(2009)8677) (hierna: de beschikking) is uitgegaan van onjuistheden. [appellant sub 2] noemt achttien punten uit de beschikking die volgens hem onjuist zijn. De Afdeling begrijpt deze grond aldus dat [appellant sub 2] en [appellant sub 3] de onwettigheid van deze beschikking inroepen die mede als grondslag dient voor het bestreden besluit. 2.10.
- Bij de beoordeling van deze grond is het volgende van belang. Op 16 december 2003 is een overeenkomst gesloten tussen de Staat, vertegenwoordigd door de minister van Verkeer en Waterstaat, en GAE N.V. over de baanverlenging en de waarde van het luchtvaartterrein van GAE. In die overeenkomst staat dat de Staat aan GAE N.V. een éénmalige bijdrage van afgerond maximaal € 18,6 miljoen betaalt voor de verlenging van de start- en landingsbaan. In de overeenkomst zijn verder de voorwaarden voor betaling van die bijdrage neergelegd. Bij uitspraak van 11 juni 2008, nr. 200603116/1, heeft de Afdeling overwogen dat de bijdrage van € 18,6 miljoen moet worden aangemerkt als staatssteun als bedoeld in artikel 87 van het EG-Verdrag, thans artikel 107 van het VWEU, […]. Naar het oordeel van de Afdeling in die uitspraak hadden de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer daarom de voorgenomen verlening van staatssteun moeten aanmelden, dan wel de Commissie moeten benaderen teneinde zekerheid te verkrijgen dat aanmelding volgens de Commissie niet nodig is. Door dit na te laten, is, zoals in de conclusie van de beschikking wordt aangegeven, in strijd gehandeld met de op Nederland als lidstaat rustende verplichting voortvloeiend uit artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag, thans artikel 108 van het VWEU. In de beschikking heeft de Commissie onder meer besloten dat de overheidssteun ten bedrage van € 18,62 miljoen voor de verlenging van de start-/landingsbaan en van € 2,7 miljoen voor de vernieuwing van het riolerings- en drainagesysteem van de luchthaven verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt overeenkomstig artikel 87, derde lid, onder c, van het EG-Verdrag, thans artikel 107 van het VWEU. 2.10.
- Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: het Hof van Justitie van de Europese Unie, hierna: het Hof) heeft overwogen dat elke verzoekende partij in het kader van een naar nationaal recht ingesteld beroep de onwettigheid moet kunnen inroepen van een Unierechtelijke rechtshandeling die als grondslag dient voor het te zijnen aanzien genomen nationale besluit (arrest van het Hof van 15 februari 2001, C-239/99, Nachi Europe, overweging 35, (www.curia.europa.eu). Verder heeft het Hof overwogen dat elke procespartij het recht heeft de rechtsgeldigheid van een beschikking van de Commissie aan te vechten wanneer zij niet krachtens artikel 230 van het EG-Verdrag rechtstreeks in beroep kon komen tegen deze beschikking (zie het arrest van het Hof van 9 maart 1994, C-188/92,TWD Textilwerke Deggendorf, overweging 23 (www.curia.europa.eu). Volgens artikel 230, vierde alinea van het EG-Verdrag, dan wel, sedert 1 december 2009, artikel 263, vierde alinea van het VWEU kan iedere natuurlijke persoon beroep instellen tegen beschikkingen, dan wel, sedert 1 december 2009, handelingen welke hem, onder meer, rechtstreeks raken. Blijkens vaste rechtspraak van het Hof wordt een natuurlijke persoon door de beschikking waartegen beroep is ingesteld tot nietigverklaring slechts rechtstreeks geraakt, in de zin van artikel 230, vierde alinea, van het EG-verdrag, thans artikel 263, vierde alinea, van het VWEU, als de bestreden Unierechtelijke rechtshandeling rechtstreeks gevolgen heeft voor zijn rechtspositie en voorts aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laat, omdat de uitvoering zuiver automatisch en alleen op grond van de Unierechtelijke regeling gebeurt zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld (zie onder meer arresten van het Hof van 5 mei 1998, C-404/96 P, Glencore Grain/Commissie, overweging 41; van 29 juni 2004, C-486/01 P, Front national/Parlement, overweging 34 (www.curia.europa.eu)). Gelet op deze rechtspraak is het zeer twijfelachtig dat [appellant sub 2], als omwonende van GAE, bij het Gerecht van de Europese Unie ontvankelijk zou zijn verklaard indien hij bij dit Gerecht was opgekomen tegen de beschikking van de Commissie van 19 november
- Daarbij neemt de Afdeling in overweging dat de beschikking van de Commissie van 19 november 2009 geen rechtstreeks gevolgen heeft voor de rechtspositie van [appellant sub 2]. Uit overweging 48 van het arrest van het Hof van 8 maart 2007 (C-441/05, Roquette, (www.curia.europa.eu)) blijkt dat de geldigheid van een Unierechtelijke rechtshandeling in een nationale procedure reeds aan de orde kan worden gesteld, indien niet kan worden geconcludeerd dat betrokkene zonder twijfel een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 van het EG-Verdrag, dan wel artikel 263 van het VWEU had kunnen instellen. Nu de Afdeling van oordeel is dat het zeer twijfelachtig is dat [appellant sub 2] rechtstreeks in beroep kon komen tegen de beschikking, zal de Afdeling zelf onderzoeken of de beschikking geldig is. 2.10.
