201002182/1/R1. Datum uitspraak: 11 januari 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], beiden wonend te Warmond, gemeente Teylingen, (hierna in enkelvoud: [appellant sub 1]) 2. de stichting Woonstichting Vooruitgang, gevestigd te Sassenheim, gemeente Teylingen, 3. [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B], beiden wonend te Warmond, gemeente Teylingen, (hierna in enkelvoud: [appellant sub 3]) 4. [appellant sub 4] en anderen, allen wonend te Warmond, gemeente Teylingen, 5. [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], beiden wonend te Warmond, gemeente Teylingen, 6. [appellant sub 6], wonend te 's-Gravenhage, 7. [appellant sub 7], wonend te Warmond, gemeente Teylingen, 8. [appellant sub 8A] en [appellante sub 8B], beiden wonend te Warmond, gemeente Teylingen, 9. [appellant sub 9], wonend te Warmond, gemeente Teylingen, 10. de vereniging Vereniging Betrokken Teylingers en anderen, alle gevestigd onderscheidenlijk wonend te Warmond, gemeente Teylingen, 11. [appellant sub 11], wonend te Warmond, gemeente Teylingen, 12. [appellant sub 12], wonend te Leiderdorp, en de raad van de gemeente Teylingen, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 17 december 2009, kenmerk 139982, heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Warmond 2009" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2010, Woonstichting Vooruitgang bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2010, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2010, [appellant sub 4] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2010, [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2010, [appellant sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2010, [appellant sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2010, [appellant sub 8A] en [appellante sub 8B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2010, [appellant sub 9] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2010, de Vereniging en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2010, en [appellant sub 11] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2010, beroep ingesteld. Woonstichting Vooruitgang heeft haar beroep aangevuld bij brief van 14 april 2010. [appellant sub 3] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 20 april 2010. [appellant sub 4] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 15 april 2010. [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 20 april 2010. [appellant sub 6] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 20 april 2010. [appellant sub 7] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 21 april 2010. [appellant sub 8A] en [appellante sub 8B] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 20 april 2010. [appellant sub 11] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 27 april 2010. Woonstichting Vooruitgang heeft haar beroep aangevuld bij brief van 23 april 2010. Bij besluit van 23 juni 2011, kenmerk 184632, heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Warmond 2009, 1e herziening" vastgesteld alsmede besloten geen exploitatieplan vast te stellen. Tegen dit besluit heeft [appellant sub 12] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2011, beroep ingesteld. De raad heeft wat betreft het bestemmingsplan "Kom Warmond 2009" een verweerschrift ingediend. [belanghebbende A] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], [appellant sub 6], [appellant sub 8A] en [appellante sub 8B] en de Vereniging en anderen hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2011, waar [appellant sub 1], Woonstichting Vooruitgang, vertegenwoordigd door mr. F.W.J. van der Steen, advocaat te Amsterdam, en door O.D.J. de Jong, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. I.R. Köhne, advocaat te Voorburg, [appellant sub 4] en anderen, bijgestaan door mr. J.J.M.A. Poppelaars, advocaat te Amsterdam, de Vereniging en anderen, vertegenwoordigd door mr. Poppelaars, [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], vertegenwoordigd door mr. Köhne, [appellant sub 6], vertegenwoordigd door mr. Köhne, [appellant sub 8A] en [appellante sub 8B], bijgestaan door mr. Köhne, [appellant sub 9], bijgestaan door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, [appellant sub 12], en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.W.I. van Rietveld en R. [appellant sub 9], beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Ter zitting zijn [belanghebbende A], vertegenwoordigd door mr. I.H. van den Berg, advocaat te Amsterdam, en [belanghebbende B], vertegenwoordigd door J.H. Koetsier, als partij gehoord. 2. Overwegingen De plannen 2.1. Het bestemmingsplan "Kom Warmond 2009" (hierna: het bestemmingsplan) voorziet in een actuele planologische regeling voor de bebouwde kom van Warmond, het recreatie-eiland Koudenhoorn en delen van de Klinkenbergpolder en de Hofpolder. De raad beoogt met het plan voornamelijk de bestaande situatie vast te leggen, maar nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt. Met de vaststelling van het bestemmingsplan "Kom Warmond 2009, 1e herziening" (hierna: het herzieningsplan) heeft de raad beoogd om een aantal aanpassingen door te voeren en gevolg te geven aan een aantal verzoeken om wijziging van het bestemmingsplan. 2.2. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan dat overgaat tot intrekking of wijziging van het bestreden besluit, daarvan onverwijld mededeling doet aan het orgaan waarbij het bezwaar of beroep aanhangig is. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt. 2.3. De Afdeling merkt het besluit van de raad van 23 juni 2011, dat met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb is voorbereid, aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, nu dat betrekking heeft op enkele planonderdelen waarop ook het besluit van 17 december 2009 ziet en waartegen beroep aanhangig is. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb dienen de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], [appellant sub 6], [appellant sub 8A] en [appellante sub 8B] en de Vereniging Betrokken Teylingers tegen het besluit van 17 december 2009 te worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 23 juni 2011. De beroepen van Woonstichting Vooruitgang, [appellant sub 7], [appellant sub 9] en [appellant sub 11] zijn gericht tegen plandelen die niet met het besluit van 23 juni 2011 zijn herzien. Ook ontbreekt een ruimtelijke samenhang tussen deze plandelen en het plangebied van het herzieningsplan. Artikel 6:19, eerste lid, heeft derhalve voor deze beroepen geen betekenis Ontvankelijkheid 2.4. Het beroep van de Vereniging en anderen is tevens ingesteld door [appellant sub 10A]. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. [appellant sub 10A] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan noch tegen het ontwerpherzieningsplan naar voren gebracht. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpbestemmingsplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van de Vereniging en anderen tegen het bestemmingsplan en het herzieningsplan, voor zover ingesteld door [appellant sub 10A], is niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 1] 2.5. Zoals hierboven in 2.3 is overwogen is het beroep van [appellant sub 1] gericht tegen zowel het bestemmingsplan als tegen het herzieningsplan. Het beroep van [appellant sub 1] tegen het herzieningsplan 2.6. Het beroep van [appellant sub 1] dat betrekking heeft op het herzieningsplan is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Tuin" voor de gronden aan de Hagheweide ter hoogte van de gronden voor de percelen Achterpoelen 1 en Munnikenland 2. Hij betoogt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze bestemming passend is. Volgens hem kan de eigendomsoverdracht van deze gronden door de gemeente aan de eigenaren van de percelen Achterpoelen 1 en Munnikenland 2 geen reden vormen om deze gronden als "Tuin" te bestemmen en is er ook overigens geen reden om deze bestemming aan deze gronden toe te kennen. [appellant sub 1] voert aan dat het plan op dit punt meer bouwmogelijkheden geeft dan het plan "Kom Warmond 2009". Voorts betoogt hij dat de bestemmingsregels voor de bestemming "Tuin" ten onrechte afwijken van de regels voor soortgelijke gronden in andere plannen van de gemeente. Hij meent dat alleen de bestemming "Groen", die voorheen op deze gronden rustte, in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is. Voorts stelt hij dat in strijd met de voorheen geldende bestemming de gronden reeds als tuin in gebruik zijn genomen en dat daarop ten onrechte een erfafscheiding van 1,8 m hoog is opgericht en een parkeerplaats is aangelegd. 