← Nederland

ECLI:NL:RVS:2012:BV3215

201100875/1/R

  1. Datum uitspraak: 8 februari 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. [appellant sub 1], wonend te Tollebeek, gemeente Noordoostpolder,
  3. het college van burgemeester en wethouders van Lemsterland (hierna: het college van Lemsterland),
  4. de stichting Stichting Waterrecreatie IJsselmeer en Randmeren (hierna: SWIJR), gevestigd te Lelystad,
  5. [appellant sub 4], wonend te Tollebeek, gemeente Noordoostpolder,
  6. [appellant sub 5], wonend te Rutten, gemeente Noordoostpolder,
  7. de stichting Stichting Gaasterlân Natuerlân (hierna: Gaasterlân), gevestigd te Rijs, gemeente Gaasterlân-Sleat,
  8. [appellant sub 7], wonend te Espel, gemeente Noordoostpolder,
  9. [appellant sub 8] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 8]),
  10. de stichting Stichting Erfgoed Urk en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: Erfgoed Urk), gevestigd te Urk,
  11. Bond Heemschut commissie Heemschut Flevoland (hierna: Heemschut), gevestigd te Lelystad,
  12. [appellant sub 11], wonend te Urk, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 11]),
  13. [appellante sub 12], wonend te Urk, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 12]),
  14. de stichting Stichting De Rotterdamse Hoek (hierna: SRH), gevestigd te Creil, gemeente Noordoostpolder,
  15. [appellant sub 14], wonend te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,
  16. [appellant sub 15], wonend te Urk,
  17. de stichting Nationaal Kritisch Platform Windenergie (hierna: NKPW), gevestigd te Hippolytushoef, gemeente Hollands Kroon,
  18. [appellant sub 17], wonend te Tollebeek, gemeente Noordoostpolder,
  19. [appellant sub 18], wonend te Creil, gemeente Noordoostpolder,
  20. [appellant sub 19], wonend te Creil, gemeente Noordoostpolder,
  21. [appellant sub 20], wonend te Urk, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 20]),
  22. [appellant sub 21], wonend te Creil, gemeente Noordoostpolder,
  23. [appellante sub 22], wonend te Creil, gemeente Noordoostpolder,
  24. de stichting Stichting Verantwoord Beheer IJsselmeer (hierna: SVBIJ), gevestigd te Castricum,
  25. [appellant sub 24A] en [appellant sub 24B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 24]), wonend te Creil, gemeente Noordoostpolder, appellanten, en
  26. de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,
  27. de minister van Infrastructuur en Milieu,
  28. het college van gedeputeerde staten van Flevoland (hierna: het college van Flevoland),
  29. het college van burgemeester en wethouders van Noordoostpolder (hierna: het college van Noordoostpolder),
  30. het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Zuiderzeeland (hierna: het waterschap), verweerders.
  31. Procesverloop In december 2010 hebben de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de minister van Infrastructuur en Milieu met toepassing van artikel 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) het rijksinpassingsplan "Windenergie langs de dijken van de Noordoostpolder" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen. Verweerders hebben ter uitvoering van de in het rijksinpassingsplan voorziene windparken op grond van artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro in totaal 33 uitvoeringsbesluiten genomen, die zijn vermeld in de openbare kennisgeving zoals gepubliceerd in de Staatscourant (2011, 227). Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1], het college van Lemsterland, SWIJR, [appellant sub 4], [appellant sub 5], Gaasterlân, [appellant sub 7], [appellant sub 8], Erfgoed Urk, Heemschut, [appellant sub 11], [appellant sub 12], SRH, [appellant sub 14], [appellant sub 15], NKPW, [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20], [appellant sub 21], [appellante sub 22], SVBIJ en [appellant sub 24] tijdig beroep ingesteld. Sommigen hebben de gronden van hun beroep schriftelijk aangevuld. De ministers, het college van Flevoland, het college van Noordoostpolder en het waterschap hebben een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 4], [appellant sub 7], [appellant sub 8], Erfgoed Urk, SRH, Heemschut, [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 15], NKPW, [appellant sub 17], [appellant sub 19], [appellante sub 22], [appellant sub 24], het college van Flevoland, het college van Noordoostpolder, het waterschap, De Koepel en de ministers hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. SRH, NKPW, [appellant sub 11], [appellant sub 15], [appellant sub 20], Erfgoed Urk, SVBIJ, [appellant sub 7] en het waterschap hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 en 11 oktober 2011, waar een aantal partijen ter zitting is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de ministers en de andere verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen.
  32. Overwegingen Planbeschrijving 2.
  33. Het rijksinpassingsplan voorziet in de aanleg van vier windparken langs de Noordermeerdijk, de Westermeerdijk en de Zuidermeerdijk van de Noordoostpolder. De initiatiefnemers van deze windparken zijn Windmolenproject Westermeerdijk binnendijks V.O.F., Essent Wind Nederland B.V. (thans: RWE Energy Windpower Netherlands B.V.) , Westermeerwind B.V. en Windpark Creil B.V. (hierna gezamenlijk aangeduid als: De Koepel). Langs de drie genoemde dijken van de Noordoostpolder zullen in totaal 86 windturbines worden gebouwd, met een capaciteit van ongeveer 450 Megawatt (hierna: MW). De 50 bestaande windturbines langs de Westermeerdijk en 5 bestaande windturbines nabij de Zuidermeerdijk zullen worden afgebroken. De nieuwe windturbines variëren in hoogte van minimaal 90 meter tot maximaal 135 meter - exclusief de rotorbladen - met een onderlinge afstand van 300 tot 650 meter. Ontvankelijkheid Belanghebbendheid natuurlijke personen 2.
  34. De Koepel brengt naar voren dat [appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellant sub 11], [appellant sub 14], [belanghebbende A] en [belanghebbende B] uit Emmeloord, [belanghebbende C], [belanghebbende D], [belanghebbende E], [belanghebbende F], [belanghebbende G] uit Utrecht, [belanghebbende H] en [belanghebbende I] op meer dan 2500 meter van het plangebied wonen en daarom niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij de bestreden besluiten. 2.2.
  35. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen besluiten als de aan de orde zijnde. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. 2.2.
  36. Gezien de ruimtelijke uitstraling die de in het plan voorziene windturbines hebben vanwege hun omvang en hun plaatsing in het open gebied en de mogelijke effecten die deze windturbines kunnen hebben voor het milieu, is de Afdeling van oordeel dat de belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 4], beiden wonend in Tollebeek, en [appellant sub 11] en [belanghebbende E], beiden wonend op Urk, rechtstreeks bij de bestreden besluiten zijn betrokken. Ook het belang van [appellant sub 14], van wie is gebleken dat hij eigenaar is van een landbouwbedrijf aan het [locatie 1] in Creil, is om die reden rechtstreeks bij de bestreden besluiten betrokken. 2.2.
  37. [belanghebbende C], [belanghebbende D] en [belanghebbende F], [belanghebbende A] en [belanghebbende B] wonen in Emmeloord, en [belanghebbende G], [belanghebbende H] en [belanghebbende I], wonen in Utrecht. De afstand tussen hun woningen en het plangebied is naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij de bestreden besluiten betrokken belang te kunnen aannemen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat zij ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang hebben dat hen in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks door de bestreden besluiten zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende. De conclusie is dat [belanghebbende C], [belanghebbende D] en [belanghebbende F], [belanghebbende A] en [belanghebbende B] uit Emmeloord, [belanghebbende G] uit Utrecht, [belanghebbende H] en [belanghebbende I], geen belanghebbende zijn bij de bestreden besluiten als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, geen beroep kunnen instellen. Het beroep van [appellant sub 20], voor zover ingediend door [belanghebbende A] en [belanghebbende B] uit Emmeloord, [belanghebbende C], [belanghebbende D], [belanghebbende F], [belanghebbende G] uit Utrecht, [belanghebbende H] en [belanghebbende I], is niet-ontvankelijk. Belanghebbendheid privaatrechtelijke rechtspersonen 2.
  38. De Koepel brengt naar voren dat Gaasterlân niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij de bestreden besluiten, nu haar territoriale doelstelling is beperkt tot de gemeente Gaasterlân-Sleat. 2.3.
  39. Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. 2.3.
  40. Gaasterlân stelt zich blijkens artikel 2, eerste lid, van haar statuten ten doel het instandhouden en zo mogelijk versterken van de natuur, landschaps- en milieuwaarden in de gemeente Gaasterlân-Sleat en het bevorderen van het natuur- en milieubesef onder de inwoners van de gemeente Gaasterlân-Sleat, alles in de meest ruime zin genomen. Ingevolge het tweede lid tracht zij dit doel onder meer te bereiken door het geven van voorlichting, het stimuleren van op natuur en milieu gericht onderwijs; het geven van adviezen aan bestuurlijke organen, bedrijven en andere instanties; het signaleren van natuur, landschap en milieubedreigende activiteiten en gebeurtenissen en het bestrijden hiervan. 2.3.
  41. Gelet op de ruimtelijke uitstraling van de windturbines, de hoogte daarvan en de plaatsing in het open landschap, is niet uitgesloten dat het rijksinpassingsplan ondanks de afstand tussen het plangebied en de gemeente Gaasterlân-Sleat gevolgen kan hebben voor de natuur-, landschaps- en milieuwaarden als omschreven in de statutaire doelstelling van Gaasterlân. Gelet hierop en gelet op haar feitelijke werkzaamheden, is de Afdeling van oordeel dat Gaasterlân door de bestreden besluiten rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. Gaasterlân kan dan ook als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt. 2.
  42. De Koepel betoogt dat Heemschut niet als belanghebbende bij de bestreden besluiten kan worden aangemerkt. In dit verband brengt zij naar voren dat ook een onderdeel van Heemschut in de provincie Flevoland is gevestigd en dat dit onderdeel beroep tegen de bestreden besluiten had kunnen instellen. 2.4.
  43. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van haar statuten stelt Heemschut zich ten doel de bescherming van de schoonheid en het historisch ruimtelijk karakter van Nederland in het algemeen en van cultuurmonumenten in het bijzonder. Ingevolge het tweede lid van dit artikel tracht zij dit doel te bereiken door: a. het benaderen van de overheid, particuliere organisaties en particulieren; b. het gevraagd en ongevraagd geven van advies en voorlichting aan derden; c. het bestuderen en doen bestuderen van vraagstukken die daarop direct of indirect betrekking hebben; d. het uitgeven of doen uitgeven van een tijdschrift en verdere geschriften, alsmede het organiseren van en medewerken aan acties, bijeenkomsten, excursies en tentoonstellingen; e. het al of niet in samenwerking met derden oprichten van andere rechtspersonen met een gelijk of aanverwant doel en het al of niet besturen van deze rechtspersonen; f. het aangaan van samenwerkingsverbanden van blijvend of tijdelijk karakter; g. alle overige wettige middelen. 2.4.
  44. De Afdeling is gezien de hiervoor weergegeven doelstelling van Heemschut en haar feitelijke werkzaamheden van oordeel dat Heemschut door de bestreden besluiten rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. Heemschut moet naar het oordeel van de Afdeling dan ook worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Haar beroep tegen de bestreden besluiten is ontvankelijk. Dat een onderdeel van Heemschut ook in beroep had kunnen gaan, wat daar ook van zij, kan geen afbreuk doen aan de ontvankelijkheid van Heemschut zelf. Belanghebbendheid publiekrechtelijke rechtspersonen 2.
  45. Op de onderhavige zaak is de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing. Ingevolge artikel 1.4 van de Chw kan in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb een niet tot de centrale overheid behorende rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld of een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan geen beroep instellen tegen een besluit, indien dat besluit niet is gericht tot die rechtspersoon of tot een orgaan van die rechtspersoon, onderscheidenlijk tot dat bestuursorgaan of tot de rechtspersoon waartoe dat bestuursorgaan behoort. 2.5.
  46. Het beroep van [appellant sub 8] is mede ingesteld door het college van burgemeester en wethouders van Urk (hierna: het college van Urk). Vaststaat dat een gemeente een niet tot de centrale overheid behorende rechtspersoon is die krachtens publiekrecht is ingesteld. Tevens staat vast dat het college van Lemsterland noch het college van Urk tot de centrale overheid behorende bestuursorganen zijn. Nu de door hen bestreden besluiten niet tot de desbetreffende gemeenten of een van beide colleges gerichte besluiten zijn, kunnen zij daartegen geen beroep instellen. 2.5.
  47. Voor zover het college van Lemsterland betoogt dat artikel 1.4 van de Chw in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), overweegt de Afdeling dat onder meer in de uitspraak van 7 december 2011 in zaak nr. 201107071/1/H1 is overwogen dat het EVRM niet van toepassing is op een geschil tussen overheden. De aard en historische oorsprong van de daarin opgenomen rechten brengen met zich dat deze niet bedoeld zijn ter bescherming van de overheid en derhalve niet inroepbaar zijn door bestuursorganen. Dat geldt ook voor de decentrale bestuursorganen. Deze visie komt tot uitdrukking in tekst, systeem en strekking van het EVRM en vindt ondersteuning in de afbakening in artikel 34 van het EVRM van de kring van rechtssubjecten ter zake van EVRM-rechten wat betreft hun inroepbaarheid. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) (onder meer de beslissing van 9 november 2010 inzake Demirbaş en anderen tegen Turkije, zaak nr. 1093/08 en verder; <a target="_blank" href="http://www.echr.coe.int">www.echr.coe.int</a>) volgt dat decentrale bestuursorganen geen partij zijn als bedoeld in die bepaling. 2.5.