- [appellant sub 2] is ten eerste van oordeel dat er een aantal onjuistheden zit in het gedeelte van de beschikking dat betrekking heeft op de vraag of Nederland, door de staatsteun in kwestie tot uitvoering te brengen, heeft gehandeld in strijd met artikel 108, derde lid van het VWEU. Nu de conclusie van de Commissie, zoals verwoord in punt 60 van de beschikking, is dat Nederland haar aanmeldingsplicht in de onderhavige zaak heeft geschonden - en deze conclusie op dit punt het standpunt van [appellant sub 2] bevestigt -, ziet de Afdeling geen aanleiding op de in dat verband door [appellant sub 2] aangevoerde punten nader in te gaan. Ten tweede is [appellant sub 2] van oordeel dat de Commissie onvolledig en onjuist is geïnformeerd ten aanzien van nut en noodzaak van de baanverlenging zodat de Commissie geen juist oordeel kon geven over de verenigbaarheid, overeenkomstig artikel 107, derde lid onder c van het VWEU, van de alsnog aangemelde overheidssubsidies. Zoals in 2.3.
- is overwogen, zijn in de uitspraak van 11 juni 2008, nr. 200603116/1, onder meer de beroepsgronden met betrekking tot nut en noodzaak beoordeeld. [appellant sub 2] heeft in de onderhavige procedure geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd, zodat de Afdeling in de onderhavige procedure geen aanleiding ziet op dit punt thans anders te oordelen, dan wel de Commissie opnieuw om informatie te vragen. Gelet op het voorgaande heeft [appellant sub 2] met hetgeen hij heeft aangevoerd naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de beschikking is gebaseerd op zodanig onjuiste informatie dat de Commissie zich niet daarop heeft kunnen baseren. In de enkele stelling van [appellant sub 3] dat de Nederlandse autoriteiten de Commissie op belangrijke punten onvolledig, eenzijdig en onjuist hebben geïnformeerd wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding aan de geldigheid van de beschikking van de Commissie van 19 november 2009 te twijfelen, zodat in dit geval geen aanleiding bestaat tot het stellen van prejudiciële vragen. Financiële uitvoerbaarheid en staatssteun 2.
- [appellant sub 3] betoogt dat de financiële haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de baanverlenging niet is gewaarborgd, nu er sprake is van een financieringstekort van € 13,8 miljoen en voor dit tekort geen dekking is. [appellant sub 2] betoogt dat de ministers niet hebben aangetoond dat de baanverlenging zal leiden tot een aanmerkelijke vermindering van de exploitatietekorten. Volgens hem is de financiële toekomst van GAE onzeker, nu vanaf het jaar 2013 de regionale exploitatiebijdrage beëindigd zal worden. VOLE betwist eveneens de financiële uitvoerbaarheid van de baanverlenging. Daarbij voert zij aan dat een tekort bestaat in het budget en dat het onzeker is of de verstrekte exploitatiebijdragen in stand kunnen blijven. 2.11.