2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Tuin" voor deze gronden in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens de raad heeft de gemeente Teylingen in 2007 verschillende groenstroken verkocht, waaronder de groenstrook ter hoogte van de percelen Achterpoelen 1 en Munnikenland 2 aan de Hagheweide. De toegekende bestemming is volgens hem in overeenstemming met de feitelijke situatie. 2.6.2. Aan de gronden aan de Hagheweide ter hoogte van de gronden voor de percelen Achterpoelen 1 en Munnikenland 2 is in het herzieningsplan de bestemming "Tuin" toegekend. Ingevolge artikel 9, lid 9.1, van de planregels zijn gronden die op de verbeelding zijn aangewezen voor "Tuin" bestemd voor: a. tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; b. parkeren bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; c. één botenberging per bouwperceel (inclusief gronden met een andere bestemming); d. perceelontsluitingen; e. erkers ten behoeve van het wonen; f. luifel ter plaatse van entree van hoofdgebouw. Ingevolge lid 9.2.1 mogen op deze gronden uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd en geen overkappingen. Ingevolge lid 9.2.2, onder a, is het toegestaan in afwijking van lid 9.2.1 om op deze gronden erkers te bouwen. Ingevolge lid 9.2.2, onder c, geldt voor erkers aan de zijgevel van hoofdgebouwen dat de diepte, gemeten vanuit de zijgevel van het hoofdgebouw, ten hoogste 1,5 m bedraagt, de breedte ten hoogste 30% van de breedte van de zijgevel van het hoofdgebouw bedraagt, en de bouwhoogte ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw bedraagt vermeerderd met 0,3 m. Lid 9.2.5 luidt: "a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 1 meter; b. in afwijking van sub a bedraagt de bouwhoogte van de erfafscheidingen in de vorm van haagondersteunende en open constructies op het zijerf en achtererf, die grenzen aan het openbaar toegankelijk gebied, ten hoogste 2 m; c. in afwijking van sub a bedraagt de bouwhoogte van erfafscheidingen op het zijerf en achtererf, die niet grenzen aan openbaar toegankelijk gebied, ten hoogste 2 m; (…)" 2.6.3. De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De Afdeling stelt vast dat de gemeente Teylingen de desbetreffende gronden heeft verkocht aan de eigenaren van de percelen Achterpoelen 1 en Munnikenland 2 en dat deze eigenaren de gronden inmiddels in gebruik hebben genomen als tuin bij hun woning. De raad hanteert als uitgangspunt dat de feitelijke situatie als zodanig bestemd dient te worden, ook indien de feitelijke situatie thans in strijd is met het voorgaande plan. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk, mits bij de hantering daarvan zich geen strijd voordoet met het recht of een goede ruimtelijke ordening. Niet in geschil is dat ten gevolge van de door het plan ter plaatse geboden bouwmogelijkheden het uitzicht enigszins kan worden aangetast. [appellant sub 1] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit geen ernstige aantasting betreft. Hierbij betrekt de Afdeling dat de desbetreffende gronden op een afstand van ongeveer 12,5 m van de woning van [appellant sub 1] liggen en dat deze van elkaar worden gescheiden door de weg Hagheweide. Tevens acht de Afdeling van belang dat het plan op het zij- en achtererf grenzend aan openbaar toegankelijk gebied alleen erfafscheidingen hoger dan 1 m en tot 2 m hoog in de vorm van haagondersteunende en open constructies toestaat. In de omstandigheid dat in andere bestemmingsplannen andere regels gelden voor gronden met de bestemming "Tuin", wat daar ook van zij, heeft de raad geen aanleiding hoeven te zien in het onderhavige plan de regels voor gronden met de bestemming "Tuin" op gelijke wijze vorm te geven. 2.6.4. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het herzieningsplan wat betreft het plandeel met de bestemming "Tuin" voor de gronden aan de Hagheweide ter hoogte van de gronden voor de percelen Achterpoelen 1 en Munnikenland 2 strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep tegen het herzieningsplan op dit punt is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 1] tegen het bestemmingsplan 2.7. Het beroep van [appellant sub 1] dat betrekking heeft op het bestemmingsplan is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Tuin" voor de gronden aan de Hagheweide ter hoogte van de gronden voor de percelen Achterpoelen 1 en Munnikenland 2. Voor deze gronden is inmiddels een nieuw plan vastgesteld, te weten het herzieningsplan. Nu blijkens 2.6.4 het beroep tegen het plandeel voor deze gronden ongegrond is verklaard, wordt het herzieningsplan wat betreft deze gronden met de bekendmaking van deze uitspraak onherroepelijk. Hieruit volgt dat het bestemmingsplan wat het bestreden plandeel betreft geen betekenis meer heeft. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 1] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke bespreking van zijn beroep tegen dit plan in zoverre. In verband hiermee dient het beroep van [appellant sub 1] tegen het bestemmingsplan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Tuin" voor de gronden aan de Hagheweide ter hoogte van de gronden voor de percelen Achterpoelen 1 en Munnikenland 2 niet-ontvankelijk te worden verklaard. De beroepen met betrekking tot het bestemmingsplan "Kom Warmond 2009" wat betreft de gronden voor het zorgcomplex Liduïna aan de Herenweg 50 2.8. De beroepen van Woonstichting Vooruitgang, [appellant sub 7] en [appellant sub 9] zijn gericht tegen het bestemmingsplan, voor zover dat ziet op de gronden voor het zorgcomplex Liduïna aan de Herenweg 50 (hierna: het zorgcomplex). 2.8.1. [appellant sub 9] en [appellant sub 7] betogen dat het plan niet in voldoende parkeerplaatsen voorziet voor het zorgcomplex en dat de raad zijn stelling dat aan de parkeernorm wordt voldaan onvoldoende heeft onderbouwd. [appellant sub 7] voert aan dat onduidelijk is waar de benodigde parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd. [appellant sub 9] en [appellant sub 7] betogen voorts dat vanwege de uitbreiding van het zorgcomplex het verkeer zal toenemen, waardoor de verkeersveiligheid zal afnemen. Volgens [appellant sub 7] en [appellant sub 9] heeft de raad ten onrechte nagelaten het toegezegde verkeerskundige onderzoek uit te voeren. Onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waar het terrein voor het zorgcomplex zal worden ontsloten, aldus [appellant sub 7] en [appellant sub 9]. [appellant sub 7] betoogt dat het plan ten onrechte niet bepaalt waar en wanneer de bevoorrading van het zorgcomplex zal plaatsvinden. Hij vreest voor overlast van de bevoorrading. Volgens [appellant sub 9] is ten onrechte niet in fietsenstallingen en bergingen voor de appartementen voorzien. [appellant sub 9] betoogt dat aan het oorspronkelijke gebouw niet de aanduiding "zorggerelateerd wonen" kan worden toegekend, nu dit gebouw verbouwd zal worden tot koopappartementen. Voorts zijn volgens [appellant sub 9] de geboden nieuwe bouwmogelijkheden voor het zorgcomplex te ruim en niet passend in de omgeving en doen deze wat betreft bouwstijl en bouwhoogte afbreuk aan het oorspronkelijke gebouw, dat een beeldbepalend gebouw is en binnen het beschermde dorpsgezicht valt. Hij vreest voor geluidsoverlast en vermindering van het uitzicht, zijn privacy en groen. [appellant sub 9] voert tot slot aan dat het plan op dit punt een waardevermindering van zijn woning met zich brengt. 