  48. Voor zover [appellant sub 8] betoogt dat gronden nabij de windparken in eigendom zijn van de gemeente Urk en daarmee het college belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, overweegt de Afdeling dat artikel 1.4 van de Chw op het beroepsrecht van belanghebbenden een expliciete uitzondering maakt voor niet tot de centrale overheid behorende rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld of niet tot de centrale overheid behorende bestuursorganen. Reeds hierom faalt dit betoog. Voorts volgt uit de uitspraak van 29 juli 2011 in zaak nr. 201011757/14/R1 dat de omstandigheid dat de gemeente gronden bezit in of rondom het gebied waarop een rijksinpassingsplan ziet, niet ertoe leidt dat het besluit tot vaststelling van het rijksinpassingsplan en de eventuele gecoördineerde besluiten moeten worden aangemerkt als besluiten die zijn gericht aan de gemeente Urk. 2.5.
  49. Gelet op het voorgaande is het beroep van het college van Lemsterland en het beroep van [appellant sub 8], voor zover ingediend door het college van Urk, niet-ontvankelijk. Geen zienswijze 2.
  50. De Koepel stelt dat [appellante sub 12], [belanghebbende J] en [belanghebbende K] en [belanghebbende L] geen zienswijze tegen de gecoördineerde besluiten naar voren hebben gebracht. 2.6.
  51. Ingevolge artikel 3.35, vierde lid, van de Wro in samenhang met artikel 3.8, eerste lid, van de Wro en de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing en worden de gecoördineerde besluiten gelijktijdig ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de ministers. Bij brief van 27 juli 2010 is een zienswijze tegen de gecoördineerde besluiten naar voren gebracht namens de familie [belanghebbende M], welke mede is ondertekend door [appellante sub 12]. De stelling van De Koepel dat zij geen zienswijze heeft ingediend, mist derhalve feitelijke grondslag. De Afdeling stelt vast dat [belanghebbende K] en [belanghebbende L] geen zienswijze tegen de gecoördineerde besluiten naar voren hebben gebracht bij de ministers. De ter zitting naar voren gebrachte stelling dat [belanghebbende K] en [belanghebbende L] de door het comité Urk Briest naar voren gebrachte zienswijze hebben ondertekend, mist feitelijke grondslag. [belanghebbende J] heeft evenmin een zienswijze tegen de gecoördineerde besluiten naar voren gebracht. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, onder e, van de Wro in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld door de belanghebbende die tegen de gecoördineerde besluiten tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. [belanghebbende K] en [belanghebbende L] noch [belanghebbende J] hebben omstandigheden aangevoerd waarom hen redelijkerwijs niet kan worden verweten dat ter zake door hen geen zienswijze naar voren is gebracht. De beroepen van [appellant sub 20], voor zover ingesteld door [belanghebbende K] en [belanghebbende L], en van [appellant sub 12], voor zover ingesteld door [belanghebbende J], zijn niet-ontvankelijk. 2.
  52. De Koepel betoogt dat het beroep van SWIJR niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu zij zich eerst in beroep tegen de krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleende vergunning richt. 2.7.
  53. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen de gecoördineerde besluiten als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onder a of b, van de Wro, voor zover dit beroep zich richt tegen de gecoördineerde besluiten die de belanghebbende in een naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. 2.7.
  54. De Afdeling stelt vast dat SWIJR zich in haar zienswijze tegen het ontwerp van het rijksinpassingsplan en het daaraan ten grondslag liggende milieueffectrapport heeft gericht. In beroep richt zij zich tevens tegen het besluit tot verlening van een vergunning krachtens de Nbw
  55. Het beroep steunt in zoverre niet op een naar voren gebrachte zienswijze. SWIJR heeft geen omstandigheden aangevoerd waarom haar redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij ter zake van de verleende Nbw-vergunning geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Het beroep van SWIJR, voor zover dat is gericht tegen de door het college van Flevoland verleende vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998, is niet-ontvankelijk. 2.
  56. Ook andere, in haar nadere uiteenzetting genoemde, appellanten zouden volgens De Koepel deels niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat deze appellanten sommige beroepsgronden eerst in beroep naar voren hebben gebracht. 2.8.
  57. De door De Koepel genoemde appellanten hebben een zienswijze tegen de gecoördineerde besluiten naar voren gebracht en deze zienswijzen hebben steeds betrekking op alle onderdelen van het windturbinepark. In een dergelijk geval wordt de mogelijkheid om in beroep nieuwe gronden aan te voeren niet door artikel 6:13 van de Awb beperkt. De omstandigheid dat de desbetreffende appellanten sommige beroepsgronden eerst in beroep naar voren hebben gebracht, geeft dan ook geen aanleiding om de beroepen van deze appellanten in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren. Besluit om geen exploitatieplan vast te stellen 2.
  58. [appellant sub 4], SRH, [appellant sub 14], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 21] en [appellante sub 22] betogen dat ten onrechte geen exploitatieplan is vastgesteld. In dit verband voeren zij aan dat het kostenverhaal via de anterieure exploitatieovereenkomst niet is verzekerd, aangezien hierin geen deugdelijke schaderegeling is opgenomen. 2.9.
  59. Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, van de Wro in samenhang gelezen met artikel 6.25, derde lid, van de Wro, stellen de ministers een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, kunnen de ministers, in afwijking van het eerste lid, bij een besluit tot vaststelling van een rijksinpassingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder h, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig vastgesteld rijksinpassingsplan. Ingevolge het vijfde lid, voor zover hier van belang, wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste en tweede lid, in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 2.9.
  60. De beroepen van [appellant sub 4], SRH, [appellant sub 14], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 21] en [appellante sub 22] zijn in zoverre gericht tegen het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. Indien de ministers in dit geval een exploitatieplan zouden hebben vastgesteld, zouden [appellant sub 4], SRH, [appellant sub 14], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 21] en [appellante sub 22] niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij de desbetreffende onderdelen van het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat zij geen eigenaren zijn van gronden in het exploitatiegebied en evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro hebben gesloten met betrekking tot gronden in het exploitatiegebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van onderdelen van een exploitatieplan, kunnen zij evenmin worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. De beroepen van [appellant sub 4], SRH, [appellant sub 14], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 21] en [appellante sub 22] zijn in zoverre niet-ontvankelijk. Procedurele aspecten Artikel 1.6a van de Chw 2.
  61. Enkele appellanten betogen dat zij door toepassing van artikel 1.6a van de Chw onvoldoende tijd hebben gehad om hun beroepsgronden aan te voeren. Volgens hen is hun rechtsbescherming in geding en moet het artikel wegens strijd met het Europeesrechtelijke beginsel van effectieve rechtsbescherming buiten toepassing worden gelaten. Het artikel verdraagt zich voorts niet met artikel 6 van het EVRM, aldus deze appellanten. 2.10.
  62. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. 2.10.
  63. Uit de artikelen 93 en 94 van de Grondwet volgt dat een wet in formele zin slechts buiten toepassing blijft, indien deze in strijd is met een ieder verbindende bepaling van verdragen of volkenrechtelijke organisaties. Ter beoordeling staat of de genoemde artikelen in de Chw zich verdragen met artikel 6 van het EVRM. Uit de jurisprudentie van het EHRM (onder meer het arrest van 28 mei 1985 in zaak 8225/78, Ashingdane tegen het Verenigd Koninkrijk (<a target="_blank" href="http://www.echr.coe.int)">www.echr.coe.int)</a>) volgt dat in artikel 6 van het EVRM niet een absoluut recht op toegang tot de rechter is neergelegd. Aan de verdragsstaten komt een zekere beoordelingsvrijheid toe tot het stellen van regels die zekere beperkingen inhouden, mits daardoor het recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern wordt aangetast, de gestelde beperkingen een rechtmatig doel dienen en aan de evenredigheidseis is voldaan. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 17 november 2010 in zaak nr. 201004771/1/M2 heeft overwogen, tast artikel 1.6a van de Chw het recht op toegang tot de rechter niet in de kern aan. Daarnaast volgt uit deze uitspraak dat het doel van deze bepaling om vertragingen in de beroepsprocedures zo veel mogelijk te voorkomen en het voor de rechter mogelijk te maken om binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak te doen, een rechtmatig doel is. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, is voorts geen grond gelegen voor het oordeel dat niet aan de evenredigheidseis is voldaan. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat artikel 1.6a van de Chw niet buiten toepassing moet blijven vanwege strijd met artikel 6 van het EVRM. 2.10.
  64. Nu in het kader van de vaststelling van het rijksinpassingsplan en de daarmee samenhangende uitvoeringsbesluiten toepassing is gegeven aan bepalingen uit het nationale recht die strekken ter implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de hierna nog aan de orde komende SMB-richtlijn en de Vogel- en Habitatrichtlijn, valt het plan binnen de werkingssfeer van het Europese recht. Ter beoordeling staat of artikel 1.6a van de Chw zich verdraagt met het Europeesrechtelijke beginsel van effectieve rechtsbescherming. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 17 november 2010 onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 16 december 1976 in zaak 33/76, Rewe (<a target="_blank" href="http://www.eur-lex.europa.eu">www.eur-lex.europa.eu</a>) heeft overwogen, is de vaststelling van de procesregels, bij het ontbreken van een regeling ter zake in het Europese recht, een aangelegenheid van de nationale rechtsorde van Nederland. Deze procesregels mogen niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen. Toepassing van de procesregels moet enkel achterwege blijven indien deze regels het in de praktijk onmogelijk zouden maken de rechten uit te oefenen die de nationale rechter verplicht is te handhaven. Dit laatste is zoals het Hof heeft overwogen in het arrest van 16 december 1976, niet het geval bij het vaststellen van redelijke beroepstermijnen op straffe van verval van rechten. De in artikel 1.6a van de Chw neergelegde eis dat de beroepsgronden binnen de beroepstermijn moeten worden aangevoerd, geldt voor ieder beroep waarop afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is. Deze procedureregels zijn dus niet ongunstiger dan die voor soortgelijke procedures, zoals in de zin van het arrest Rewe is vereist. Verder maken deze regels het in de praktijk niet onmogelijk om het beroepsrecht uit te oefenen, omdat een termijn van zes weken is gegeven om beroepsgronden aan te voeren. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 1.6a van de Chw buiten toepassing had moeten blijven vanwege strijd met het beginsel van effectieve rechtsbescherming. Artikel 3.35 van de Wro 2.
  65. Een aantal appellanten voert aan dat de rijkscoördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.35 van de Wro niet goed is toegepast. Zij voeren aan dat de drie keurontheffingen die in 2005 en 2006 zijn verleend in strijd zijn met artikel 3.35, eerste lid, van de Wro, omdat die niet tegelijkertijd met het rijksinpassingsplan zijn voorbereid en bekendgemaakt. Volgens hen kunnen de drie keurontheffingen daarom niet worden gebruikt voor de realisering van het windturbinepark. Daarnaast betoogt [appellant sub 8] dat het besluit met betrekking tot de aanlegvergunning voor kabels bij de Zuidermeerdijk niet had mogen worden aangehouden, maar gelijktijdig met de overige besluiten voorbereid en bekend had moeten worden gemaakt. 2.11.
  66. De ministers stellen zich op het standpunt dat in dit geval de rijkscoördinatieregeling juist is toegepast. De desbetreffende keurontheffingen waren volgens de ministers ten tijde van de voorbereiding en bekendmaking van het ontwerp van het rijksinpassingsplan niet aan te merken als "te nemen besluiten" als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onder b, van de Wro, aangezien deze keurontheffingen reeds onherroepelijk waren geworden. 2.11.
  67. Zoals deze bepaling ten tijde van belang luidde is ingevolge artikel 9b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Elektriciteitswet 1998 op een productie-installatie met een capaciteit van ten minste 100 MW artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro van toepassing. Zoals deze bepaling ten tijde van belang luidde kan ingevolge artikel 9b, derde lid, aanhef en onder d, voor zover hier van belang, de minister bepalen dat de procedure, als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro van toepassing is op de aanleg van een installatie als bedoeld in het eerste lid van artikel 9b indien redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van de procedures, bedoeld in het eerste artikellid, de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden. Ingevolge artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro - zoals dat destijds luidde - wordt een rijksinpassingsplan vastgesteld en wordt de voorbereiding en bekendmaking daarvan gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van de nader aan te duiden besluiten als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onder a, van de Wro. 2.11.
  68. In het besluit van 19 februari 2010 heeft de minister van Economische zaken (thans: de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) bepaald dat voor het project 'Windenergie langs de dijken van de Noordoostpolder' eerst een rijksinpassingsplan dient te worden vastgesteld en dat in afwijking van artikel 9b, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, de procedure als omschreven in artikel 3:35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro zal worden toegepast. Daarbij is in dit besluit vermeld dat het rijksinpassingsplan en (een gedeelte van) de uitvoeringsbesluiten tegelijkertijd gecoördineerd worden voorbereid en bekendgemaakt. De Afdeling overweegt dat uit de redactie van artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder a en onder b, van de Wro - zoals die destijds luidden - niet volgt en uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.35, eerste lid, onder b, van de Wro (Kamerstukken II, 2002/03, 28 916, nr. 3, blz. 40 en 41) ook niet blijkt, dat toepassing van de rijkscoördinatieregeling ertoe verplicht dat alle besluiten die benodigd zijn ter uitvoering van een rijksinpassingsplan gelijktijdig dienen te worden voorbereid en bekend gemaakt. Het feit dat ten behoeve van het windturbinepark reeds in 2005 en 2006 een aantal keurontheffingen is verleend voor het plaatsen en onderhouden van windturbines langs de Noordermeerdijk en de Westermeerdijk, betekent niet dat de ministers een onjuiste toepassing hebben gegeven aan de rijkscoördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.35 van de Wro. Het voorgaande geldt evenzeer voor het aanhouden van de besluitvorming omtrent de aanlegvergunning voor kabels bij de Zuidermeerdijk. Dit betoog faalt. Overleg met Urk 2.
  69. [appellant sub 12] en [appellant sub 15] betogen dat het gemeentebestuur van Urk ten onrechte niet in de besluitvorming omtrent het windturbinepark is betrokken. Hiertoe heeft [appellant sub 12] aangevoerd dat het Omgevingsplan 2006 van de provincie Flevoland intergemeentelijke afstemming en overleg vereist bij nieuwe windturbineprojecten en dat dit in dit geval niet is geschied. 2.12.
