(2009)is de kruising van het Spaarne ter hoogte van de Belgiëlaan opgenomen, aldus het college van gedeputeerde staten. 2.11.
- Uit het structuurplan kan niet worden afgeleid wat de exacte locatie is van de verbinding en welke vorm die zal krijgen. Dat in het HVVP werd uitgegaan van een brugverbinding tussen de Belgiëlaan en de Oosterhoutlaan betekent niet dat de raad niet op grond van gewijzigde planologische inzichten de desbetreffende aanduiding op de plankaart heeft kunnen aanbrengen. Van strijd met gemeentelijke plannen of beleidsuitgangspunten ten tijde van het vaststellen van het plan is niet gebleken. 2.
- [appellanten sub 2] voeren aan dat de betrokken wethouder van de gemeente Haarlem heeft toegezegd dat er geen fietspont komt. Er mocht daarom op worden vertrouwd dat die verbinding er niet zou komen. 2.12.
- Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat de uitlatingen van de wethouder waar [appellanten sub 2] op doelen bij het besluit omtrent goedkeuring geen rol kunnen spelen. 2.12.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (ondermeer bij uitspraak van 2 september 2009 in zaak nr. 200808366/1/H1) is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat aan het desbetreffende bestuursorgaan toe te rekenen, concrete ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde derde, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Wat er ook zij van de uitlatingen van de wethouder waar [appellanten sub 2] op doelen, de raad is daaraan niet gebonden en heeft in zoverre op voorstel van het college van burgemeester en wethouders kunnen besluiten tot het planologisch mogelijk maken van een pontverbinding. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Gelet op het voorgaande heeft het college van gedeputeerde staten van gedeputeerde staten zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld. 2.
- [appellanten sub 2] voeren aan dat het in het plan niet bestemmen van de oever langs de Noord Schalkwijkerweg als "Waterkering (Wk)" tot onveiligheid zal leiden. Deze oever heeft immers de functie van waterkering. In het aangrenzende plan heeft de oever die ook die functie heeft wel die bestemming gekregen, zodat in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld. 2.13.
- Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor Waterkering (Wk) aangewezen gronden, naast de daarvoor aangewezen andere bestemmingen, primair bestemd voor waterkeringen en waterbeheersing, met bij deze bestemming behorende andere bouwwerken. 2.13.
- Niet is aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de oever langs de Noord Schalkwijkerweg en de in het aangrenzende bestemmingsplan begrepen oever van gelijke gevallen sprake is. Daarbij is in aanmerking genomen dat in het plan niet de oever maar de aan het oevergebied grenzende Noord Schalkwijkerweg de dubbelbestemming "Waterkering (Wk)" heeft. Dat een onveilige situatie zal ontstaan, is niet aannemelijk gemaakt. Het betoog faalt. 2.
- De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond. Het beroep van de stichting 2.
- De stichting kan zich niet verenigen met het plandeel dat voorziet in een ligplaats voor een Urker kotter (…) ter plaatse van de bestemming "Woonschepenligplaats, zone VI" en het plandeel dat voorziet in een ligplaats voor het schip "Onderneming" direct noordelijk van het als gemeentelijk monument geregistreerde schip "Dageraad" ter plaatse van de bestemming "Woonschepenligplaats, zone VII". 2.
- De raad heeft bij de gewijzigde vaststelling van het plan aan het in artikel 8, vierde lid, van de planvoorschriften opgenomen maximaal aantal ligplaatsen in zone VI en zone VII een ligplaats toegevoegd om rekening te houden met ligplaatsen voor de Urker kotter en het schip "Onderneming", die in het ontwerp niet waren opgenomen. 2.
- Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor Woonschepenligplaats, zone (Wsl) aangewezen gronden bestemd voor water en de ligplaats van een woonschip Ingevolge het vierde lid, onder 2, is het aantal ligplaatsen voor zone VI vastgelegd op 5 en voor zone VII op
- Ingevolge artikel 1, onder 74, wordt onder een woonschip verstaan een zich op het water bevindend object dat (nagenoeg) voortdurend dient als woning. 2.
- De stichting maakt bezwaar tegen de vaststelling van het bestemmingsplan in afwijking van het ontwerp, nu met betrekking tot de betrokken planonderdelen geen inspraak mogelijk is geweest. Zoals hiervoor is overwogen, kan de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan afwijken van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn, dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure, met inbegrip van de inspraak, opnieuw doorlopen te worden. Deze situatie doet zich in dit geval naar het oordeel van de Afdeling niet voor. 2.
- Ten aanzien van het betoog van de stichting dat het college van gedeputeerde staten onvoldoende is ingegaan op de bedenkingen, overweegt de Afdeling dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zich er niet tegen verzet dat het college van gedeputeerde staten de bedenkingen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Vooralsnog is niet gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. 2.
- De stichting betoogt dat beide schepen niet zijn aan te merken als een woonschip in de zin van de gemeentelijke Woonschepenverordening. 2.20.
- In artikel 1, onder 74, van de planvoorschriften is gedefinieerd wat onder een woonschip wordt verstaan. De definitie van een woonschip in de gemeentelijke Woonschepenverordening, wat daarvan ook zij, doet derhalve in dit kader niet ter zake. Het betoog faalt. 2.
- Volgens de stichting stelt de raad weliswaar dat aan de eigenaren van beide schepen een persoonlijk recht wordt toegekend, maar blijkt dat niet uit het plan, waarin ter plaatse zonder een beperking naar persoon ligplaatsen mogelijk zijn gemaakt. 2.21.