2.8.2. Woonstichting Vooruitgang betoogt dat de raad de bouwmogelijkheden ten opzichte van het ontwerpplan ten onrechte heeft ingeperkt. Zij voert daartoe aan dat zij erop mocht vertrouwen, gelet op de jarenlange voorbereiding van het bouwplan, de samenwerking met de gemeente en het principebesluit van het college van burgemeester en wethouders van 25 mei 2007, dat het plan ongewijzigd zou worden vastgesteld. Voorts voert zij aan dat de raad het plan in zoverre niet heeft mogen wijzigen omdat het plan op dit punt voldoet aan de randvoorwaarden die in opdracht van de gemeente zijn opgesteld, de wijzigingen onvoldoende zijn gemotiveerd en een verantwoorde exploitatie van het zorgcomplex door de verminderde bouwmogelijkheden niet mogelijk is. 2.8.3. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan wat betreft het achterste bouwvlak gezien vanaf de Herenweg ter plaatse drie bouwlagen mogelijk maakt en daarmee aansluit bij de bouwhoogte van het tegenoverliggende appartementencomplex aan De Weiden. Het middelste grote bouwvlak is aangepast aan de omgeving door te bepalen dat de bovenste bouwlaag minimaal 2,5 m teruggelegd moet worden gebouwd, waardoor deze bouwlaag minder zichtbaar is en het gebouw van nagenoeg gelijke hoogte zal lijken als het gebouw op het achterste bouwvlak. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat het plan in zoverre, mede gelet op de aangebrachte aanpassingen ten opzichte van het ontwerp, goed in de omgeving past. Ook stelt hij dat verschillende instellingen positief hebben geadviseerd over de invloed van de nieuwbouw op het beschermd dorpsgezicht. Wat betreft de verkeersbewegingen stelt de raad dat hij op basis van een advies van een verkeerskundige zal beoordelen of er verkeersaanpassingen noodzakelijk zijn. Volgens de raad zal door de afname van het aantal appartementen als gevolg van de wijzigingen ook het aantal verkeersbewegingen afnemen. Voorts stelt hij dat het aantal parkeerplaatsen aan de gestelde norm voldoet. De raad wijst er op dat naast de kap van een aantal bomen ook nieuwe bomen zullen worden geplant. Het al dan niet realiseren van bergingen en fietsenstallingen maakt onderdeel uit van het bouwplan dat aan het Bouwbesluit wordt getoetst en komt niet in het plan aan de orde, aldus de raad. De raad stelt zich wat betreft het betoog van Woonstichting Vooruitgang op het standpunt dat het grote aantal zienswijzen dat is ingekomen op het voornemen om vrijstelling te verlenen van het voorgaande bestemmingsplan voor het bouwplan voor het zorgcomplex aanleiding heeft gegeven tot het gewijzigd vaststellen van het plan. 2.8.4. In de plantoelichting staat dat het bouwplan voor het zorgcomplex bestaat uit sloop van de in de jaren '70 en '80 van de vorige eeuw toegevoegde bebouwing en van de naoorlogse serre, en dat de gevels en de kapel van het oorspronkelijke gebouw behouden blijven. Voorts staat er dat achter het oorspronkelijke gebouw nieuwbouw wordt toegevoegd. 2.8.5. Aan de gronden van het zorgcomplex is de bestemming "Maatschappelijk" toegekend, met de aanduiding "zorggerelateerd wonen". Voorts is aan de gronden ter plaatse van het oorspronkelijke gebouw aan de Herenweg en de aangrenzende tuin de dubbelbestemming "Beschermd dorpsgezicht" toegekend. Aan de gronden zijn meerdere bouwvlakken toegekend. Aan het deel voor de oorspronkelijke bebouwing, dat ligt aan de Herenweg, is tevens de aanduiding "beeldondersteunend object/woonhuizen met beeldondersteunend belang" toegekend. Wat betreft de bouwhoogten is voor dit deel aangesloten bij de thans bestaande goot- en nokhoogten. Aan het middelste bouwvlak zijn twee hoogtescheidingslijnen toegekend, waarbij voor de strook langs de Endepoellaan en de strook langs de Bijleveldlaan een maximale goot- en nokhoogte geldt van 9,3 m en voor het middelste deel een maximale goothoogte van 12,3 m en een maximale nokhoogte van 13,3 m. Tussen het middelste en het achterste bouwvlak liggen twee kleinere bouwvlakken waarvoor een maximale goot- en nokhoogte van 3 m geldt. Op het achterste bouwvlak, dat grenst aan De Weiden is een maximale goot- en nokhoogte van 9,7 m toegestaan. Verder is aan de gronden aan de voorzijde van het zorgcomplex de bestemming "Tuin" toegekend. 2.8.6. In het ontwerpplan waren aan de gronden van het zorgcomplex ook de bestemmingen "Maatschappelijk", met de aanduiding "zorggerelateerd wonen", en "Tuin" toegekend. Aan de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" waren vijf bouwvlakken toegekend. Voor het bouwvlak voor het oorspronkelijke gebouw aan de Herenweg gold als maximale goothoogte 8 m en als maximale nokhoogte 11 m. Ook was in het ontwerpplan aan dit bouwvlak de aanduiding "beeldondersteunend object/woonhuizen met beeldondersteunend belang" toegekend. Voor de beide bouwvlakken die achter het bouwvlak voor het oorspronkelijke gebouw lagen, gold als maximale goothoogte 12,5 m. Voor het bouwvlak dat daarachter lag, gold als maximale goothoogte 3 m. Voor het achterste bouwvlak gold een maximale goothoogte van 9,5 m. 2.8.7. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planregels zijn de gronden die op de verbeelding zijn aangewezen voor "Maatschappelijk" bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen, zoals onderwijsvoorzieningen, (para)medische en verpleeghuisvoorzieningen, bejaardenvoorzieningen, verzorgingstehuizen, kinderdagverblijven, welzijns- en culturele voorzieningen (waaronder een kinderboerderij), sociale voorzieningen (waaronder opvangcentra of sociaal pensions), overheidsvoorzieningen (waaronder wijkonderkomens, politiebureaus), religieuze voorzieningen en voorzieningen van openbaar nut; (…) d. ter plaatse van de aanduiding "zorggerelateerd wonen" zorggerelateerd wonen; e. ter plaatse van de aanduiding "wooncomplex" een wooncomplex en de daarbij behorende voorzieningen; f. fiets- en voetpaden; g. de daarbij behorende voorzieningen zoals ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen met in- en uitrit, nutsvoorzieningen, groen en water. Ingevolge het tweede lid gelden voor het oprichten van bebouwing de aanduidingen op de verbeelding en de bepaling dat op de in dit artikel bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken mogen worden opgericht die ten dienste staan van de bestemming. Ingevolge het derde lid gelden de volgende bepalingen voor het bouwen van hoofdgebouwen: a. hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; b. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan op de verbeelding staat aangegeven; c. indien de maatvoering ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerpplan afwijkt van de maatvoering als genoemd onder b, dan geldt de feitelijke maatvoering, voor zover de maximale maatvoeringseisen worden overschreden, als de maximale toegestane maatvoering. 2.8.8. Met betrekking tot het betoog dat de bestemming "Maatschappelijk" en de aanduiding "zorggerelateerd wonen" niet passend zijn voor het oorspronkelijke gebouw nu daar koopappartementen in zullen worden gerealiseerd, overweegt de Afdeling dat zoals blijkens de plantoelichting is onderkend dat ook het oorspronkelijke gebouw als woonzorgcentrum in gebruik zal blijven en dat de enkele omstandigheid dat de appartementen verkocht worden niet in de weg staat aan het realiseren van deze bestemming. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan het oorspronkelijke gebouw toegekende bestemmingsregeling in zoverre passend is. 2.8.9. Tussen partijen is niet in geschil dat het plan een grotere oppervlakte aan bebouwing mogelijk maakt dan thans aanwezig is. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij realisering van hetgeen het plan mogelijk maakt de planregeling ter plaatse voldoende waarborgt dat geen buitenproportionele bebouwing zal ontstaan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bouwvlakken op of achter de rooilijn van de bestaande bebouwing zijn gelegd, de maximaal toegestane bouwhoogte nagenoeg niet afwijkt van de hoogte van de bestaande bebouwing en dat de bouwhoogten aansluiten bij bebouwing in de omgeving. Hierbij betrekt de Afdeling dat daar waar een bouwhoogte is toegestaan waardoor meer dan drie bouwlagen worden mogelijk gemaakt, de hogere bouwlagen teruggelegd worden. Gelet op het voorgaande, de maximale toegestane bouwhoogten ter plaatse alsmede gezien de aangehouden afstand van ongeveer 20 m tot de woning van [appellant sub 9], heeft [appellant sub 9] niet aannemelijk gemaakt dat de geboden bebouwingsmogelijkheden op dit punt leiden tot een ernstige aantasting van zijn uitzicht en privacy. 2.8.10. Voor zover [appellant sub 9] geluidsoverlast vreest vanwege de bouw van het nieuwe zorgcomplex, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar geen betrekking op het plan zelf heeft, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Wat betreft de vrees voor geluidhinder voor het overige, heeft [appellant sub 9] niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van verwezenlijking van de toegekende bestemming zodanig ernstige geluidsoverlast zal optreden dat de raad hieraan een groot gewicht had moeten toekennen. 2.8.11. Wat betreft de gevreesde aantasting van het beschermd dorpsgezicht is allereerst van belang dat de reikwijdte van een aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht niet zover gaat dat de bescherming die daarvan uitgaat van toepassing is op hetgeen niet in de aanwijzing is begrepen. Daarom is het van belang dat de begrenzing van het beschermde dorpsgezicht zodanig is gekozen als nodig is voor de handhaving van het te beschermen stadsbeeld, ook van buitenaf. De gevolgen van daarbuiten vallende bebouwing voor het beschermde dorpsgezicht kunnen slechts tezamen met alle andere belangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden betrokken. De Afdeling stelt vast dat alleen het oorspronkelijke gebouw onderdeel uitmaakt van het beschermde dorpsgezicht. De welstandscommissie van de gemeente Teylingen, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Noord-Hollandse Monumentencommissie hebben ingestemd met het plan op dit punt. Voorts is van belang dat de bouwvlakken op of achter de rooilijn van de bestaande bebouwing zijn gelegd, de maximaal toegestane bouwhoogte nagenoeg niet afwijkt van de hoogte van de bestaande bebouwing en dat de bouwhoogten aansluiten bij bebouwing in de omgeving. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het plan in zoverre geen onevenredige aantasting van het beschermde dorpsgezicht met zich brengt. De bouwstijl van het zorgcomplex is niet in het plan geregeld. Het bezwaar inzake de bouwstijl en meer in het bijzonder de eisen van welstand heeft derhalve geen betrekking op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. 2.8.12. De bestemming "Maatschappelijk" maakt groenvoorzieningen mogelijk. Naast de kap van een aantal bomen zullen ook nieuwe bomen worden geplant. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat een eventuele vermindering van het groen op de gronden voor het zorgcomplex dusdanig zal zijn dat de raad hieraan een zwaar gewicht had moeten toekennen. 2.8.13. Artikel 10, tweede lid, van de planregels bepaalt dat binnen de bestemming "Maatschappelijk" bouwwerken mogen worden opgericht die ten dienste staan van de bestemming. De Afdeling ziet niet in dat daaronder in voorkomend geval geen bergingen en fietsenstallingen geschaard kunnen worden. Of deze voorzieningen daadwerkelijk mogelijk worden gemaakt, is een kwestie van uitvoering van het plan, die in deze procedure niet aan de orde kan komen. 2.8.14. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan in zoverre op de waarde van de woning van [appellant sub 9] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan op dit punt aan de orde zijn. 2.8.15. Het plan sluit ter plaatse bevoorrading van het zorgcomplex niet uit. Op de verbeelding is niet nader gespecificeerd waar de bevoorrading dient plaats te vinden. De Afdeling ziet echter in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad gehouden was verdergaande voorzieningen op dit punt in het plan vast te leggen. 2.8.16. Onder de stukken bevindt zich geen onderzoek naar de gevolgen van het plan wat betreft het woonzorgcomplex voor de verkeersveiligheid. Nu de raad een dergelijk onderzoek gezien zijn reactie in de Nota van beantwoording op de zienswijzen noodzakelijk acht om een standpunt in te kunnen nemen over de verkeersveiligheid als gevolg van het plan wat betreft het woonzorgcomplex, overweegt de Afdeling dat nu de raad een dergelijk onderzoek achterwege heeft gelaten het plan in zoverre onzorgvuldig is vastgesteld. Dit betoog van [appellant sub 9] en [appellant sub 7] slaagt. 2.8.17. Met betrekking tot parkeren hanteert de raad als uitgangspunt dat bij nieuwe ontwikkelingen het daaraan gerelateerde parkeervraagstuk op de ontwikkelingslocatie zelf moet worden opgelost, waarbij het streven is om - als daar ruimte voor is - ook een oplossing te bieden voor mogelijke parkeervraagstukken in de directe omgeving. Het plan maakt binnen de bestemming "Maatschappelijk" parkeervoorzieningen mogelijk, maar sluit verwezenlijking voor andere doeleinden dan parkeren ook niet uit. Volgens de plantoelichting zullen ter plaatse daadwerkelijk parkeervoorzieningen worden verwezenlijkt. In de plantoelichting is echter niet vermeld hoeveel parkeerplaatsen ten behoeve van het woonzorgcomplex benodigd zijn en hoeveel parkeerplaatsen gerealiseerd zullen worden. Voorts blijkt uit de plantoelichting, het verweerschrift noch het verhandelde ter zitting wat de norm is waar het aantal parkeerplaatsen voor het woonzorgcomplex aan dient te voldoen. Evenmin is inzichtelijk gemaakt dat met het plan wat betreft het woonzorgcomplex aan deze norm kan worden voldaan. Met het ter zitting ingenomen standpunt dat toetsing aan de parkeernorm in de procedure omtrent verlening van de bouwvergunning aan de orde zal komen gaat de raad er ten onrechte aan voorbij dat reeds ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan inzichtelijk dient te zijn of met het bestemmingsplan aan de parkeerbehoefte vanwege het woonzorgcomplex voldaan kan worden. Gelet op het voorgaande overweegt de Afdeling dat de raad zich er onvoldoende van heeft vergewist of het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen voor het woonzorgcomplex. Ook dit betoog van [appellant sub 9] en [appellant sub 7] slaagt. 2.8.18. Omtrent het betoog van Woonstichting Vooruitgang overweegt de Afdeling als volgt. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Bij de regeling zoals deze in het plan voor de gronden voor het zorgcomplex is neergelegd, heeft de raad zowel de belangen van [appellant sub 9] en [appellant sub 7] als de belangen van de Woonstichting Vooruitgang zo veel mogelijk willen betrekken. Niet aannemelijk is gemaakt dat de in het plan toegekende bouwmogelijkheden een verantwoorde exploitatie van het zorgcomplex onmogelijk maken. Over het betoog van Woonstichting Vooruitgang dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat Woonstichting Vooruitgang niet aannemelijk heeft gemaakt dat door de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in dezelfde bouwmogelijkheden zou voorzien als het ontwerpplan dat overeenstemde met het bouwplan. Aan de in wet vastgelegde procedure is inherent dat de raad het plan anders kan vaststellen dan het ontwerp. Voor zover Woonstichting Vooruitgang betoogt dat toezeggingen door het college van burgemeester en wethouders zijn gedaan bij brief van 25 mei 2007 en deze aan de raad kunnen worden toegerekend, overweegt de Afdeling, zoals zij eerder heeft overwogen (ondermeer bij uitspraak van 2 september 2009 in zaak nr. 200808366/1/H1), dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat aan het desbetreffende bestuursorgaan toe te rekenen, concrete ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde derde, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Daargelaten of de brief van het college van burgemeester en wethouders van 25 mei 2007 aldus bedoeld is dat het bouwplan één op één in het bestemmingsplan overgenomen zou worden, is de raad niet aan het in deze brief gestelde gebonden en heeft hij in zoverre anders kunnen besluiten. Gelet op de omstandigheden dat de Commissie Ruimte op de hoogte is gesteld van de brief van het college van burgemeester en wethouders van 25 mei 2007 en dat in de Commissie Ruimte verschillende raadsleden zitting hebben, is aannemelijk dat de raad wist van de brief van het college van burgemeester en wethouders van 25 mei 2007 en dat hij deze brief in zijn afwegingen heeft betrokken. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Gelet op het voorgaande heeft de raad geen aanleiding behoeven te zien de wens van Woonstichting Vooruitgang inhoudende het plan overeenkomstig het ontwerpplan vast te stellen in te willigen. 2.8.19. In hetgeen Woonstichting Vooruitgang heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan wat betreft het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "zorggerelateerd wonen" voor de gronden voor het woonzorgcomplex aan de Herenweg 50 strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. In hetgeen [appellant sub 9] en [appellant sub 7] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan wat betreft het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "zorggerelateerd wonen" voor de gronden voor het woonzorgcomplex aan de Herenweg 50 is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient op dit punt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 3], [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], [appellant sub 6] en [appellant sub 8A] en [appellante sub 8B] tegen het herzieningsplan en het bestemmingsplan 2.9. Zoals hierboven in 2.3 is overwogen zijn de beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], [appellant sub 6] en [appellant sub 8A] en [appellante sub 8B] (hierna gezamenlijk: [appellant sub 3] en anderen) gericht tegen zowel het bestemmingsplan als tegen het herzieningsplan. De beroepen van [appellant sub 3] en anderen tegen het herzieningsplan 2.10. De beroepen van [appellant sub 3] en anderen voor zover gericht tegen de vaststelling van het herzieningsplan wat betreft de gronden voor Herenweg 14 en de gronden voor de Balgerij op het eiland Koudenhoorn, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. De beroepen van [appellant sub 3] en anderen zijn in zoverre niet-ontvankelijk. 2.11. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de onderzoeken waarnaar in de plantoelichting bij het herzieningsplan wordt verwezen ten onrechte niet bij het ontwerpherzieningsplan ter inzage zijn gelegd. 2.11.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing met dien verstande dat in het artikel enkele aanvullende voorschriften worden gegeven. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. 2.11.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 3 december 2003, nr. 200206819/1, is artikel 3:11 van de Awb te zien als een uitwerking van de openbaarmakingsplicht, die ziet op het uit eigen beweging verstrekken van informatie door een bestuursorgaan. Zoals eerder is overwogen in de uitspraak van 9 februari 2011, in zaak nr. 200907470/1/R3 acht de Afdeling in beginsel aanvaardbaar dat de op het plan betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling daarvan op een andere plaats binnen het gemeentehuis ter inzage liggen dan het plan zelf. Om te verzekeren dat ten aanzien van deze stukken daadwerkelijk wordt voldaan aan de actieve openbaarmakingsplicht, dient bij een dergelijke handelwijze het plan vergezeld te gaan van een duidelijke omschrijving van die stukken, bijvoorbeeld door een inventarislijst waarop staat vermeld welke stukken het betreft, en dient kenbaar te worden gemaakt en verzekerd te zijn dat deze op afroep onverwijld beschikbaar zijn voor inzage. Niet in geschil is dat de toelichting van het herzieningsplan ter inzage heeft gelegen. In de toelichting van het herzieningsplan staat dat in het kader van het opstellen van het bestemmingsplan onderzoek is verricht naar de diverse (milieu)aspecten en dat deze onderzoeken nog actueel zijn. Voor het raadplegen van deze onderzoeken wordt verwezen naar de toelichting van het bestemmingsplan. Voorts staat in de toelichting van het herzieningsplan dat het doen van nieuw onderzoek niet nodig is, omdat het herzieningsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. De uitzonderingen daarop vormen het voorziene bedrijf aan de [locatie], waarvoor akoestisch onderzoek is uitgevoerd dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd, en het toekennen van de archeologische dubbelbestemming, waarvoor een aparte archeologieparagraaf aan de toelichting is toegevoegd. Voorts is niet in geschil dat bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan een overzicht van de beschikbare stukken en onderzoeken lag die op eerste afroep beschikbaar waren voor inzage. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet aan zijn actieve openbaarmakingsplicht heeft voldaan. Het betoog van [appellant sub 3] en anderen faalt. 2.12. De beroepen van [appellant sub 3] en anderen tegen het herzieningsplan zien ten eerste op de gronden achter het perceel Buitenwater 1 en het gedeelte van het aangrenzende water, voor zover daaraan in het plan een wijzigingsbevoegdheid is toegekend. [appellant sub 3] en anderen betogen dat het plan ten onrechte na gebruikmaking van een wijzigingsbevoegdheid de bouw van een woning op de gronden achter het perceel Buitenwater 1 toestaat. Zij voeren daartoe aan dat door een woning op deze gronden de stedenbouwkundige samenhang in het gebied wordt verstoord en de bebouwingsdichtheid te hoog zal worden. Ook zal volgens hen hierdoor de stedenbouwkundige structuur van de Oranje Nassaulaan ernstig worden aangetast. Zij vrezen voorts verslechtering van hun uitzicht, vermindering van de daglichttoetreding en bezonning en aantasting van hun privacy. Het toestaan van een nieuwe woning op deze gronden is volgens hen in strijd met het uitgangspunt voor nieuwbouw van de raad dat starterswoningen en woningen voor jonge gezinnen worden gebouwd. Zij stellen dat de raad de bouw van een vijfde woning aan het Buitenwater altijd heeft geweerd, zodat onbegrijpelijk is waarom hij nu van dat standpunt is afgestapt. [appellant sub 3] en anderen stellen voorts dat ter plaatse van de gronden achter Buitenwater 1 een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde als bedoeld in de Wet geluidhinder plaatsvindt en dat de raad ten onrechte van geluidgegevens uit 2006 is uitgegaan, terwijl er van geluidgegevens uit 2010 uitgegaan had moeten worden. Voorts menen zij dat onduidelijk is wat de gevolgen zijn voor de waterhuishouding van het toestaan van een nieuwe woning op deze gronden. Zij betogen dat ten onrechte niets is bepaald omtrent de ontsluiting van de gronden. Er bestaat volgens hen geen recht of titel om de ontsluiting van de woning over de gronden voor het perceel Buitenwater 1 te laten verlopen. Zij vrezen dat ontsluiting over het perceel Buitenwater 1 ernstige overlast zal veroorzaken voor de bewoners aan Buitenwater 1 en stellen dat de raad een ontsluiting op de Oranje Nassaulaan ook steeds onwenselijk heeft gevonden. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de planregeling voor de wijzigingsbevoegdheid ontoereikend en onvolledig is, nu hiermee niet de bevoegdheid wordt gecreëerd om een bouwvlak aan de gronden achter het perceel Buitenwater 1 toe te kennen en nu onduidelijk is hoe breed de nieuwe woning kan worden. Voorts vrezen zij voor waardevermindering van hun percelen als gevolg van het toestaan van een nieuwe woning op de gronden achter het perceel Buitenwater 1. 2.12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit het stedenbouwkundig advies "Stedenbouwkundig advies wijzigingsbevoegdheid Kom Warmond 2009, 1e herziening" van 16 juni 2011 door RBOI adviseurs ruimtelijke ordening (hierna: het stedenbouwkundig advies) volgt dat er geen stedenbouwkundige belemmeringen zijn om op de gronden achter het perceel Buitenwater 1 een woning mogelijk te maken. Voorts stelt de raad dat voor een woning op de gronden achter het perceel Buitenwater 1 op 25 november 2009 een hogere geluidswaarde van 54 dB is vastgesteld. Wat betreft de gevolgen voor de waterhuishouding maakt volgens de raad een watertoets deel uit van het nog vast te stellen wijzigingsplan. Volgens de raad wordt bij het nog vast te stellen wijzigingsplan ook aandacht aan de ontsluiting besteed, waarbij een uitweg via de Oranje Nassaulaan een mogelijkheid is. Gelet op het aantal vervoersbewegingen per dag valt volgens de raad niet in te zien dat er sprake zal zijn van extreme verkeersoverlast. Indien en voor zover [appellant sub 3] en anderen schade zullen leiden als gevolg van het plan kunnen zij een aanvraag om tegemoetkoming indienen bij het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 6.1 van de Wro, aldus de raad. 2.12.2. Aan het plandeel voor de gronden achter het perceel Buitenwater 1 is de bestemming "Wonen 1" toegekend. Aan het aangrenzende water is de bestemming "Water" en de aanduiding "woonschepenligplaats" toegekend. Aan de gronden achter het perceel Buitenwater 1 en het aangrenzende water is tevens de aanduiding "wro zone - wijzigingsgebied - 1" toegekend. Ingevolge artikel 22, lid 22.3, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Water" en "Wonen - 1" ter plaatse van de aanduiding "wro-zone wijzigingsgebied - 1" wijzigen in de bestemming "Wonen - 1" en "Water" ten behoeve van de realisering van een woning met inachtneming van de volgende regels: a. er mag ten hoogste één woning worden gebouwd; b. de woning mag pas worden gebouwd nadat het woonschip ter plaatse van de aanduiding "woonschepenligplaats" is verwijderd; c. pas nadat het woonschip ter plaatse van de aanduiding "woonschepenligplaats" is verwijderd, dient ook de betreffende aanduiding te worden geschrapt; d. de gronden met de bestemming "Water" mogen niet worden gewijzigd naar de bestemming "Wonen - 1"; e. de diepte van de woning bedraagt ten hoogste 12 m; f. de afstand van de achtergevelrooilijn van de woning tot het water bedraagt 20 m; g. de afstand van de woning tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt ten minste 3 m; h. de goothoogte van de woning bedraagt ten hoogste 6 m; i. de bouwhoogte van de woning bedraagt ten hoogste 10 m. 2.12.3. In het stedenbouwkundig advies staat dat binnen de huidige structuur het logisch lijkt de gronden achter het perceel Buitenwater 1 te bebouwen en het thans aanwezige woonschip te verwijderen, zodat deze plek ruimtelijk afgerond wordt en het beeld van een ogenschijnlijk tijdelijke situatie wordt opgeheven. Voorts is in het stedenbouwkundig advies vermeld dat de gronden achter het perceel Buitenwater 1 tussen twee stedenbouwkundige structuren in liggen, te weten de grote met villa's bebouwde kavels die ontsloten worden op het Buitenwater en de percelen die aan de zuidoostelijke en noordoostelijke kant van de gronden achter het perceel Buitenwater 1 liggen en grenzen aan de Oranje Nassaulaan. Volgens het stedenbouwkundig advies zijn de gronden achter het perceel Buitenwater 1 vergelijkbaar met de naastgelegen kavel die grenst aan de Oranje Nassaulaan, is er voldoende ruimte voor een nieuwe vrijstaande woning en hebben de gronden achter het perceel Buitenwater 1 reeds een ontsluiting op de Oranje Nassaulaan. Wel zal de woning in dezelfde richting en met dezelfde proporties moeten worden gebouwd als de woning op de naastgelegen kavel die grenst aan de Oranje Nassaulaan, waarbij door voldoende afstand tussen de nieuwe woning en de bestaande woning op het perceel Buitenwater 1 aan te houden voldoende privacy behouden blijft en er genoeg ‘lucht’ in de verkaveling overeind blijft, aldus het stedenbouwkundig advies. Voorts vermeldt het stedenbouwkundig advies dat om de overgang van de hoekwoning naar de nieuwe grote villa’s te kunnen maken, de groene rand te verbreden vanaf de brug richting de grote kavels én voldoende afstand te houden met de woning aan de noordoostzijde, de bepaalde afstand van 20 m vanaf het water voldoende is. 2.12.4. [appellant sub 3] en anderen hebben het rapport "Advies Buitenwater - Warmond" van KOW Stedenbouw en Architectuur van 30 augustus 2010 (hierna: het onderzoek van KOW) overgelegd. In het onderzoek van KOW wordt geconcludeerd dat het stedenbouwkundig niet wenselijk is op de gronden achter het perceel Buitenwater 1 een woning te bouwen. In het onderzoek van KOW is ervoor gekozen de stedenbouwkundige karakteristiek van de omgeving te bepalen door van omliggende percelen de relatie van het bebouwde oppervlak met de kavelgrootte te onderzoeken. Tevens is de relatie van het te bebouwen oppervlak met de kavelgrootte van de gronden achter Buitenwater 1 onderzocht. In het onderzoek van KOW staat dat de gronden achter Buitenwater 1 waaraan de aanduiding "wro zone - wijzigingsgebied - 1" is toegekend een oppervlakte van 650 m² hebben. Uit nameting op de verbeelding blijkt dat de gronden achter Buitenwater 1 waaraan de aanduiding "wro zone - wijzigingsgebied - 1" is toegekend een oppervlakte van ongeveer 940 m² hebben. De conclusie uit het onderzoek van KOW berust derhalve in zoverre niet op juiste feiten. [appellant sub 3] en anderen hebben met het overleggen van het onderzoek van KOW niet aannemelijk gemaakt dat niet van de conclusies van het stedenbouwkundig advies kan worden uitgegaan. De enkele omstandigheid dat RBOI adviseurs ruimtelijke ordening betrokken zijn geweest bij het opstellen van het herzieningsplan, maakt niet dat zij niet als onafhankelijke deskundige kunnen worden aangemerkt, zodat evenmin om die reden de raad niet van het door hen opgestelde stedenbouwkundige advies heeft kunnen uitgaan. Gelet op hetgeen in het stedenbouwkundig advies staat omtrent de stedenbouwkundige inpassingen van een woning op de gronden achter het perceel Buitenwater 1 en nu de regeling in het herzieningsplan voldoet aan de voorwaarden voor de stedenbouwkundige inpassing die in het stedenbouwkundig advies worden gesteld, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen stedenbouwkundige belemmeringen zijn om de bouw van een woning op de gronden achter het perceel Buitenwater 1 mogelijk te maken. Daarbij betrekt de Afdeling dat ingevolge artikel 22, lid 22.3 van de regels van het herzieningsplan de voorwaarde wordt gesteld dat voordat op de gronden met de aanduiding "wro-zone wijzigingsgebied - 1" een woning mag worden gebouwd, het woonschip dat ter plaatse van deze aanduiding ligt verwijderd moet zijn, zodat daarmee reeds de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving wordt verbeterd. 