  70. Ingevolge artikel 1.1.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) wordt in het Bro en de hierop berustende bepalingen onder een bestemmingsplan mede begrepen een rijksinpassingsplan. Ingevolge artikel 3.1.1, eerste lid, pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 2.12.
  71. Ingevolge artikel 1.9 van de Chw vernietigt de administratieve rechter een besluit niet op de grond, dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 januari 2011 in zaak nr. 201006426/1/R2 kan uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 49) worden afgeleid dat de wetgever met artikel 1.9 van de Chw de eis heeft willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke (of: achterliggende) reden om een besluit in rechte aan te vechten en dat de bestuursrechter een besluit niet moet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van een belang waarin de eisende partij feitelijk dreigt te worden geschaad. Daargelaten de vraag of in onderhavig geval de verplichting tot overleg met het gemeentebestuur van Urk ingevolge artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro is geschonden, overweegt de Afdeling dat deze bepaling kennelijk niet strekt ter bescherming van de belangen van de individuele inwoners van een betrokken gemeente, zodat artikel 1.9 van de Chw in zoverre aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat. Informatievoorziening 2.
  72. [appellant sub 20] voert aan dat de informatievoorziening aan de omwonenden, met name de bewoners op Urk, onvoldoende is geweest. Tevens heeft volgens [appellant sub 20] onvoldoende inspraak en overleg met omwonenden plaatsgevonden. Blijkens de Antwoordnota heeft informatievoorziening aan bewoners van Urk plaatsgevonden door een informatiekaravaan die in de maanden augustus en september van 2009 onder andere de gemeente Urk heeft aangedaan. Tevens zijn in november 2009 inloopbijeenkomsten georganiseerd voor belangstellenden en is in juli 2010 op Urk een informatiebijeenkomst georganiseerd over het ontwerp-rijksinpassingsplan. Dat deze informatievoorziening heeft plaatsgevonden wordt door [appellant sub 20] niet weersproken. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de bewoners op Urk onvoldoende geïnformeerd zijn over het plan. Voorts maakt het bieden van inspraak geen deel uit van de in de Wro en het Bro geregelde planprocedure. Het schenden van een inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de planprocedure en het rijksinpassingsplan. Dit betoog slaagt niet. Plantechnische bezwaren Rechtszekerheid planregels 2.
  73. [appellant sub 8] en [appellant sub 4] betogen dat de in artikel 3.2.1 van de planregels opgenomen bouwregels niet duidelijk zijn in relatie tot de verbeelding, omdat in de planregels met betrekking tot de maximale en minimale bouwhoogte een verwijzing naar de desbetreffende aanduidingen op de verbeelding ten onrechte ontbreekt. 2.14.
  74. [appellant sub 8] en [appellant sub 4] stellen met juistheid dat in artikel 3.2.1 van de planregels geen verwijzing naar de bijbehorende verbeelding van het plan is opgenomen. Dit betekent naar het oordeel van de Afdeling echter niet dat daarmee niet duidelijk is wat met de aanduidingen 'windturbine', 'minimale bouwhoogte (meter)' en 'maximale bouwhoogte (meter)' wordt bedoeld. Hierbij is van belang dat ingevolge artikel 1.2 van de planregels onder 'inpassingsplan' de geometrische bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0000.EZ10ipwindNOP-3000 met de bijbehorende regels en bijlagen wordt verstaan. Uit deze definitiebepaling volgt dat de bij het plan behorende verbeelding onderdeel vormt van het plan. De in de planregels opgenomen aanduidingen verwijzen derhalve naar de aanduidingen op de verbeelding die in de legenda daarvan worden verklaard. Anders dan [appellant sub 8] en [appellant sub 4] betogen is het rijksinpassingsplan in zoverre niet in strijd met de rechtszekerheid. Tijdelijke voorzieningen 2.
  75. [appellant sub 8] en [appellant sub 4] voeren aan dat onduidelijk is of de op de verbeelding aangegeven bestemming "Bedrijf-Windturbinepark (B-WTP)" voldoende ruimte biedt voor het realiseren van zowel de tijdelijke voorzieningen die benodigd zijn voor de aanleg van het windturbinepark als het realiseren van de windturbines zelf. 2.15.
  76. Op de verbeelding is aan de gronden ter hoogte van elke voorziene windturbine de bestemming "B-WTP" toegekend. De oppervlakte van de gronden met deze bestemming varieert tussen ongeveer 18 hectare en 32 hectare. Gelet op deze vrij grote oppervlakte en het feit dat de windturbines maximaal een grondoppervlakte van ongeveer 1.385 m2 zullen beslaan - gezien de diameter van de fundering van maximaal 25 tot 30 meter met eventueel een omliggende terp met een diameter van 42 meter - hebben [appellant sub 4] en [appellant sub 8] niet aannemelijk gemaakt dat voor het verwezenlijken van de benodigde tijdelijke voorzieningen en de windturbines zelf onvoldoende ruimte beschikbaar zal zijn op de gronden waaraan de bestemming "B-WTP" is toegekend. Daarbij is mede van belang dat niet is weersproken dat geen tijdelijke haven zal worden aangelegd voor de oprichting van de buitendijkse windturbines, maar gebruik zal worden gemaakt van bestaande havens. Overigens merkt de Afdeling op dat op gronden met de bestemming "Verkeer" ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder c, van de planregels ook de aanleg van tijdelijke voorzieningen is toegestaan. 2.
  77. [appellant sub 4] betoogt dat onduidelijk is wat onder het oprichten van tijdelijke voorzieningen binnen de bestemming "B-WTP" wordt verstaan. Bovendien voorzien de planregels in een maximale bouwhoogte van 10 meter voor deze tijdelijke voorzieningen. 2.16.
  78. Ingevolge artikel 1.32 van de planregels wordt onder tijdelijke voorzieningen verstaan: "bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede werken (waaronder opslagplaatsen) gedurende een periode van maximaal 5 jaar. Gezien deze definitie is naar het oordeel van de Afdeling niet onduidelijk wat onder tijdelijke voorzieningen wordt verstaan. Ingevolge artikel 3.2.4, onder d, van de planregels is de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 3 meter. Ingevolge artikel 11, aanhef en onder c, van de planregels kan hiervan door middel van een omgevingsvergunning worden afgeweken, met dien verstande dat de toegestane bouwhoogte maximaal 10 meter mag zijn. [appellant sub 4] heeft niet onderbouwd waarom een dergelijke maximale bouwhoogte voor tijdelijke voorzieningen vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is. Nut en noodzaak 2.
  79. Verschillende appellanten betwijfelen het nut en de noodzaak van het te realiseren windturbinepark. [appellant sub 4] en [appellant sub 20] voeren aan dat de ministers het nut en de noodzaak van het windturbinepark ten onrechte hebben gebaseerd op het zogenoemde werkprogramma "Schoon en Zuinig" uit
  80. Zij voeren aan dat het werkprogramma zelf kritische kanttekeningen plaatst bij het nut van windenergie. Bovendien is inmiddels gebleken dat de ambities in het werkprogramma, onder meer vanwege de gewijzigde economische omstandigheden, onbereikbaar zullen zijn, zo stellen [appellant sub 4] en [appellant sub 20]. Voorts wijst het werkprogramma volgens [appellant sub 4] geen gewenste locaties voor windparken aan, noch geeft dit voorschriften voor vereiste capaciteiten. 2.17.
  81. De ministers stellen dat windenergie één van de meest kosteneffectieve wijzen is om duurzame energie op te wekken. De ministers wijzen erop dat het kabinet in het werkprogramma "Schoon en Zuinig" heeft uitgesproken dat de groei van hernieuwbare energie de eerstkomende jaren vooral zal komen van windenergie. Het kabinet heeft zich daarom gecommitteerd aan het realiseren van 2.000 MW extra windenergie op land in
  82. Het windturbinepark langs de dijken van de Noordoostpolder zal met moderne windturbines op een goede windlocatie en een vermogen van ongeveer 450 MW een substantiële bijdrage leveren aan de verduurzaming van de elektriciteitsvoorziening, zo stellen de ministers. Overigens dient Nederland volgens de ministers vanwege Europese regelgeving te voldoen aan de opdracht om in 2020 14% van de energieproductie uit hernieuwbare energie te laten bestaan. 2.17.
  83. In de Nota Ruimte uit 2006 staat de doelstelling vermeld om in 2020 in 10% van de energiebehoefte van Nederland op een duurzame wijze te voorzien en dat de rijksoverheid een verantwoordelijkheid heeft om deze vormen van opwekking, voor zover nodig met specifieke stimuleringsmaatregelen, binnen de geliberaliseerde markt een kans te geven. Het kabinet stimuleert met behulp van een investeringsklimaat voor windenergieopwekking de plaatsing van windturbines zodanig dat in 2020 de doelstelling van een totaal opwekkingsvermogen van 7500 MW zal zijn bereikt. In de Nota Ruimte wordt voorts gewezen op de Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie uit 2001 waarin de rijksoverheid met de gemeenten en de provincies heeft afgesproken dat in 2010 in het provinciaal ingedeelde gebied van Nederland 1500 MW windvermogen op land om dwingende redenen van groot openbaar belang zal worden gerealiseerd. In de Nota Ruimte staat voorts dat de provincies een plaatsingsstrategie kiezen van grootschalige dan wel kleinschalige bundeling van windturbines, afhankelijk van de mogelijkheden per landschapstype en de mogelijkheden tot combinatie met infrastructuur en bedrijventerreinen. Langs nieuwe strakke dijken kunnen windturbines worden geplaatst, mits deze niet leiden tot een omheining. Ter bescherming van de open horizon is plaatsing in open water ongewenst; de windturbines dienen zo dicht mogelijk langs de dijken geplaatst te worden, voor zover op basis van technische en ecologische criteria mogelijk. Afhankelijk van de situatie kunnen de windturbines in enkele lijnopstelling of in meerdere lijnen geplaatst worden, zo staat in de Nota Ruimte verwoord. In het milieueffectrapport 'Windpark Noordoostpolder' - Algemeen Deel - van 1 oktober 2009, opgesteld door Pondera Consult, (hierna: het MER) staat dat het belang van windenergie in het bijzonder is gelegen in de bijdrage aan het beperken van de klimaatverandering, de transitie naar hernieuwbare energie en de vermindering van de afhankelijkheid van energie-exporterende landen. Uit het MER volgt dat het Rijk in het werkprogramma "Schoon en Zuinig" als ambitie heeft neergelegd om een aanzienlijk deel van het totale energieverbruik in Nederland in 2020 duurzaam te produceren. In het werkprogramma "Schoon en Zuinig" wordt als doel gesteld 2.000 MW windenergie op land extra te vergunnen in de periode tot en met
  84. Het windturbinepark is noodzakelijk om de kabinetsdoelstelling inzake de duurzame energievoorziening te kunnen halen. Niet alleen om reden van de omvang van het te installeren vermogen, maar eveneens omdat op deze locatie voor Nederland optimale windomstandigheden heersen en omdat de voorbereiding in samenwerking met de gemeente Noordoostpolder, de provincie Flevoland en initiatiefnemers reeds zodanig ver is gevorderd dat realisering in principe op korte termijn mogelijk is, zo staat in het werkprogramma. Het werkprogramma biedt een pakket maatregelen om in Nederland in 2020 één van de meest efficiënte en schone energievoorzieningen van Europa te bewerkstelligen. 2.17.
  85. De vraag of de ambities in het werkprogramma "Schoon en Zuinig", onder meer vanwege de gewijzigde economische omstandigheden, onhaalbaar zullen zijn, staat, wat daarvan ook zij, in deze procedure niet ter beoordeling. Van belang is dat niet aannemelijk is gemaakt dat de ministers als gevolg van gewijzigde economische omstandigheden op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat het rijksinpassingsplan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode. De enkele stelling dat in kritische rapporten wordt aangeven dat in het werkprogramma een te rooskleurige economische situatie is geschetst, is daartoe niet voldoende. De Afdeling overweegt voorts dat windenergie op land weliswaar onderdeel uitmaakt van het werkprogramma, maar dat het werkprogramma niet is bedoeld om specifieke locaties en capaciteiten te bepalen voor windenergie op land. Het betoog dat het plan in zoverre ten onrechte op het werkprogramma is gebaseerd, slaagt niet. Met het windturbinepark hebben de ministers beoogd een substantiële bijdrage te leveren aan de verduurzaming van de elektriciteitsvoorziening. Naast de in 2.17.
  86. genoemde beleidsdocumenten hebben zij in dit verband bij de vaststelling van het rijksinpassingsplan waarde mogen hechten aan de verplichtingen ingevolge richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG (hierna: de Richtlijn voor hernieuwbare energie). Ingevolge de Richtlijn voor hernieuwbare energie dient Nederland er immers voor te zorgen dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in 2020 minstens gelijk is aan 14%. Gelet op het vorenstaande geeft hetgeen appellanten aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers zich bij de vaststelling van het rijksinpassingsplan niet op de hiervoor genoemde uitgangspunten mochten baseren. 2.