- De raad heeft gesteld dat aan de eigenaren van beide schepen geen volledige ligplaatsvergunning zal worden verleend, maar een persoonlijk recht, dat bij verkoop of overlijden teniet gaat. 2.21.
- Het college van gedeputeerde staten heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestemmen van de desbetreffende locaties als ligplaats niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 2.21.
- De Afdeling overweegt dat de raad weliswaar te kennen heeft gegeven dat geen volledige ligplaatsvergunning zal worden verkregen, maar een persoonlijk recht, dat bij verkoop of overlijden teniet gaat, maar dat in hetgeen de stichting naar voren heeft gebracht geen aanleiding is gelegen voor het oordeel dat het ook de bedoeling was om ter plaatse van de voorziene ligplaatsen voor beide schepen slechts een tot de huidige eigenaren van die schepen beperkte planologische voorziening mogelijk te maken. De Afdeling ziet in het aangevoerde evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad slechts persoonsgebonden voor de huidige eigenaren ligplaatsen in het plan had mogen opnemen. Er is gelet daarop geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met het zonder beperking planologisch mogelijk maken van ligplaatsen voor woonschepen aldaar. 2.
- De stichting betoogt ten aanzien van het schip "Onderneming" dat toekenning van een ligplaats in strijd is met het gemeentelijk beleid, waarin wordt beoogd het zicht op het Spaarne te handhaven. 2.22.
- Het college van gedeputeerde staten heeft de beoogde ligplaats voor het schip "Onderneming" naast het schip "De Dageraad" aan de Zuid Schalkwijkerweg, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, nu deze ligplaats voorzien is buiten de op de plankaart opgenomen zichtlijnen op het Spaarne. 2.22.
- De raad heeft toegelicht dat er zichtlijnen op de plankaart zijn opgenomen, welke een vertaling zijn van het in de plantoelichting genoemde gemeentelijke beleid tot behoud van de zichtrelaties tussen de Zuid Schalkwijkerweg, het Jaagpad en het Spaarne. Niet aannemelijk is geworden dat dit beleid niet juist is vertaald naar de plankaart. De voorziene ligplaats voor het schip "Onderneming" valt buiten deze zichtlijnen. Gelet op het voorgaande is het standpunt van het college van gedeputeerde staten dat het plan op dit punt in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid inzake zichtlijnen niet onjuist. 2.
- Voorts bestaat er volgens de stichting geen noodzaak tot verplaatsing van het schip "Onderneming", nu de huidige ligplaatseigenaar, [jachtwerf], de huur niet heeft opgezegd, niet heeft aangedrongen op verplaatsing en het plan niet langer voorziet in de gewenste ontwikkelingsplannen ter plaatse. 2.23.
- Hoewel het thans voorliggende plan grootschalige ontwikkelingen ter plaatse van de jachtwerf niet mogelijk maakt, bestaan hier wel voornemens toe en staat de raad hier niet onwelwillend tegenover. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid verplaatsing van het schip "Onderneming" noodzakelijk kunnen achten. 2.
- De stichting betoogt dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld, nu er nog twee schepen in de jachtwerf liggen, die al jaren illegaal worden bewoond, waar in het plan niets voor wordt geregeld. 2.24.
- Ten aanzien van de door de stichting gemaakte vergelijking met twee andere schepen in de jachtwerf waarvoor in het plan geen regeling is getroffen wordt overwogen dat het college van gedeputeerde staten en de raad zich op het standpunt hebben gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat deze schepen niet permanent bewoond worden. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten en de raad zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de door de stichting genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. 2.
- De stichting vreest voor een herhaling van de situatie van het monumentale schip "De Dageraad", aan welk schip ondanks protesten van omwonenden in 1992 een ligplaats aan de Zuid Schalkwijkerweg is toegekend, terwijl toentertijd is toegezegd door het college van burgemeester en wethouders, hetgeen bevestigd is door het college van gedeputeerde staten, dat deze toekenning een eenmalige actie betrof. 2.25.
- Zoals in rechtsoverweging 2.12.2 is overwogen is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat aan het desbetreffende bestuursorgaan toe te rekenen, concrete ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde derde, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Het college van burgemeester en wethouders heeft blijkens het besluit van 20 april 1993 betreffende vrijstelling voor een ligplaats voor het schip "De Dageraad" het standpunt ingenomen dat de beslissing om een ligplaats toe te wijzen op het desbetreffende gedeelte van de Zuid Schalkwijkerweg eenmalig is en een exclusief karakter heeft. Dit destijds door het college van burgemeester en wethouders ingenomen standpunt kan er niet aan in de weg staan dat de raad thans ten aanzien van twee andere schepen weloverwogen heeft besloten ligplaatsen toe te kennen. Gelet op het voorgaande heeft het college van gedeputeerde staten niet hoeven concluderen dat het plan op dit punt in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld. Voor zover de stichting verwijst naar de door haar gestelde toezegging van het college van gedeputeerde staten, overweegt de Afdeling dat de desbetreffende overwegingen in het besluit van dat college van 21 september 1993 omtrent een verklaring op grond van artikel 19 van de WRO geen toezegging, maar slechts een bevestiging inhouden van hetgeen het college van burgemeester en wethouders heeft gesteld. 2.
- Voor zover de stichting aanvoert dat de lengte van het schip "Onderneming" de afmetingen van de ligplaats overschrijdt, overweegt de Afdeling dat dit geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond kan derhalve buiten beschouwing blijven. 2.
- De conclusie is dat hetgeen de stichting heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] niet-ontvankelijk; II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 2] en de stichting Stichting tot behoud van Groene Zoom Schalkwijk ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat. w.g. Van Buuren w.g. Zwemstra voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012 91.