2.12.5. Omdat de gronden achter het perceel Buitenwater 1 ongeveer 42 m diep zijn en omdat ingevolge artikel 22, lid 22.3, onder e en onder f, de nieuwe woning maximaal 12 m diep mag zijn en de afstand van de achtergevelrooilijn van de nieuwe woning tot het water 20 m dient te zijn, zal de nieuwe woning op een afstand van minimaal ongeveer 10 m van de perceelsgrens met Buitenwater 1 kunnen worden gebouwd. De woning op het perceel Buitenwater 1 staat op ongeveer 6 m van de perceelsgrens. Ingevolge artikel 22, lid 22.3, onder g, zal de nieuwe woning op ten minste 3 m afstand van de zijdelingse perceelsgrenzen moet worden gebouwd. Gelet hierop en op de ligging van het bouwvlak voor de woning aan Buitenwater 2 zal de woning op ten minste 7 m afstand van het bouwvlak voor de woning op het perceel Buitenwater 2 worden gebouwd. De afstand met de woningen op de percelen Buitenwater 3 en 4 is groter dan de afstanden tot de woningen op de percelen Buitenwater 1 en 2. Gelet op de afstand die voor de nieuwe woning ten opzichte van de woningen aan het Buitenwater in acht dient te worden genomen heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een nieuwe woning op de gronden achter het perceel Buitenwater 1 geen ernstige consequenties voor de daglichttoetreding en de bezonning ter plaatse van de woningen aan het Buitenwater zal hebben. Het uitzicht vanuit de woningen op de percelen Buitenwater 1 en 2 zal door de nieuwe woning veranderen en de privacy kan verminderen. Niet gebleken is echter dat deze gevolgen zo ernstig zijn dat de raad hieraan een zwaar gewicht had moeten toekennen. 2.12.6. Wat betreft het betoog dat het toestaan van een nieuwe woning op deze gronden in strijd is met het uitgangspunt voor nieuwbouw van de raad dat starterswoningen en woningen voor jonge gezinnen worden gebouwd en dat gelet op de ligging en de omvang de nieuwe woning uitsluitend kan worden aangemerkt als een woning in de duurdere klasse, overweegt de Afdeling het volgende. Nu de raad voor nieuwbouw naast het uitgangspunt van de bouw van starterswoningen en woningen voor jonge gezinnen tevens het uitgangspunt hanteert dat ook behoefte bestaat aan woningen in de duurdere klasse om op die manier de doorstroom op gang te brengen, kan het betoog dat de raad in strijd met zijn eigen uitgangspunten feitelijk voorziet in een woning in de duurdere klasse - wat daar in het onderhavige geval ook van zij - derhalve geen stand houden. 2.12.7. Bij besluit van 25 november 2009 (hierna: het besluit hogere grenswaarde) is voor de gronden achter het perceel Buitenwater 1 een hogere grenswaarde van 54 dB vastgesteld. Dit besluit is reeds in rechte onaantastbaar. Gelet hierop kan de vraag of aan de toekenning van een hogere grenswaarde onjuiste verkeersgegevens ten grondslag liggen in deze procedure niet meer aan de orde komen. Met de enkele stelling dat door het gebruik van de verkeersgegevens uit 2006 de hogere grenswaarde ter plaatse van de nieuwe woning overschreden zal worden hebben [appellant sub 3] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het herzieningsplan op dit punt niet uitvoerbaar is. 2.12.8. De Afdeling overweegt dat met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid de aanvaardbaarheid van een ontwikkeling als een gegeven beschouwd kan worden, indien voldaan wordt aan de bij het plan gestelde wijzigingsregels. Indien een wijzigingsbevoegdheid een bestemming mogelijk maakt die gevolgen kan hebben voor de waterhuishouding, dient aan het plan voldoende onderzoek naar de mogelijke gevolgen van de nieuwe bestemming daarop ten grondslag te liggen. Voor zover de raad met het betoog dat een watertoets deel van het nog op te stellen wijzigingsplan zal uitmaken heeft beoogd aan te voeren dat een onderzoek naar de gevolgen van de wijzigingsbevoegdheid voor de waterhuishouding thans gemist kan worden, kan dit dan ook niet gevolgd worden. De Afdeling stelt vast dat in de toelichting bij het herzieningsplan staat dat in het kader van het bestemmingsplan onderzoek is verricht naar diverse milieuaspecten. Voor het raadplegen van deze onderzoeken wordt naar de toelichting op het bestemmingsplan verwezen. In de toelichting op het bestemmingsplan is een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Niet aannemelijk is dat met de beschrijving die in de toelichting bij het bestemmingsplan is gegeven de gevolgen van het met de wijzigingsbevoegdheid eventueel toestaan van de bouw van de nieuwe woning voor de waterhuishouding onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan wat betreft de gevolgen voor de waterhuishouding door een nieuwe woning op de gronden achter Buitenwater 1 niet uitvoerbaar is. 2.12.9. Met betrekking tot de ontsluiting van het perceel overweegt de Afdeling dat ter zitting onweersproken is gesteld door [appellant sub 12] en de raad dat de gronden achter Buitenwater 1 in de huidige situatie op de Oranje Nassaulaan worden ontsloten. Aan de gronden voor deze ontsluiting, voor zover deze binnen het herzieningsplan zijn betrokken, is de bestemming "Wonen - 1" toegekend. Ingevolge artikel 12, lid 12.1, aanhef en onder c, van de planregels van het herzieningsplan, voor zover van belang, zijn gronden met de bestemming "Wonen - 1" onder meer bestemd voor perceelsontsluitingen. Voor zover de gronden voor deze ontsluiting in het bestemmingsplan zijn betrokken zijn daaraan de bestemmingen "Wonen" en "Tuin" toegekend. Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder k, van de planregels van het bestemmingsplan zijn de gronden die als "Wonen" zijn aangewezen bestemd voor bij deze bestemming behorende voorzieningen. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder h, van de planregels bij het bestemmingsplan zijn de gronden die als "Tuin" zijn aangewezen bestemd voor voorzieningen ten behoeve van de perceelsontsluiting. De Afdeling overweegt dat uit het voorgaande volgt dat het herzieningsplan ontsluiting van de gronden achter Buitenwater 1 mogelijk maakt en dat ook het bestemmingsplan niet aan de ontsluiting van deze gronden over de bestaande ontsluiting in de weg staat. Met betrekking tot de gevreesde overlast overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat als gevolg van een woning op de gronden achter Buitenwater 1 meer overlast van verkeersbewegingen zal ontstaan dan in de huidige situatie waarin een woonschip via deze gronden wordt ontsloten. Verder heeft de raad ter zitting toegelicht dat hij uitsluitend het creëren van een nieuwe ontsluiting op de Oranje Nassaulaan onwenselijk vindt. Nu onweersproken is dat de gronden achter Buitenwater 1 reeds op de Oranje Nassaulaan worden ontsloten, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid niet voor een ontsluiting van de nieuwe woning op de Oranje Nassaulaan heeft kunnen kiezen. 2.12.10. De Afdeling overweegt voorts dat geen wettelijke bepaling de raad ertoe verplicht een planregel waarin een wijzigingsbevoegdheid wordt toegekend op dezelfde wijze vorm te geven als de planregel die op de bestemming ziet die met de wijzigingsbevoegdheid wordt mogelijk gemaakt. Nu in artikel 22, lid 22.3, van de planregels de maximale goot- en bouwhoogte en diepte van de nieuwe woning zijn gegeven en de afstanden die ten minste ten opzichte van de perceelsgrenzen moeten worden aangehouden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad gehouden was in artikel 22, lid 22.3, van de planregels van het herzieningsplan een maximale inhoudsmaat op te nemen dan wel op de verbeelding een concreet bouwvlak weer te geven. 