  87. [appellant sub 8], Erfgoed Urk en [appellant sub 12] betwijfelen het nut en de noodzaak van het windturbinepark nu de precieze opbrengstcijfers niet bekend zijn. Een aantal appellanten betoogt dat de ministers de netto-opbrengsten aan windstroom overschatten. NKPW voert aan dat de stroomopbrengst van het windturbinepark uiterst gering is, aangezien het windturbinepark volgens NKPW slechts zal voorzien in 0,1% van de Nederlandse energieproductie. Volgens Gaasterlân zullen de windturbines slechts 0,2 tot 0,6% bijdragen aan de jaarlijkse energiebehoefte van Nederland. Volgens een aantal appellanten zijn de toegepaste berekeningsmethodieken onjuist omdat deze niet overeenkomen met de methodiek in de Richtlijn voor hernieuwbare energie. Voorts is volgens enkele appellanten onvoldoende rekening gehouden met verschillende negatieve effecten die het verschil tussen de bruto- en netto-opbrengsten vergroten. Zo is bijvoorbeeld onvoldoende rekening gehouden met het aspect windschaduw, waarbij een eerste rij windturbines windeffecten veroorzaakt die van invloed zijn op achterliggende windturbines, en evenmin met de verminderde opbrengst ten gevolge van de bij de binnendijkse windparken noodzakelijke stilstandvoorzieningen om onder andere slagschaduwhinder te beperken. Verder betogen enkele appellanten dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het zogenoemde brandstofbeslag, waaronder wordt verstaan het beslag dat windenergie legt op de capaciteit van centrales die worden gestookt met fossiele brandstoffen. Volgens Gaasterlân is minimaal één kolengestookte centrale nodig om pieken in het elektriciteitsnet op te vangen als het niet of nauwelijks waait. NKPW brengt ten slotte naar voren dat het goed mogelijk is dat het windturbinepark CO2 gaat genereren. 2.18.
  88. De ministers stellen zich op het standpunt dat het windturbinepark in zijn geheel maximaal 450 MW oplevert, hetgeen voor ongeveer 480.000 huishoudens stroom betekent. Volgens de ministers voorkomt het windturbinepark daarnaast jaarlijks de uitstoot van ongeveer 827 kiloton CO
  89. De Nederlandse methode voor het berekenen van hernieuwbare energie en de methode uit de Richtlijn voor hernieuwbare energie verschillen weliswaar van elkaar, maar de ministers benadrukken dat met het ingaan van het nieuwe regeerakkoord de Europese doelen leidend zijn. Volgens de ministers zijn de berekeningen dan ook in overeenstemming met de Richtlijn voor hernieuwbare energie. Het college van Flevoland stelt zich op het standpunt dat wel degelijk onderzoek is gedaan naar eventuele lagere opbrengsten als gevolg van stilstand van de windturbines. Dit verlies is niet dusdanig dat dit effect heeft op het rendement. 2.18.
  90. Ten behoeve van het MER is de verwachte productie en emissiereductie als gevolg van het windturbinepark berekend. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Onderzoek naar slagschaduwhinder van vijf windparken in de Noordoostpolder" van Van Grinsven Advies van maart
  91. In dit rapport staat dat onder meer aan de hand van verwachte windsnelheden en het Handboek Energieopbrengsten van windturbines een indicatieve berekening is gemaakt. De opbrengstberekeningen zijn gemaakt op basis van de lokale situatie waarbij met name de karakteristieken van de wind relevant zijn geacht. In het rapport zijn verschillende varianten onderzocht, uitgaande van verschillende soorten windturbines en het aantal windturbines in een park. Zo is een vergelijking gemaakt tussen de resultaten van windturbines in de kleine vermogensklassen (2-3 MW en 3-4 MW) en in de grote vermogensklasse (5-8 MW). Op de resultaten is een correctie toegepast, omdat rekening dient te worden gehouden met een onzekerheidsmarge, productieverlies door terugregeling om geluiduitstraling te beperken, stilstand om slagschaduwhinder te beperken en verlies door het zogenaamde parkeffect, zo staat in het rapport. In het rapport wordt geconcludeerd dat de varianten met de grootste turbines, ook al is het aantal turbines minder, de meeste groene stroom en de hoogste emissiereductie leveren. Volgens het MER kunnen de referentieturbines met het hogere rendement, gelet op de specifieke windsituatie ter plaatse, rond de 3.000 vollasturen of meer produceren. Het windturbinepark levert in de grootste variant groene stroom voor ongeveer 500.000 huishoudens en in de kleinste variant voor ongeveer 250.000 huishoudens. De opbrengsten in MWh/jaar zijn voor deze vermogensklassen berekend op onderscheidenlijk 1.127.603 MWh/jaar en 1.805.452 MWh/jaar. De vermeden primaire energie in GJ/jaar is berekend op onderscheidenlijk 4.059.371 GJ/jaar en 6.497.827 GJ/jaar. Voorts is de CO2-emissiereductie in Kton/jaar onderscheidenlijk 639 Kton/jaar en 1.021Kton/jaar en de vermeden zuurequivalenten onderscheidenlijk 18,6 Meq en 29,8 Meq. De meeropbrengst van de grote turbines ten opzichte van de kleine turbines is derhalve voor elk van deze aspecten ongeveer 38%. De vermeden emissies zijn evenredig aan de productie, zo wordt in het rapport geconcludeerd. In het MER staat ten slotte dat op basis van de resultaten van het uitgevoerde onderzoek kan worden gesteld dat wat betreft milieuwinst geen leemten in kennis bestaan die een verantwoorde besluitvorming in de weg staan. 2.18.
  92. De Afdeling stelt voorop dat de ramingen van de feitelijke opbrengsten naar hun aard inschattingen zijn. Dit betekent evenwel niet dat deze niet als uitgangspunt kunnen dienen. In het MER staat dat de milieuwinst enerzijds wordt bepaald met een algemene rekenregel volgens het zogenoemde Protocol Monitoring Duurzame Energie en anderzijds met behulp van berekeningen die rekening houden met de specifieke windopbrengst op de locatie in de Noordoostpolder. Ter zitting hebben de ministers onweersproken gesteld dat de opbrengstcijfers in het Protocol Monitoring Duurzame Energie en van het Centraal Bureau voor de Statistiek uitgaan van de huidige generatie windturbines. De ministers hebben ter zitting toegelicht dat de nieuwere generatie windturbines die langs de dijken van de Noordoostpolder zullen worden geplaatst groter zullen zijn en daarom hogere opbrengsten zullen leveren dan tot dusver behaald. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de ministers aldus de stelling van NKPW ter zitting, dat de voorgestelde stroomproductie uitgaat van een theoretisch maximale productie, genoegzaam gemotiveerd weerlegd. Verder hebben de ministers ter zitting gesteld dat als gevolg van de overheersende westelijke windrichtingen er in mindere mate windschaduw zal zijn. Appellanten hebben deze stelling niet weersproken. Voorts heeft De Koepel gesteld dat de stilstandvoorzieningen in verband met de slagschaduwen een zeer beperkt opbrengstverlies zullen veroorzaken, omdat slechts voor de binnendijkse windparken een stilstandvoorziening in verband met slagschaduwhinder noodzakelijk is. De Afdeling acht dit niet onaannemelijk. Voorts hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de stilstand van windturbines ten behoeve van het voorkomen van geluidhinder aanmerkelijke opbrengstverliezen tot gevolg zal hebben. Gelet hierop ziet de Afdeling niet in waarom onvoldoende rekening zou zijn gehouden met verminderde opbrengst ten gevolge van de noodzakelijke stilstandvoorzieningen dan wel andere negatieve effecten die het verschil tussen de bruto- en netto-opbrengsten vergroten. De Afdeling overweegt overigens dat uit het onderzoek blijkt dat in verband met voornoemde aspecten niettemin enige correctie op de opbrengstresultaten is toegepast. Ten aanzien van het aspect brandstofbeslag wordt overwogen dat De Koepel heeft gesteld dat het aandeel van het windturbinepark in de totale elektriciteitsproductie een verwaarloosbaar effect heeft op de prestaties van fossiele energiecentrales. De Afdeling ziet in het door appellanten aangevoerde geen aanleiding hieraan te twijfelen. Voor zover appellanten hebben verwezen naar opbrengstberekeningen van windparken in de Verenigde Staten en Ierland, is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat die situaties vergelijkbaar zijn met die van het onderhavige windturbinepark. De enkele stelling dat er geen reden valt aan te wijzen waarom dit verschijnsel in het onderhavige geval niet zou optreden, is daartoe onvoldoende. Het betoog van Gaasterlân en NKPW, dat het goed mogelijk is dat het windturbinepark bij afwezigheid van wind juist CO2 gaat genereren ten gevolge van het in bedrijf stellen van elektriciteitscentrales, is naar het oordeel van de Afdeling niet onderbouwd. Voor zover Gaasterlân nog heeft betoogd dat de windturbines slechts minimaal zullen bijdragen aan de jaarlijkse energiebehoefte van Nederland, overweegt de Afdeling dat wat daarvan verder ook zij, de ministers in dit geval in redelijkheid waarde hebben kunnen hechten aan de omstandigheid dat het windturbinepark een belangrijke bijdrage levert aan het behalen van de doelstellingen voor duurzame energie. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de ministers zich op grond van het MER en het bovengenoemde daaraan ten grondslag liggende onderzoek in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat inzicht bestaat in de rendementen van het windturbinepark en dat het nut met die rendementen voldoende vaststaat. 2.
  93. Voorts voert Gaasterlân aan dat is beoogd dat het project de Nederlandse economie zou stimuleren, maar dat desondanks nauwelijks arbeidsplaatsen worden gecreëerd. 2.19.
  94. In het MER staat dat de economische effecten onder meer bestaan uit de investering, waarbij voor een deel gebruik kan worden gemaakt van lokale bedrijvigheid voor de bouw van het windturbinepark, de participatiemogelijkheid bij het windturbinepark en het creëren van nieuwe werkgelegenheid voor onderhoud. Voorts staat in het MER dat onderhoud en reparatie per locatie ongeveer 1 à 2 directe arbeidsplaatsen kunnen opleveren en dat dit voor de vier windparken samen derhalve kan oplopen tot 5 à 10 arbeidsplaatsen. De Afdeling overweegt dat uit het MER volgt dat de realisatie van het windturbinepark positieve economische gevolgen heeft. Dat de positieve economische effecten naar de mening van Gaasterlân onvoldoende groot zijn, maakt niet dat de ministers deze positieve effecten niet in hun beoordeling hebben mogen betrekken. 2.
  95. Gelet op het al vorenstaande hebben de ministers in redelijkheid het nut en de noodzaak van het plan kunnen aannemen. 2.
  96. SWIJR, [appellant sub 12] en [appellant sub 20] voeren aan dat het draagvlak voor het voorziene windturbinepark ontbreekt. 2.21.
  97. De Afdeling is van oordeel dat de ministers zich, gelet op het overwogene onder 2.18.3, in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de realisatie van het windturbinepark in een behoefte voorziet en noodzakelijk is. Of voldoende draagvlak voor het plan bij de plaatselijke bevolking bestaat is in dit verband niet van doorslaggevende betekenis. Alternatieven 2.
  98. Verschillende appellanten hebben bezwaren aangevoerd ten aanzien van de keuze van de locatie van het windturbinepark en de beschouwing van de alternatieven voor het windturbinepark in het MER. Enkele van hen stellen dat het onderzoek naar alternatieven niet voldoet aan richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PB L 197 van 21 juli 2001, blz. 30; hierna: SMB-richtlijn) en de Wet milieubeheer. NKPW stelt dat bij de opwaardering van het oorspronkelijke besluit-MER naar een plan-MER ten onrechte de alternatieven niet grondig zijn onderzocht. Enkele appellanten betogen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar alternatieve locaties. Aangevoerd wordt dat heel Nederland in het alternatievenonderzoek in ogenschouw had moeten worden genomen. Voorts betogen verschillende appellanten dat ten onrechte de zee niet als mogelijke locatie is onderzocht. Zij stellen in dit verband dat windturbines op zee weliswaar duurder zijn, maar niet zo onevenredig duurder dat deze mogelijkheid niet als alternatief had moeten worden onderzocht. [appellant sub 7] en NKPW voeren aan dat het windturbinepark ook op kleinere schaal kan worden gerealiseerd of had kunnen worden opgesplitst. NKPW stelt dat buiten de natuurgebieden voldoende ruimte is voor het genereren van windenergie. Daarnaast voert [appellant sub 20] aan dat binnen de provincie Flevoland ten onrechte geen andere locaties zijn onderzocht. In dit kader betoogt [appellant sub 20] dat uit de alternatievenafweging in het MER blijkt dat op het punt van ecologie bijna alle alternatieve locaties beter scoren dan de gekozen locatie langs de Noordoostpolder. Bij de afweging van de alternatieven is volgens [appellant sub 20] in het MER ten onrechte eraan voorbij gegaan dat het IJsselmeer een Natura 2000-gebied is. Omdat een aantal kwalificerende soorten waarvoor het IJsselmeer is aangewezen in een ongunstige staat van instandhouding verkeert, had volgens [appellant sub 20] bij de afweging van de alternatieven een zwaarder gewicht aan het belang van dit Natura 2000-gebied moeten worden toegekend dan aan de overige betrokken belangen. [appellant sub 8] en Erfgoed Urk stellen dat de omstandigheid dat men gebonden is aan beleid of dat in de toekomst nog meer windparken zullen worden gerealiseerd - als dat al in een omvang als het onderhavige gebeurt - onvoldoende aanleiding geeft om het zoekgebied te beperken. Volgens NKPW zijn slechts particuliere belangen leidend geweest. [appellant sub 8] en Erfgoed Urk hebben de Afdeling in overweging gegeven om ten aanzien van het onderzoek naar alternatieve locaties in het MER prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie. Gaasterlân en NKPW stellen dat onvoldoende aandacht is besteed aan alternatieve manieren om op duurzame wijze energie op te wekken. Gaasterlân wijst ter onderbouwing van haar standpunt op de mogelijkheden om energie te genereren uit het spanningsverschil tussen zoet en zout water, ook wel osmose-energie, of door middel van zonnepanelen op daken. 2.22.
