit van 12 oktober 2010 en daar, wat daar verder ook van zij, in deze procedure derhalve niet tegen kan worden opgekomen. 2.5.
- Tot slot heeft [appellante] in beroep aangevoerd bezwaar te hebben tegen het in de legger handhaven van een dijkwoning op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nr. […], omdat deze woning al jaren weg is. Ook heeft zij aangevoerd bezwaar te hebben tegen het opnemen van een extra huisnummer bij een gebouw in de buurt van haar perceel. Het aangevoerde gaat er aan voorbij dat in de legger is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. De bedoelde waterstaatswerken worden, naar het college uiteengezet heeft, bij de terinzagelegging weergegeven op kadastrale kaarten, omdat de onderhoudsplicht, vastgelegd in de legger, onder andere gekoppeld is aan de kadastrale percelen. Hoewel op de kadastrale kaarten ook bouwwerken staan, heeft de legger daarop verder geen betrekking en brengt deze daarop ook geen wijzigingen aan. Ook dit betoog leidt, wat daar verder ook van zij, niet tot het ermee beoogde doel. 2.
- Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2010 van het college alsnog ongegrond verklaren. 2.
- Een redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt voorts met zich dat het door [appellante] in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan haar wordt terugbetaald. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 maart 2011 in zaak nr. 10/4202; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond; IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, ambtenaar van staat. w.g. Van Altena w.g. Wieland lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2012 502.