2.12.11. Wat betreft het betoog dat [appellant sub 3] en anderen schade zullen lijden in de vorm van waardevermindering van hun percelen bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan op dit punt aan de orde zijn. 2.12.12. In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het herzieningsplan wat betreft de gronden achter het perceel Buitenwater 1 en het gedeelte van het aangrenzende water, voor zover daaraan de aanduiding "wro zone - wijzigingsgebied - 1" is toegekend strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 3] en anderen zijn op dit punt ongegrond. 2.13. De beroepen van [appellant sub 3] en anderen tegen het herzieningsplan zijn ten tweede gericht tegen het plandeel met de bestemming "Water" en de aanduiding "woonschepenligplaats" wat betreft het water grenzend aan de gronden achter het perceel Buitenwater 1. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de woonschepenligplaats ten onrechte als zodanig is bestemd. Zij voeren daartoe aan dat de raad zijn besluit op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd en dat er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. Het woonschip heeft volgens hen de ligplaats illegaal ingenomen. Voorts stellen zij dat doordat de gemeente aan hen eerder de eis heeft gesteld dat het woonschip verwijderd moest zijn voordat een vierde woning aan het Buitenwater kon worden gebouwd, het vertrouwen is gewekt dat het woonschip verwijderd zou worden. Zij stellen dat het als zodanig bestemmen van de woonschepenligplaats waardevermindering van hun woningen met zich brengt. 2.13.1. De raad wijst ter onderbouwing van de gemaakte keuze op het feit dat voor het woonschip dat in het water ter hoogte van het perceel Buitenwater 1 ligt reeds een ligplaatsvergunning is verleend en dat alle woonschepen die met een dergelijke vergunning een ligplaats hebben ingenomen in het plan als zodanig zijn bestemd. 2.13.2. Aan de ligplaats voor het woonschip ter hoogte van het perceel Buitenwater 1 is de bestemming "Water" toegekend en de aanduiding "woonschepenligplaats". Ingevolge artikel 11, lid 11.1, van de planregels, voor zover van belang, zijn de gronden die op de verbeelding zijn aangewezen voor "Water" ter plaatse van de aanduiding "woonschepenligplaats" aangewezen voor ten hoogste één woonschip. Ingevolge artikel 1, lid 1.64, moet onder het begrip woonschip worden verstaan, elk vaartuig, dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd als, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is tot dag- of nachtverblijf van één of meer personen. 2.13.3. Uit het besluit van de raad volgt dat de raad als uitgangspunt hanteert dat daar waar woonschepen zijn gelegen het water mede is bestemd voor het innemen van ligplaatsen voor woonschepen. Daarbij acht de raad tevens van belang of een vergunning voor het innemen van een ligplaats is verleend. Of in het voorgaande plan ter plaatse een woonschepenligplaats al was toegestaan is voor de raad niet van belang. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk, mits bij de hantering daarvan zich geen strijd voordoet met het recht of een goede ruimtelijke ordening. Het gemeentebestuur heeft ten behoeve van het woonschip dat in het water ter hoogte van het perceel Buitenwater 1 ligt een ligplaatsvergunning verleend. Ter zitting heeft de raad onweersproken gesteld dat het woonschip reeds lange tijd ter plaatse aanwezig is en niet de verwachting bestaat dat dit op korte termijn zal worden verwijderd. De Afdeling overweegt dat het herzieningsplan op dit punt in overeenstemming is met het uitgangspunt van de raad. Niet gebleken is dat de raad de belangen van [appellant sub 3] en anderen niet in zijn afweging heeft betrokken. Over het betoog van [appellant sub 3] en anderen dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat [appellant sub 3] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan niet in een woonschepenligplaats in het water naast de gronden achter het perceel Buitenwater 1 zou voorzien. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant sub 3] en anderen betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. 2.13.4. In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft het plandeel met de bestemming "Water" en de aanduiding "woonschepenligplaats" strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 3] en anderen zijn op dit punt ongegrond. 2.14. [appellant sub 3] en [appellant sub 6] kunnen zich verder niet verenigen met de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" aan een deel van hun percelen. Zij betogen dat de toekenning van deze bestemming op onjuist beleid is gebaseerd, omdat dit beleid te vaag is, te verstrekkende gevolgen heeft en iedere ontwikkeling belemmert. Volgens hen is de aanname dat er archeologische waarden aanwezig zijn nergens op gebaseerd en had de raad daar onderzoek naar moeten doen. Voorts achten zij het strijdig met het gelijkheidsbeginsel, aangezien aan de omliggende percelen niet deze dubbelbestemming is toegekend. De kans dat er archeologische waarden in hun gronden aanwezig zijn is volgens hen vrijwel nihil, nu de percelen onlangs diep zijn omgewoeld. Ook vinden zij het onaanvaardbaar dat de kosten van onderzoek op hen wordt afgewenteld. 2.14.1. Ter zitting heeft de raad gewezen op de toelichting van het herzieningsplan, waarin een paragraaf aan archeologie is gewijd. Hierin wordt verwezen naar de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland. In de toelichting bij het herzieningsplan staat verder dat het gemeentelijk archeologiebeleid is neergelegd in de nota "Onder de grond, beleid voor archeologie in Teylingen" (hierna: Beleidsnota archeologie). Het beleid is volgens de toelichting gebaseerd op wetgeving en de archeologische verwachtings- en beleidskaarten van Teylingen en heeft tot doel om het archeologisch erfgoed te behouden en te beschermen. De archeologische verwachtings- en beleidskaarten geven inzicht in de archeologische waarden en verwachtingen in Teylingen, op basis waarvan initiatiefnemers zo goed mogelijk kunnen worden geïnformeerd over eventuele archeologische consequenties van ruimtelijke ingrepen, aldus de toelichting. 2.14.2. Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1998 (hierna: Monumentenwet) houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wro en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Ingevolge artikel 39, eerste lid, kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) verplicht worden gesteld. Ingevolge het tweede lid kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen in voldoende mate is vastgesteld. Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, van de Wabo, voor zover van belang, kent het bevoegd gezag degene tot wie een beschikking is gericht krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c of h, van de Wabo voor zover daaraan in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften zijn verbonden, of krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder b of c, van de Wabo voor zover daarbij de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg is geweigerd, en die ten gevolge daarvan kosten maakt of schade lijdt die redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening behoren te komen op zijn verzoek of uit eigen beweging een naar billijkheid te bepalen vergoeding toe, voor zover niet op andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien. 2.14.3. Aan een deel van het perceel Buitenwater 2 en aan een deel van het perceel Buitenwater 4 is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" toegekend. Ingevolge artikel 14, lid 14.1, zijn de gronden die zijn aangewezen voor "Waarde - Archeologie 1" - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Ingevolge lid 14.2 mag op deze gronden worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 14.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.