  99. Volgens de ministers is het alternatievenonderzoek in het MER en het rapport "Aanvulling MER windpark Noordoostpolder" van 2 maart 2010 (hierna: Aanvulling MER) in overeenstemming met de eisen die daaraan in de Wet milieubeheer en de SMB-richtlijn worden gesteld. De ministers stellen zich op het standpunt dat locaties die geschikt zijn om de doelstellingen voor windenergie op land uit het rijksbeleid te kunnen behalen, zoveel mogelijk dienen te worden benut. De dijken van de polders in het IJsselmeergebied behoren volgens de ministers tot die geschikte locaties. Gelet op deze doelstelling vallen alternatieven die betrekking hebben op andere bronnen van duurzame energie en windenergie op zee reeds af, aldus de ministers. Voorts stellen de ministers zich op het standpunt dat in het MER en in de Aanvulling MER een uitgebreide toelichting is opgenomen van de wijze waarop de locatieafweging voor dit windturbinepark heeft plaatsgevonden. Daarbij stellen de ministers zich op het standpunt dat het onderzoek naar de alternatieven die in het kader van het MER wordt uitgevoerd niet ertoe verplicht om te kiezen voor het alternatief dat uit het oogpunt van de natuur het beste scoort. Het voorzorgsbeginsel uit de Habitatrichtlijn vereist volgens de ministers ook niet dat wordt gekozen voor het alternatief dat een Natura 2000-gebied het minste aantast. Daarnaast voeren de ministers aan, onder verwijzing naar de Aanvulling MER, dat windenergie momenteel aantrekkelijker is dan andere bronnen van energie en dat windenergie op zee niet als redelijk alternatief kan worden aangemerkt. Voorts bestaat volgens de ministers voor een windpark met een opgesteld vermogen van 450 MW slechts ruimte in de provincie Flevoland, zodat andere alternatieven op nationaal niveau bezien, daaronder eveneens de kustzones begrepen, niet aanwezig zijn. 2.22.
  100. In de Wet milieubeheer en het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: Besluit m.e.r. 1994) wordt onderscheid gemaakt tussen een m.e.r. voor plannen en een m.e.r. voor besluiten. Het MER dat is opgesteld, dient als onderlegger voor het rijksinpassingsplan en de verschillende milieuvergunningen voor de windturbines. Het MER dient aldus te worden beschouwd als een zogenoemd gecombineerd MER. De Afdeling heeft de beroepen voor zover deze betrekking hebben op alternatieven aldus opgevat dat appellanten menen dat het MER in strijd is met de Wet milieubeheer, voor zover het ziet op een m.e.r. voor plannen. 2.22.
  101. Ingevolge artikel 7.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, zoals dit luidde ten tijde van belang, bevat een milieueffectrapport, indien het milieueffectrapport betrekking heeft op een plan, een beschrijving van de voorgenomen activiteit, alsmede van de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven. 2.22.
  102. In het MER is een onderbouwing van de keuze voor de onderhavige locatie van het windturbinepark langs de dijken van de Noordoostpolder gegeven. Als alternatieven zijn daarbij verschillende inrichtings- en uitvoeringsvarianten met elkaar vergeleken. 2.22.
  103. Naar aanleiding van opmerkingen van de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: Commissie m.e.r.) en uitgebrachte zienswijzen is in de Aanvulling MER beoogd het MER op enkele punten te verduidelijken en aan te vullen. De Commissie m.e.r. heeft vervolgens in haar toetsingsadvies geoordeeld dat in het MER, op basis van de gewenste omvang van het windturbinepark, mogelijke locaties in en om het IJsselmeer zijn onderzocht op hun milieueffecten. Voorts staat in het toetsingsadvies dat de milieubeoordeling en de wettelijke en beleidskaders hebben geleid tot de locatie langs de dijken van de Noordoostpolder. De Commissie m.e.r. kan zich, naar zij stelt, voor dit specifieke project vinden in deze aanpak, omdat de gekozen locatie reeds is vastgelegd in een aantal beleidsstukken, waaronder de Nota Ruimte, en in het door het kabinet vastgestelde Nationale Waterplan, maar ook omdat de nationale doelstellingen betreffende windenergie in 2007 dermate zijn verhoogd dat verschillende geschikte windlocaties gebruikt zullen moeten worden voor energieopwekking. De Commissie m.e.r. is tot slot van oordeel dat in het MER en de aanvulling tezamen de essentiële informatie aanwezig is voor de besluitvorming over het rijksinpassingsplan. 2.22.
  104. De Afdeling overweegt dat, omdat de SMB-richtlijn thans in de Nederlandse wetgeving is omgezet, de doorwerking van die richtlijn in beginsel plaatsvindt via het nationale recht. De SMB-richtlijn kan niettemin van belang zijn voor de interpretatie van een nationale bepalingen die strekken ter implementatie van de SMB-richtlijn. Voor de interpretatie van artikel 7.10, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer acht de Afdeling in het onderhavige geval artikel 5, eerste lid, van de SMB-richtlijn relevant. Ingevolge dit artikel, voor zover hier van belang, moet ingeval een milieubeoordeling op grond van de SMB-richtlijn is vereist, een milieurapport worden opgesteld, waarin de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van de uitvoering van het plan alsmede van redelijke alternatieven, die rekening houden met het doel en de geografische werkingssfeer van het plan, worden bepaald, beschreven en beoordeeld. De SMB-richtlijn zegt niet wat wordt bedoeld met een "redelijk alternatief" voor een plan of programma. De Afdeling ziet in het 'guidance document' "Uitvoering van Richtlijn 2001/42 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's" (hierna: de Handleiding) van de Europese Commissie - welke is bedoeld om de lidstaten een handleiding te verschaffen om te garanderen dat de SMB-richtlijn zo consistent mogelijk wordt geïmplementeerd en toegepast - aanknopingspunten voor de uitleg van dit begrip. Zo bevestigt de Handleiding het bepaalde in artikel 5, eerste lid, van de SMB-richtlijn dat wanneer een beslissing wordt genomen over mogelijke redelijke alternatieven allereerst moet worden gekeken naar de doelstellingen en de geografische reikwijdte van het plan of programma. Tevens staat in de Handleiding dat de gekozen alternatieven realistisch moeten zijn. 2.22.
  105. De Afdeling stelt voorop dat het antwoord op de vraag welke alternatieven in een plan-MER redelijkerwijs in beschouwing moeten worden genomen, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. 2.22.
  106. Als uitgangspunt van het plan is genomen het voornemen van de initiatiefnemer een grootschalig windpark van maximaal 450 MW langs de dijken van de Noordoostpolder te realiseren. In het MER staat dat het Rijk in 2007 het Windpark Noordoostpolder heeft betiteld als een project van nationaal belang. Tussen partijen is niet in geschil dat het plan een nationale geografische reikwijdte heeft. 2.22.
  107. Pas wanneer met de uitvoering van een bepaald alternatief kan worden beantwoord aan de doelstelling van de initiatiefnemer, kan sprake zijn van een redelijkerwijs in ogenschouw te nemen alternatief. De Afdeling overweegt ten aanzien van het alternatief voor het windturbinepark om windenergie op zee te realiseren, dat de ministers waarde hebben mogen hechten aan de omstandigheid dat het initiatief specifiek is gericht op het produceren van windenergie op het land. Gelet op het uitgangspunt van het plan acht de Afdeling het voorts niet onredelijk dat in de locatieselectie zoals weergegeven in de Aanvulling MER, de potentie voor het opstellen van een grootschalig windpark van maximaal 450 MW per provincie is onderzocht. In zoverre behoefden de ministers evenmin waarde te hechten aan het betoog dat het windturbinepark ook op kleinere schaal kan worden gerealiseerd of kan worden opgesplitst. Voor zover binnen de provincie Zuid-Holland wel voldoende ruimte aanwezig was voor het realiseren van een windpark met een dergelijke grootte, overweegt de Afdeling dat de ministers, gelet op de omstandigheid dat in deze provincie een voornemen bestaat om op de Maasvlakte een windpark met 120 MW aan vermogen te realiseren, deze provincie in redelijkheid niet nader op potentiële alternatieve locaties behoefden te onderzoeken. In de locatieselectie in het MER is nader ingegaan op locaties in en om het IJsselmeer en in de Noordoostpolder. Daarbij is een aantal locaties onderzocht op de aspecten landschap, ecologie, milieuwinst, hinder en archeologie. Uit het MER volgt dat gelet op de locatieselectie een locatie langs de dijken van de Noordoostpolder de voorkeur verdient voor de realisatie van een windpark van ongeveer 450 MW. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de ministers genoegzaam aangetoond dat slechts een locatiealternatief, namelijk de locatie langs de dijken van de Noordoostpolder, redelijkerwijs in het MER diende te worden beschouwd. In dit verband is van belang dat geen van de appellanten de conclusies in de onderbouwing van de locatieselectie gemotiveerd heeft betwist. Voorts hebben de ministers, gelet op de in overweging 2.17.3 genoemde Europese doelstelling om in 2020 het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen minstens gelijk te laten zijn aan 14%, van belang mogen achten dat de onderhavige locatie in de Noordoostpolder vergeleken met de andere locaties op een kortere termijn is te ontwikkelen. In tegenstelling tot hetgeen [appellant sub 8] en Erfgoed Urk hebben aangevoerd, volgt uit het vorenstaande dat bij de locatieselectie niet slechts beleidsmatige overwegingen een rol hebben gespeeld. Dit neemt niet weg dat de ministers wel waarde hebben mogen hechten aan de omstandigheid dat de gekozen locatie in overeenstemming is met de Nota Ruimte en het Nationale Waterplan. Gelet op het vorenstaande hebben de ministers zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er, rekening houdend met de doelstellingen en de geografische reikwijdte van het plan, noch op landelijk niveau noch elders in de provincie Flevoland, realistische locatiealternatieven waren die in het plan-MER redelijkerwijs in beschouwing hadden moeten worden genomen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het beschouwen van slechts één locatiealternatief in het MER in het onderhavige geval in strijd met de SMB-richtlijn dan wel de Wet milieubeheer is. De Afdeling ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie - zoals door [appellant sub 8] en Erfgoed Urk is aangedragen - nu redelijkerwijs geen grond bestaat voor twijfel, of de uitleg van het begrip redelijke alternatieven in overeenstemming is met de SMB-richtlijn, die tot het stellen van prejudiciële vragen noopt. 2.22.
  108. De ministers behoefden gelet op het vorenstaande, anders dan SRH, [appellant sub 17] en [appellant sub 21] stellen, voorts geen aanleiding te zien om de realisatie van het plan op deze locatie op te schorten en aansluiting te zoeken bij de lange-termijnverkenning van het Rijk, IPO en VNG naar de doorgroei van windenergie op land voor in totaliteit minimaal 6000 MW. 2.22.
  109. De ministers stellen zich terecht op het standpunt dat uit artikel 7.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer noch uit de Vogel- en Habitatrichtlijn volgt dat bij de afweging van de alternatieven die in beschouwing zijn genomen in het MER, aan de scores die betrekking hebben op een Natura 2000-gebied een doorslaggevend gewicht dient te worden toegekend ten opzichte van de andere belangen - landschap, milieuwinst, hinder en archeologie - die een rol spelen bij de onderlinge weging van de alternatieven. Anders dan [appellant sub 20] betoogt, betekent de omstandigheid dat alternatieve locaties in de Noordoostpolder beter scoren op het punt van ecologie derhalve niet dat de ministers reeds hierom niet in redelijkheid voor de locatie langs de dijken van de Noordoostpolder konden kiezen. 2.22.
  110. Ten aanzien van de voorgestelde alternatieven voor andere vormen van duurzame energiebronnen, zoals zonne-elektriciteit of osmose-energie, overweegt de Afdeling als volgt. Daargelaten de omstandigheid dat de realisatie van andersoortige energiebronnen niet aansluit bij de doelstelling van de initiatiefnemer, stelt de Afdeling vast dat in de Aanvulling MER niettemin is ingegaan op de mogelijke opbrengsten van deze energiebronnen bij situering nabij de Afsluitdijk en de bijbehorende kosten. In het MER wordt aangesloten bij onderzoek van ECN uit 2009, waarin wordt geconcludeerd dat windenergie in de omgeving van de Afsluitdijk een relatief groot potentieel heeft van 225-450 MW en nauwelijks duurder zou zijn dan conventioneel opgewekte elektriciteit (6-7 ct/kWh in 2020). Ten aanzien van zonne-elektriciteit wordt het potentieel geschat op 8-10 MW, terwijl de kosten geschat worden op 20-25 ct/kWh in
  111. Wat betreft de mogelijkheid van osmose energie wordt het potentieel geschat op 200 MW en zullen de kosten in 2020 ongeveer 10-20 ct/kWh bedragen. Over osmose-energie wordt opgemerkt dat de techniek zich nog in een onderzoeks- en ontwikkelingsstadium bevindt. Gelet op het gegeven dat wind voldoende beschikbaar is in Nederland (vollasturen en windsnelheid), windenergie in omvang en kostprijs het aantrekkelijkst is en gelet op de omstandigheid dat de technologie om windenergie op te wekken zich in een vergevorderd stadium bevindt, is in het MER geconcludeerd dat andere bronnen dan windenergie thans geen redelijk alternatief zijn voor het initiatief. Appellanten hebben de resultaten van het uitgevoerde onderzoek naar de alternatieve vormen van energieopwekking niet betwist, noch aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek ondeugdelijk is. Gelet hierop ziet de Afdeling in het door appellanten aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat alternatieve vormen van energieopwekking ten onrechte niet als redelijk alternatief in het MER zijn betrokken. Landschappelijke aspecten Aantasting landschap en visualisaties 2.
  112. NKPW en [appellant sub 20] voeren aan dat in het MER onvoldoende rekening is gehouden met het karakter en de waarde van het bestaande landschap rondom Urk. Het gaat hierbij om het open, niet verstoorde vergezicht van het IJsselmeer, het weidse landschap, de doorgaande horizon en de uitgestrekte luchten. Daarnaast zal volgens [appellant sub 8] door het plan de huidige kustlijn met de beeldbepalende vuurtoren van Urk worden aangetast. Een aantal appellanten betoogt daarbij dat de visualisaties van het toekomstige windturbinepark in het MER een onjuiste weergave van de werkelijkheid zullen geven en de visuele effecten van het windturbinepark op het aangezicht van Urk en de omgeving derhalve onvoldoende zijn onderzocht en afgewogen. Hiertoe voeren zij aan dat in het MER ten onrechte is uitgegaan van windturbines uit de 2-3 MW klasse als referentie, terwijl het plan uitgaat van windturbines in de 7,5 MW klasse. [appellant sub 8] stelt dat uit visualisaties die in zijn opdracht zijn vervaardigd door Centraal Bureau Bouwtoezicht (hierna: CBB) blijkt dat de visualisaties die behoren bij het MER een te rooskleurig beeld geven van de toekomstige situatie. Verder voert [appellant sub 8] aan dat ten onrechte visualisaties van de effecten van het windturbinepark op het aangezicht van Urk vanaf het IJsselmeer ontbreken. Tevens betogen [appellant sub 8] en [appellant sub 12] dat ten onrechte visualisaties van het windturbinepark bij nacht ontbreken. Volgens [appellant sub 8] zal door de toplichten op de windturbines ook 's nachts het windturbinepark duidelijk zichtbaar zijn en deze lichten de indruk wekken van omvangrijke bebouwing. Daarnaast voert een aantal appellanten aan dat het windturbinepark leidt tot horizonvervuiling vanwege de lichtbronnen die op de windturbines zullen worden aangebracht. Volgens hen is hier, mede gezien het beoogde aantal windturbines, ten onrechte geen onderzoek naar gedaan. 2.23.
  113. De ministers stellen zich op het standpunt dat de beschrijvingen, visualisaties, 'viewsheds' en de beoordeling van de visuele invloed voldoende informatie bieden over de effecten op landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken voor de besluitvorming. Hierbij merken zij op dat naar aanleiding van het vooroverleg over het ontwerp-rijksinpassingsplan en de reacties op het MER rekening is gehouden met de maatschappelijke en cultuurhistorische waarden van Urk door op de locatie Westermeerdijk buitendijks aan zeven van de aangevraagde windturbines het dichtst bij Urk geen planologische medewerking te verlenen. Hiermee wordt deels tegemoet gekomen aan de weidse zichten over het water vanaf de dijk en vanuit Urk. Verder is volgens de ministers hierdoor de flankering van Urk door de voorziene windturbines enigszins afgenomen en zal de 'skyline' van Urk vanaf het IJsselmeer, komend vanuit het noorden, minder schuil gaan achter de lijnopstellingen van het middelste deelgebied. De ministers stellen zich voorts op het standpunt dat in het MER en in de Aanvulling MER visualisaties zijn opgenomen van het windturbinepark vanuit verschillende locaties op Urk en kijkend naar Urk. Daarbij is in de Aanvulling MER een nadere visualisatie gegeven van de impact van het windturbinepark. Volgens de ministers onderschrijft de Commissie m.e.r. op basis van de stukken en een locatiebezoek dat het MER de visuele invloed op Urk goed in beeld brengt. Voorts heeft De Koepel in de Aanvulling MER specifiek voor de effecten op Urk van verschillende standpunten visualisaties bij elkaar geplaatst op groter formaat. Tevens is vanaf elke locatie een visualisatie beschikbaar die uitgaat van de maximale variant. Binnendijks betreft dat een windturbine met een ashoogte van 135 meter en een rotordiameter van 127 meter. De Commissie m.e.r. bevestigt in haar advies de bevindingen in het MER op dit punt en de deugdelijkheid van de visualisaties is gecontroleerd door de TU Delft, aldus de ministers. Met betrekking tot verlichting stellen de ministers zich op het standpunt dat windturbines hoger dan 150 meter moeten zijn voorzien van luchtvaartverlichting. Deze verlichting, waarbij onderscheid is tussen dag- en nachtverlichting, bestaat uit een licht op de gondel dat is geplaatst op een horizontale schijf om uitstraling naar beneden te voorkomen. Volgens de ministers vindt geen directe lichtuitstraling plaats naar woningen in de omgeving. Op grotere afstand zullen deze lichten als puntbronnen zichtbaar zijn. Het betreft puntbronnen met een grote onderlinge afstand van minimaal ongeveer 800 meter die in de nachtperiode niet leiden tot een aantasting van de duisternis. Er zal volgens de ministers geen verlichting van de lucht in de vorm van zogenoemde 'airglow' optreden. In het kader van de horizonvervuiling brengen de ministers naar voren dat de verlichting op de toekomstige windturbines een beperkte mate van licht toevoegt aan het licht afkomstig van de reeds bestaande lichtbronnen zoals de vuurtoren op Urk, straatverlichting en sluizen. 2.23.
  114. Ten aanzien van de gestelde onvoldoende aandacht voor de gevolgen voor het landschap overweegt de Afdeling als volgt. De Commissie m.e.r. heeft geen aanvulling gevraagd op het punt van de aantasting van landschap. De Commissie m.e.r. concludeert dat het MER en de aanvulling daarop een goed beeld geven van het aangezicht en de zichtbaarheid van het windturbinepark. De Commissie m.e.r. constateert dat het MER hiermee voldoende (beeld)materiaal bevat om een indruk te geven van de effecten van het windturbinepark op het grootschalige, open landschap. De Commissie m.e.r. constateert dat het rechtstreekse zicht op Urk vanaf het IJsselmeer en de Ketelbrug weliswaar geflankeerd zal worden door windturbines, maar dat Urk wel ongehinderd zichtbaar blijft. Door de maat, schaal en uitstraling van de windturbines in de nabijheid van het dorp zal de beleving van Urk, en daarmee het markante beeld van het dorp, wel wijzigen. Het MER brengt dit naar het oordeel van de Commissie m.e.r. duidelijk in beeld. In het MER wordt geconcludeerd dat door de grote onderlinge afstand tussen de windturbines het landschap zijn open en ruime karakter in zekere zin zal behouden en dat het zicht op de kustlijn van Urk maar in een beperkt gebied wordt belemmerd door de windturbines. Wat betreft het zicht op de vuurtoren van Urk, blijkt uit de figuren op bladzijde 213 van het MER dat het windturbinepark met name vanuit noordwestelijke richting - vanaf het IJsselmeer en vanuit een deel van zuidelijk Friesland - het zicht op de vuurtoren van Urk gedeeltelijk ontneemt. Vanuit de overige delen van het IJsselmeer en noordelijk Flevoland blijft de vuurtoren wel goed zichtbaar. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat aan de gevolgen van het plan voor het landschap rondom Urk en de vuurtoren op Urk onvoldoende aandacht is besteed in het MER. 2.23.
  115. Met betrekking tot de gestelde onjuistheid van de visualisaties in het MER, constateert de Afdeling dat in paragraaf 7.3 van het MER zowel een windturbine uit de 2-3 MW klasse met een ashoogte van 100 meter en een rotordiameter van 82 meter als een windturbine uit de 6 MW klasse met een ashoogte van 135 meter en een rotordiameter van 127 meter is vermeld als referentie. Deze hoogte voor de referentiewindturbines komt overeen met de maximale bouwhoogte van 135 meter die het rijksinpassingsplan toestaat. De visualisaties die zijn gemaakt ten behoeve van het MER geven voor elk van de gekozen 37 fotolocaties een indruk van windturbines van de 2 MW klasse oplopend tot de klasse 6 MW. De Afdeling kan derhalve het betoog dat in het MER van een onjuist formaat voor de toekomstige windturbines is uitgegaan, niet volgen. Blijkens bijlage H2 van het MER zijn de gemaakte visualisaties onderzocht door de faculteit Bouwkunde van de TU Delft. Daarin is vermeld dat de gehanteerde software een accuraat beeld genereert en wordt geconcludeerd dat de visualisaties een realistische weergave zijn van de werkelijkheid, waarbij specifiek - maar niet uitsluitend - is gelet op de schaal ten opzichte van de omgeving. De door [appellant sub 8] overgelegde visualisaties die zijn gemaakt door CBB geven geen aanleiding om aan de visualisaties behorende bij het MER te twijfelen, nu niet inzichtelijk is gemaakt op welke invoergegevens en welke programmatuur de door CBB gemaakte visualisaties zijn gebaseerd. Daarbij is ook van belang dat de visualisaties behorende bij het MER en de visualisaties gemaakt door CBB niet dusdanig van elkaar afwijkende afbeeldingen opleveren dat dit aanleiding geeft om aan de visualisaties behorende bij het MER te twijfelen. Anders dan [appellant sub 8] betoogt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat visualisaties vanaf het IJsselmeer richting Urk ontbreken in het MER, aangezien vanaf 37 locaties op en rondom het IJsselmeer en op Urk visualisaties zijn gemaakt in verschillende richtingen. Gelet op het voorgaande hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de visualisaties behorende bij het MER een onjuist beeld geven van de toekomstige situatie en dat de visuele effecten van het windturbinepark op het aangezicht van Urk en het omliggende landschap zijn onderschat in het MER. 2.23.
  116. Ten aanzien van het ontbreken van visualisaties bij nacht ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen reden om de ministers niet te volgen in hun standpunt dat - gezien de onderlinge afstand tussen de windturbines -geen verlichting van de lucht zal optreden noch het gestelde effect van een omvangrijk gebouw zal optreden en dat derhalve het opnemen in het MER van visualisaties van het windturbinepark bij nacht niet noodzakelijk is. In dit kader is van belang dat niet alle windturbines zullen worden voorzien van dag- en/of nachtverlichting. In het deskundigenbericht is vermeld dat vanwege de luchtvaart de helft van de binnendijkse windturbines - 21 in totaal - zal worden voorzien van nachtverlichting in de vorm van een toplicht en verlichting halverwege de mast en dat vier van de buitenste buitendijkse windturbines zullen worden voorzien van nachtverlichting in de vorm van een toplicht, maar daarop geen mastverlichting zal worden aangebracht. Tevens zal vanwege de scheepvaart op de vijf buitenste buitendijkse windturbines nautische verlichting - bestaande uit drie lampen - aan de voet van de mast worden aangebracht. De mastverlichting en de nautische verlichting zullen een intensiteit hebben die het equivalent is van een gloeilamp van ongeveer 40 Watt. Volgens het deskundigenbericht zullen de toplichten 's nachts weinig uitstraling naar de omgeving hebben. De toplichten zullen waarschijnlijk wel van grote afstand zichtbaar zijn en daarmee de contouren van het windturbinepark gedurende de nacht enigszins accentueren, maar van een overheersende visuele aantasting zal geen sprake zijn vanwege het aantal toplichten en de grote afstand tussen de toplichten. De mastlichten kunnen volgens het deskundigenbericht een grotere zichtbaarheid hebben, maar gezien de geringe intensiteit daarvan en de grote afstand ertussen zal geen sprake zijn van aantasting van de duisternis. [appellant sub 8] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de verlichting het windturbinepark 's nachts de indruk zal wekken van omvangrijke bebouwing. Hierbij is van belang dat 60 van de in totaal 86 windturbines geen enkele vorm van nachtverlichting zullen hebben, de intensiteit van de nachtverlichting op de masten niet erg groot is en dat de afstand tussen de nachtverlichting in de vorm van toplichten en mastverlichting op de binnendijkse windturbines relatief groot zal zijn. Wat betreft dit laatste aspect is niet weersproken dat de afstand tussen de nachtverlichting op de binnendijkse windturbines ongeveer 1 kilometer zal bedragen, doordat bij de binnendijkse windturbines op elke tweede windturbine zowel het toplicht als de mastverlichting wordt aangebracht en in het plan een onderlinge afstand tussen de windturbines zal worden aangehouden van ongeveer 500 meter. Voorts leidt het plan naar het oordeel van de Afdeling weliswaar tot enige mate van horizonvervuiling, maar gezien de beperkte verlichting die op de windturbines zal worden aangebracht, de aanzienlijke afstanden daartussen alsmede de bestaande lichtbronnen in de omgeving, is dit niet zodanig dat naar de effecten hiervan in het MER onderzoek had moeten worden gedaan. 2.23.
  117. Naar het oordeel van de Afdeling kan niet worden ontkend dat gezien het aantal en de hoogte van de windturbines waarin het plan voorziet er een nadelig ruimtelijk effect op het landschap zal zijn, waaraan in het MER op een juiste en voldoende wijze aandacht is besteed. De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aantasting van het landschap - bij dag en nacht - niet zodanig zal zijn dat hieraan bij de afweging van de belangen een groter gewicht had moeten worden toegekend dan aan de belangen die met de realisering van het rijksinpassingsplan zijn gemoeid. Nota Ruimte, kernwaarden IJsselmeer en Nationaal Waterplan 2009-2015 2.
  118. Een aantal appellanten voert aan dat het plan in strijd is met de Nota Ruimte, omdat het leidt tot omheining van het IJsselmeer. De onderbreking van 1,4 kilometer bij Urk is volgens hen niet voldoende om een omheiningseffect te voorkomen. Voorts betoogt een aantal appellanten dat het plan de kernwaarden van het gebied aantast, te weten de openheid, de duisternis en de rust in het IJsselmeergebied. Daarnaast voert SWIJR aan dat het plan in strijd is met het Nationaal Waterplan 2009-2015 (hierna: het Nationaal Waterplan), omdat het plan de ruimtelijke kwaliteit aantast en een inbreuk wordt gemaakt op het voornemen van het Rijk om de ruimtelijke kwaliteit van het IJsselmeergebied te waarborgen. 2.24.
  119. De ministers stellen zich op het standpunt dat zowel in de Nota Ruimte als in de Integrale visie IJsselmeergebied 2030 wordt aangegeven dat ontwikkelingen in het landschap zeker mogelijk zijn, als rekening wordt gehouden met bestaande kwaliteiten. Volgens de ministers zal plaatsing van de windturbines langs de Noordoostpolder leiden tot een verandering in de beleving van het bestaande landschap. Die veranderingen kunnen positief - versterken van structuur en oriëntatie - of negatief - effect op openheid, rust en zichtbaarheid - zijn. Met deze bestaande kwaliteiten wordt rekening gehouden door de negatieve effecten duidelijk te beperken, onder andere door de windturbines zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen wat betreft vormgeving, draairichting en kleurstelling. Voorts stellen de ministers zich op het standpunt dat vanwege de grote onderlinge afstanden tussen de windturbines en de schaal van zowel het IJsselmeer als het voorliggende plan, het gevaar van omheining vrijwel nihil is te noemen. Indien het windturbinepark vanaf een grotere afstand vanaf het IJsselmeer bezien wordt, wordt ook de schaal van de turbines evenredig kleiner, waardoor ook het effect op het landschap kleiner wordt. Bovendien zal door het gat van ruim 1400 meter bij de Westermeerdijk en Noordermeerdijk van omheining geen sprake zijn, aldus de ministers. 2.24.
  120. Met betrekking tot de Nota Ruimte en wat daarin is opgenomen omtrent de locaties voor nieuwe windparken wordt kortheidshalve verwezen naar hetgeen onder 2.17.2 is vermeld. Daar wordt hier aan toegevoegd dat tevens in de Nota Ruimte is vermeld dat plaatsing van windturbines bij de Houtribdijk ongewenst is gelet op de doelstelling van behoud van de open horizon van het IJsselmeergebied. Om dezelfde reden en gelet op de externe werking van het Waddenzeebeleid is plaatsing bij de Afsluitdijk eveneens ongewenst volgens de Nota Ruimte. In de 'Integrale visie IJsselmeergebied 2030' is vermeld dat de grote wateren in het IJsselmeergebied vanwege de aanwezige wind zich lenen voor de plaatsing van windturbines. In beginsel kan de ruimte voor aanleg van windparken in het gebied worden geboden aan de randen van het open water. Op basis van een integrale afweging voor het IJsselmeergebied kunnen locaties voor windturbines uitsluitend worden gezocht nabij de nieuwe dijken. Windturbines kunnen op de beoogde locaties zowel in het water in de nabijheid van de nieuwe dijk als op het land worden geplaatst. De vormgeving en opstelling van windturbines dienen het strakke karakter van de dijken zoveel mogelijk te versterken. De windturbines moeten zo dicht mogelijk bij de dijken worden geplaatst en het visuele effect van een omheining dient te worden vermeden. In de Integrale Visie IJsselmeergebied 2030 wordt een aantal locaties expliciet uitgesloten van plaatsing van windturbines, te weten de Houtribdijk, de Oostvaardersdijk, het Ketelmeer en de randmeren. 2.24.
  121. Gezien het bovenstaande stellen de ministers zich terecht op het standpunt dat de Nota Ruimte en de Integrale Visie IJsselmeergebied 2030 zich niet verzetten tegen de komst van het windturbinepark langs de dijken van de Noordoostpolder, aangezien de gekozen locatie niet is aangemerkt als een van de locaties waarvan uitdrukkelijk is bepaald dat daar geen windturbines mogen worden geplaatst. Voorts is de Afdeling van oordeel dat aan de randvoorwaarden voor het plaatsen van windturbines die worden genoemd in de Nota Ruimte en de Integrale Visie IJsselmeergebied 2030 is voldaan. Wat betreft het aspect dat geen 'omheining' van het IJsselmeer mag plaatsvinden, ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat gezien de schaal van het landschap en de onderlinge afstand tussen de windturbines, het effect van 'omheining' van het IJsselmeer niet zodanig zal zijn dat hieraan bij de belangenafweging een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend. Wat betreft de gestelde strijd van het rijksinpassingsplan met het Nationaal Waterplan stelt de Afdeling vast dat blijkens kaart 20 die bij het Nationaal Waterplan hoort, de Noordermeerdijk, de Zuidermeerdijk en de Westermeerdijk van de Noordoostpolder zijn aangemerkt als zoeklocatie voor windturbines, zodat het rijksinpassingsplan binnen dit beleid past en het betoog van SWIJR faalt. Cultuurhistorie en beschermd dorpsgezicht Urk 2.
  122. Een aantal appellanten betoogt dat het plan leidt tot aantasting van het beschermde dorpsgezicht van Urk. Hiertoe voeren zij aan dat het windturbinepark weliswaar buiten de begrenzing ligt van het gebied dat is aangewezen als beschermd dorpsgezicht, maar dat ook ruimtelijke ontwikkelingen daarbuiten tot aantasting van het beschermde dorpsgezicht kunnen leiden. Zij wijzen daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2010 in zaak nr. 200905912/1/R
  123. Daarnaast voert een aantal appellanten aan dat het plan leidt tot aantasting van de cultuurhistorische waarden van Urk. In dit kader wijzen zij op de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg van 28 september 2009, waarin volgens hen staat dat meewegen van cultuurhistorische waarden niet voldoende is, maar dat een integrale afweging moet plaatsvinden van alle belangen die een effect hebben op de kwaliteit van de ruimte en dat cultuurhistorie één van die belangen is. 2.25.
  124. De ministers stellen zich op het standpunt dat een afweging heeft plaatsgevonden tussen het belang van het beschermde dorpsgezicht en het belang dat gediend is met het verantwoord winnen van windenergie op deze plek. De afstand van de windturbines ten opzichte van Urk is, de belangen afwegend, volgens de ministers verantwoord. Het beschermd dorpsgezicht richt zich op het behoud van het uiterlijk aanzien van de bebouwing binnen het gebied dat de status van beschermd dorpsgezicht is toegekend. De windturbines liggen buiten de contour van dit beschermde gebied. Wat betreft de aangehaalde uitspraak van de Afdeling stellen de ministers zich op het standpunt dat daaruit kan worden afgeleid dat ruimtelijke plannen buiten het beschermde dorpsgezicht daarop van invloed kunnen zijn, maar dat dit niet betekent dat de plannen niet kunnen worden gerealiseerd. Uit de aangehaalde uitspraak volgt volgens de ministers dat als ruimtelijke plannen buiten het beschermde dorpsgezicht invloed kunnen hebben op het beschermde dorpsgezicht, dit expliciet in de beoordeling dient te worden betrokken en dat is volgens de ministers ook gebeurd. Vanwege de bijzondere cultuurhistorische status van Urk is ook besloten om 7 windturbines langs de Westermeerdijk die het dichtst bij Urk waren voorzien uit het plan te halen, aldus de ministers. 2.25.
  125. In het MER is vermeld dat de afstand van de windturbines tot de rand van de bebouwde kom van Urk meer dan 1.600 meter bedraagt, hetgeen niet wordt bestreden. Evenmin is weersproken dat 7 windturbines die ten noordoosten van Urk langs de Westermeerdijk waren voorzien uit het ontwerpplan zijn gehaald vanwege het cultuurhistorische aanzicht van Urk. Ten aanzien van de aangehaalde uitspraak van 4 mei 2010 in zaak nr. 200905912/1/R3, overweegt de Afdeling dat uit die uitspraak niet volgt dat ruimtelijke ontwikkelingen die buiten de begrenzing van een gebied liggen dat is aangewezen als beschermd dorpsgezicht, maar die een aantasting vormen van dat beschermd dorpsgezicht, als gevolg hiervan niet kunnen doorgaan. De door de ministers voorgestane uitleg van deze uitspraak is juist, namelijk dat deze aantasting van het beschermde dorpsgezicht uitdrukkelijk in de afweging van alle belangen dient te worden betrokken bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Met betrekking tot de Beleidsbrief Modernisering van de Monumentenzorg (kamerstukken II, 2009/10, 32 15, nr. 1) overweegt de Afdeling dat uit deze brief blijkt dat bij ruimtelijke plannen wat betreft cultuurhistorische waarden een zichtbare afweging dient plaats te vinden bij de vaststelling van een plan. Voor zover wordt betoogd dat aan de cultuurhistorische waarden en het beschermde dorpsgezicht van Urk bij deze afweging een doorslaggevend gewicht dient te worden toegekend, is voor dat standpunt geen aanknopingspunt te vinden in de eerdergenoemde beleidsbrief. Het belang van de cultuurhistorische waarden en het beschermde dorpsgezicht dienen te worden afgewogen tegen de andere belangen die zijn gemoeid bij ruimtelijke plannen, hetgeen is geschied. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft aangegeven dat in het MER voldoende informatie is verzameld over de mogelijke effecten van de voorgenomen ingreep op de aanwezige cultuurhistorische waarde om een besluit op te kunnen baseren. Gelet op deze instemming, het feit dat het plan is aangepast vanwege het aanzicht van Urk alsmede gezien de stukken - waaronder de gemaakte visualisaties, paragraaf 5.6 van het MER en paragraaf 6.14 van de plantoelichting - kan naar het oordeel van de Afdeling niet met vrucht staande worden gehouden dat onvoldoende aandacht is geschonken aan de cultuurhistorische status en het beschermde dorpsgezicht van Urk noch dat de ministers bij de belangenafweging aangaande dit plan in redelijkheid aan deze cultuurhistorische waarde een doorslaggevend gewicht hadden moeten toekennen. Plaatsing windturbines uit de kust 2.
  126. [appellant sub 12] betoogt dat de windturbines te dicht bij Urk worden geplaatst en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom in dit plan van het oorspronkelijke standpunt wordt afgeweken, namelijk het bouwen van het windturbinepark op een afstand van 10 kilometer uit de kust. 2.26.
  127. Zoals hiervoor onder 2.17.2 is weergegeven zou het plaatsen van windturbines in open water - op een afstand van 10 kilometer uit de kust - in strijd zijn met het uitgangspunt van de Nota Ruimte dat ter bescherming van de open horizon het plaatsen van windturbines in open water ongewenst is. Tevens zou dit zich niet verdragen met de Integrale Visie IJsselmeergebied 2030 dat grootschalige ontwikkelingen in het open water van het IJsselmeergebied zijn uitgesloten. Dit betoog slaagt daarom niet. Rustige aanblik windturbines 2.
  128. [appellant sub 15] voert aan dat het grote aantal windturbines van het windturbinepark de gestelde rustige aanblik van de windturbines teniet doet. Nu [appellant sub 15] niet heeft weersproken dat grotere windturbines met een grotere rotordiameter langzamer draaien dan kleinere en de ministers hebben gesteld dat proefondervindelijk is vastgesteld dat windturbines die langzamer draaien een rustiger beeld opleveren, alsmede gezien het feit dat niet alle windturbines van het windturbinepark in één blikveld zijn te vangen, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de onderbouwing van het bestreden besluit op dit punt te twijfelen en te oordelen dat aan dit aspect onvoldoende aandacht is besteed in het plan. Beleving en draagvlak 2.
  129. [appellant sub 20] betoogt dat in het MER ten onrechte geen beoordeling is gemaakt van de esthetische beleving van een dergelijk omvangrijk windturbinepark door omwonenden en van het draagvlak onder de inwoners van Urk. 2.28.
  130. Ingevolge artikel 7.10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van belang, bevat een milieueffectrapportage onder meer een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben, alsmede een motivering van de wijze waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven. Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Wet milieubeheer worden onder gevolgen voor het milieu in ieder geval verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen alsmede de gevolgen die verband houden met een doelmatig beheer van afvalstoffen of een doelmatig beheer van afvalwater, gevolgen die verband houden met het verbruik van energie en grondstoffen, alsmede gevolgen die verband houden met het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting. 2.28.
  131. Wat betreft het gestelde gebrek aan draagvlak onder de inwoners van Urk, wordt verwezen naar hetgeen onder 2.21.1 is overwogen. Voorts stellen de ministers zich terecht op het standpunt dat de esthetische beleving van een ruimtelijk plan niet behoort tot de onderwerpen die in een MER moeten worden beschreven. De esthetische beleving van het windturbinepark door de inwoners van Urk kan, gelet op artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Wet milieubeheer, niet worden aangemerkt als 'gevolgen voor het milieu' als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet milieubeheer, zodat deze beroepsgrond faalt. Nota Belvedère en Werelderfgoedlijst 2.
  132. Een aantal appellanten betoogt dat de Noordoostpolder onderdeel uitmaakt van het Belvedère-gebied en tevens is geplaatst op de voorlopige lijst van de Werelderfgoederen van UNESCO en dat hiermee in het MER onvoldoende rekening is gehouden. Daarbij wijzen zij op de aanwezigheid van het ir. D.F. Woudagemaal, dat is aangewezen als Werelderfgoed. 2.29.
  133. De ministers stellen zich op het standpunt dat de Nota Belvedère uitgaat van ontwikkeling met behoud van bestaande historische en landschappelijke kwaliteiten. De nieuwe generatie windturbines die in het plan is voorzien past niet in het relatief kleinschalige middengebied van de Noordoostpolder. Bij de locatiekeuze is daarom bepalend geweest dat windturbines van deze afmetingen alleen maar geplaatst kunnen worden in relatie tot grootschalige landschappelijke elementen. Een dijk is een landschappelijk element bij uitstek volgens de ministers, dat in redelijke verhouding staat tot windturbines van deze omvang. Door aansluiting te zoeken bij de landschappelijke structuur van de begrenzing van de Noordoostpolder wordt tegemoet gekomen aan de Nota Belvedère. Voorts stellen de ministers zich op het standpunt dat de aanmelding van de Noordoostpolder voor de Werelderfgoedlijst samenhangt met de unieke ontstaansgeschiedenis van deze polder en het feit dat het oorspronkelijke ontwerp van de polder grotendeels intact is gebleven. Het plan tast de kenmerkende onderdelen van de Noordoostpolder zoals die zijn aangemeld bij UNESCO niet aan, aldus de ministers. Wat betreft het ir. D.F. Woudagemaal stellen de ministers zich op het standpunt dat het aangezicht daarvan door de plaatsing van windturbines wordt beïnvloed. De plaatsing van de windturbines ten opzichte van Urk en het Woudagemaal is gebaseerd op een afweging tussen enerzijds het belang van het op verantwoorde wijze winnen van windenergie op deze plek en anderzijds het aangezicht alsmede de cultuurhistorische waarden. Daarbij merken de ministers op dat op verzoek van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed aanvullende visualisaties zijn gemaakt voor de omgeving van het Woudagemaal en dat die zijn opgenomen in de toelichting van het rijksinpassingsplan. 2.29.
  134. In de bijlage van de Nota Belvedère is vermeld dat bij de locatiekeuze van windturbines in de Noordoostpolder rekening moet worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische patronen. Volgens de bijlage bij de Nota Belvedère bestaan de kenmerkende patronen van de Noordoostpolder uit een ring van dorpen, het assenkruis van de hoofdwegen en hoofdvaarten, een daarop aansluitende regelmatige verkaveling geënt op de toenmalige landbouwkundige productietechniek, een karakteristiek repeterend patroon van boerderijen met twee of vier boerderijen bij elkaar gegroepeerd aan een landbouwweg, rijtjes arbeiderswoningen met omringende beplanting en een grofmazig patroon van wegbeplantingen die de relatief beperkte maatvoering benadrukken. In paragraaf 3.
  135. van het MER wordt gewezen op het beleid van de Nota Belvedère met betrekking tot de Noordoostpolder. Dezelfde kenmerken zijn ook de aanleiding geweest om de Noordoostpolder op de voorlopige lijst van Werelderfgoed van de UNESCO te plaatsen. De ministers hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de hiervoor beschreven cultuurhistorische patronen niet zullen worden aangetast door plaatsing van windturbines langs de dijken van de Noordoostpolder. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat met de Nota Belvedère dan wel de plaatsing van de Noordoostpolder op de voorlopige lijst van Werelderfgoed van UNESCO onvoldoende rekening is gehouden in het MER. Overigens is ter zitting bevestigd dat na het nemen van de bestreden besluiten de gemeenteraad van Noordoostpolder heeft besloten niet in te stemmen met plaatsing van de Noordoostpolder op de herziene voorlopige lijst, waarna de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de Noordoostpolder van de voorlopige lijst van Werelderfgoed van de UNESCO heeft verwijderd. Ten aanzien van het ir. D.F. Woudagemaal heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in haar brief van 19 januari 2010 geadviseerd om ook andere invalshoeken rondom dit gemaal - waaronder het zicht vanaf het IJsselmeer - in het MER te betrekken, omdat het Werelderfgoed dat op de lijst van UNESCO is geplaatst groter is dan het rijksmonument Woudagemaal en mede een bufferzone omvat. In de Aanvulling MER is daarom nader onderzoek gedaan naar de visuele effecten van het windturbinepark op het Woudagemaal. In de toelichting bij het rijksinpassingsplan is vermeld dat de dichtstbijzijnde windturbines buiten het rijksmonument en de bufferzone rondom het gemaal komen te staan, op een afstand van ongeveer 2,5 kilometer. Uit de visualisaties in de Aanvulling MER blijkt dat vanaf het gemaal de windturbines van het Noordermeerdijkgebied zichtbaar zullen zijn. Vanaf de doorgaande weg Lemmer-Balk (de N359) zullen de windturbines achter het gemaal nauwelijks zichtbaar zijn. Gelet op het voorgaande hebben de ministers zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de visuele aantasting van het Woudagemaal niet zodanig is, dat hieraan een doorslaggevend belang had moeten worden toegekend. Rijksadviseur voor het landschap 2.
  136. Een aantal appellanten betoogt dat voor dit plan ten onrechte geen advies is gevraagd aan de Rijksadviseur voor het Landschap, aangezien in het recent verschenen rapport "Een choreografie voor 1000 windmolens" een gedeeltelijk ander windturbinepark wordt voorgesteld. 2.30.
  137. De ministers stellen zich op het standpunt dat de Rijksadviseur voor het Landschap niet behoort tot de wettelijke adviseurs, en daarom ook niet als zodanig is verzocht advies uit te brengen. Blijkens een kaart in dit rapport worden wel windturbines voorzien op de Noordermeerdijk en de Westermeerdijk, maar niet op de Zuidermeerdijk. De ministers stellen zich op het standpunt dat het rapport "Een choreografie voor 1000 windmolens" niet is opgesteld om een beter ontwerp aan te bieden voor een windturbinepark bij de Noordoostpolder en dat dit advies nog een plaats moet krijgen binnen het beleid van de rijksoverheid. 2.30.
  138. De ministers stellen zich terecht op het standpunt dat voorafgaand aan de vaststelling van het rijksinpassingsplan ingevolge artikel 3.1.1 van het Bro geen overleg behoeft te worden gevoerd met de Rijksadviseur voor het Landschap. Dit betoog faalt reeds hierom. Overigens is in het aangehaalde rapport "Een choreografie voor 1000 windmolens" van de Rijksadviseur voor het Landschap vermeld dat dit rapport een ontwerpende verkenning is die als inspiratie voor bestuurlijke besluitvorming en als opmaat voor verdere, meer op uitwerking gerichte ontwerpstudies kan dienen. Anders dan wordt betoogd, is dit rapport derhalve geen bindend beleidsdocument en kan aan het feit dat in dit rapport geen windturbines zijn voorzien op de Zuidermeerdijk geen doorslaggevend belang worden gehecht. Dit geldt temeer nu niet is weersproken dat dit rapport geen onderdeel vormt van het rijksbeleid. Flora- en faunawet Wettelijk kader 2.
  139. Ingevolge artikel 5, aanhef en onder a, van de richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (Pb EU L20) (hierna: de Vogelrichtlijn) nemen de lidstaten onverminderd artikel 9 de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten. Deze maatregelen omvatten onder andere het verbod om, ongeacht de gebruikte methode, opzettelijk de in artikel 1 bedoelde vogels te doden. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, mogen de lidstaten, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van artikel 5: - in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid; - in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren; - ter bescherming van flora en fauna. Ingevolge artikel 14 kunnen de lidstaten beschermingsmaatregelen treffen die strenger zijn dan in de richtlijn wordt voorgeschreven. 2.31.
  140. Ingevolge artikel 9 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen. Ingevolge artikel 75, eerste lid, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, vrijstelling worden verleend van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde verboden. Ingevolge het vijfde artikellid worden vrijstellingen en ontheffingen tenzij uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties noodzaakt tot het verlenen van vrijstelling of ontheffing om andere redenen, slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Ingevolge het zesde artikellid, aanhef en onder c, wordt, onverminderd het vijfde lid, voor soorten genoemd in bijlage IV van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn), voor soorten vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beschermde inheemse dier- of plantensoorten vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen. 2.31.
  141. Ingevolge artikel 2, derde lid, aanhef en onder d en e, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (hierna: het Vrijstellingsbesluit) zijn als andere belangen als bedoeld in artikel 75, vijfde lid (lees: zesde lid), onderdeel c, van de Ffw de volksgezondheid, de openbare veiligheid en dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten aangewezen. Ingevolge artikel 2c, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, kan met betrekking tot de diersoorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, van de artikelen 9 tot en met 12 van de wet slechts ontheffing worden verleend ten behoeve van de belangen, genoemd in het derde lid van artikel 2, onderdelen a, b, c, d, e of f. Zeearend 2.
  142. Een aantal appellanten voert aan dat in het MER ten onrechte geen beoordeling is gemaakt van de mogelijke kans dat zeearenden in aanvaring komen met een van de windturbines van het windturbinepark langs de Noordoostpolder. Hiertoe voeren zij aan dat zeearenden zowel in de Oostvaardersplassen als het Lauwersmeergebied voorkomen en dat het volgens hen in de rede ligt dat zeearenden zich verplaatsen tussen deze twee natuurgebieden. Hierbij zullen zij logischerwijs een route kiezen die langs het windturbinepark loopt. Daarbij is volgens hen van belang dat zeearenden tot de meest kwetsbare soorten behoren wat betreft aanvaringen met windturbines, omdat deze roofvogels evolutionair niet zijn ingesteld op het zien en vermijden van de rotorbladen van de windturbines. Zij betogen dan ook dat gezien de risico's voor zeearenden ten onrechte voor deze vogelsoort geen ontheffing van de Ffw is aangevraagd. 2.32.
  143. De ministers stellen zich op het standpunt dat de zeearenden die nestelen in de Oostvaardersplassen vrijwel hun gehele leven doorbrengen in dat natuurgebied. De kans dat een zeearend uit de Oostvaardersplassen ver van het eigen leefgebied in aanraking komt met een windturbine bij de Noordoostpolder is verwaarloosbaar klein, aldus de ministers. 2.32.
  144. In paragraaf 9.
  145. van het MER zijn de eventuele effecten op de kwalificerende vogelsoorten beoordeeld waarvoor het Natura 2000-gebied "IJsselmeer" is aangewezen, waarbij ook is gelet op vogelsoorten in andere nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Daarbij zijn eventuele effecten op de zeearend - in de vorm van aanvaringskansen - niet beoordeeld, omdat het IJsselmeer en andere nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet zijn aangewezen voor deze roofvogelsoort. De Afdeling ziet - anders dan wordt betoogd - geen aanleiding voor het oordeel dat ten onrechte in het MER een beoordeling van de mogelijke effecten op de zeearend achterwege is gelaten. Hierbij is van belang dat niet is weersproken dat voor het huidige broedpaar in de Oostvaardersplassen voldoende voedsel in dat natuurgebied en de nabije omgeving daarvan aanwezig is. Gezien dat feit alsmede gelet op de afstand tussen de Oostvaardersplassen en het windturbinepark van hemelsbreed meer dan 20 kilometer, is niet aannemelijk gemaakt dat dit broedpaar meer dan uiterst incidenteel in de omgeving van het windturbinepark aanwezig zal zijn. Voor de stelling dat regelmatig uitwisseling van zeearenden tussen het Lauwersmeergebied en de Oostvaardersplassen plaatsvindt, is geen onderbouwing gegeven. Dat trekbewegingen van zeearenden tussen beide natuurgebieden met enige regelmaat zouden plaatsvinden is - mede gezien het deskundigenbericht op dit punt - evenmin aannemelijk gemaakt. Gezien het voorgaande hebben de ministers zich terecht op het standpunt gesteld dat in het MER een risico-inschatting van de kans op een aanvaring van een zeearend met een windturbine van het windturbinepark achterwege kon worden gelaten, nu de kans hierop gezien de hierboven geschetste omstandigheden verwaarloosbaar klein is. Gelet op de uitzonderlijk kleine sterftekans voor de zeearenden in de Oostvaardersplassen die dit plan met zich brengt, behoefde geen ontheffing ingevolge artikel 75 van de Ffw te worden aangevraagd voor die zeearenden. Vleermuizen en overige vogelsoorten 2.
  146. Een aantal appellanten betoogt dat in het MER voor een drietal vleermuizensoorten - de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis en de tweekleurige vleermuis - wordt geconstateerd dat aanzienlijke aantallen aanvaringsslachtoffers zullen vallen door windturbines. Ook ten aanzien van vogels is in het MER vermeld dat minstens 3.500 vogels zullen worden gedood na een aanvaring met een van de windturbines van het windturbinepark. Volgens hen is dan ook ten onrechte geen ontheffing ingevolge artikel 75 van de Ffw aangevraagd voor zowel de vleermuizen als de vogels. Daarbij betwijfelen zij of, gelet op de Vogelrichtlijn, een Ffw-ontheffing zal kunnen worden verleend voor de beschermde vogelsoorten die als gevolg van dit plan aanvaringsslachtoffer zullen worden. 2.33.
  147. De ministers stellen zich op het standpunt dat de minister van LNV (thans: de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) in de brief van 2 februari 2010, kenmerk DRZW/2010-859, op basis van de uitgevoerde onderzoeken heeft meegedeeld dat geen overtreding van de verbodsbepalingen van de Ffw is te verwachten en dat derhalve geen Ffw-ontheffing benodigd is voor dit plan. In dit kader is volgens de ministers ook van belang dat De Koepel ten aanzien van vleermuizen een monitoringsvoorstel heeft opgesteld in overleg met de Dienst Regelingen en de Directie Regionale Zaken van het (voormalige) Ministerie van LNV. Minimaal drie maanden voordat het windturbinepark in gebruik wordt genomen zal De Koepel in overleg met het ministerie dit monitoringsvoorstel uitwerken. Ook heeft De Koepel aangegeven bereid te zijn mitigerende maatregelen te treffen, mocht dit nodig zijn. 2.33.
  148. In het MER en de passende beoordeling is vermeld dat het voorliggende plan tot de dood van aanzienlijke aantallen beschermde vleermuis- en vogelsoorten zal leiden. Het in artikel 9 van de Ffw opgenomen verbod is niet beperkt tot het opzettelijk doden van beschermde inheemse diersoorten. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling blijkt dat de wetgever bewust het opzetvereiste achterwege heeft gelaten in deze verbodsbepaling (Kamerstukken II, 1995/96, 23 147, nr. 7, p. 45). Nu voor het overtreden van de verbodsbepaling van artikel 9 van de Ffw niet van belang is of sprake is van opzettelijk doden van beschermde inheemse diersoorten, stellen de ministers zich ten onrechte op het standpunt dat het rijksinpassingsplan niet leidt tot een overtreding van artikel 9 van de Ffw ten aanzien van de diverse beschermde inheemse vogelsoorten, de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis en de tweekleurige vleermuis. Dat een monitoringsplan is opgesteld ten behoeve van de vleermuissoorten maakt dat niet anders. 2.33.
  149. Nu een ontheffing ingevolge artikel 75 van de Ffw is vereist, ziet de Afdeling zich vervolgens voor de vraag gesteld of de ministers op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. 2.33.
  150. De gewone dwergvleermuis, de tweekleurige vleermuis en de ruige dwergvleermuis zijn vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 januari 2009 in zaak nr. 200802863/1) biedt de Habitatrichtlijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat lidstaten in de nationale wetgeving grondslagen voor het verlenen van ontheffing van aan de Habitatrichtlijn ontleende verbodsbepalingen mogen hanteren die niet in die richtlijn zijn genoemd en hiervan ook niet direct zijn af te leiden. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat, gezien artikel 16 van de Habitatrichtlijn, een o

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.