- De ministers stellen dat in het door GAE opgestelde rapport "Actualisatie businessplan Groningen Airport Eelde 2008" van december 2008 (hierna: het geactualiseerde businessplan), dat is uitgebracht na de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2008, nr. 200603116/1, rekening is gehouden met een latere aanleg van de baanverlenging en de (mede daaruit voortvloeiende) vertraging in het realiseren van de vervoersprognoses. Uit het geactualiseerde businessplan volgt volgens de ministers dat op basis van de meest recente kostenramingen het budget voor aanleg van de baanverlening toereikend is. 2.11.
- Zoals de Afdeling in het kader van een bestemmingsplanzaak heeft overwogen in de uitspraak van 13 april 2011, zaak nr. 200905023/1/R3, kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan, waaronder ook de financieel-economische uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat op voorhand in redelijkheid had moeten worden ingezien dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is. De Afdeling is van oordeel dat het voorgaande eveneens geldt voor een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van een A-besluit en een RO-besluit. 2.11.
- Uit het geactualiseerde businessplan volgt dat voor de baanverlenging evenals voor de vervanging van het afwateringssysteem op het luchtvaartterrein een budget van ongeveer € 24,4 miljoen beschikbaar is en dit budget dankzij substantiële besparingen toereikend is om de kosten te dekken. Voornoemd budget bestaat volgens het geactualiseerd businessplan uit overheidssteun ten bedrage van € 18,62 miljoen voor de verlenging van de start-/landingsbaan en van € 2,7 miljoen voor de vernieuwing van het riolerings- en drainagesysteem van de luchthaven, en voor het overige uit rentebaten over de belegging van de overheidssteun van de baanverlenging. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant sub 3], [appellant sub 2] en VOLE niet aannemelijk gemaakt dat de ministers niet in redelijkheid van de inhoud van het geactualiseerde businessplan hebben mogen uitgaan. Het betoog van [appellant sub 3] en VOLE dat de feitelijke kosten van de baanverlenging hoger zijn dan de aanwezige financiële middelen van GAE, zodat sprake is van een financieringstekort, is voorts niet met resultaten uit enig onafhankelijk onderzoek gestaafd. In het geactualiseerde businessplan staat verder dat de komende jaren voor € 17 miljoen wordt geïnvesteerd - de baanverlenging en de riolering zijn niet meegenomen in dit bedrag - en dat is uitgegaan van een drietal geldleningen van in totaal € 12 miljoen. VOLE stelt dat nergens staat aangegeven waar voornoemd verschil van € 5 miljoen uit wordt betaald. Ter zitting heeft GAE N.V. onweersproken gesteld dat zij een eigen vermogen heeft van ongeveer € 10 miljoen, zodat eventuele tekorten hiermee gedekt kunnen worden. Gelet op al het voorgaande hebben [appellant sub 3], [appellant sub 2] en VOLE niet aannemelijk gemaakt dat de financiële uitvoerbaarheid van de baanverlenging onvoldoende gewaarborgd is. 2.11.
- Verder betoogt VOLE dat GAE niet meer exploitabel is indien de Commissie in de procedure overeenkomstig artikel 17 van de Verordening 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-verdrag (hierna: de Procedureverordening) van oordeel zal zijn dat de compensatie van exploitatieverliezen van GAE door overheidssubsidies niet of niet langer verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. In wezen stelt VOLE zich op het standpunt dat, nu de Commissie, zoals blijkt uit haar beschikking, de compensatie van de exploitatiesteun verder zal onderzoeken in het kader van de procedure voor bestaande steun, de financiële uitvoerbaarheid van de baanverlenging nog niet is gewaarborgd. 2.11.4.
- Gelet op dit betoog zal de Afdeling onderzoeken wat de gevolgen zijn van een lopend onderzoek door de Commissie naar bestaande steun. 2.11.4.
- Vast staat dat bij de oprichting van GAE N.V. is overeengekomen dat het Rijk 40% van de exploitatieverliezen van de luchthaven zou dekken en regionale en lokale autoriteiten 60%. Op 1 januari 2002 heeft het Rijk een eenmalige buyout van de toekomstige exploitatieverliezen verricht voor een bedrag van € 7,2 miljoen. Op 16 december 2003 hebben de regionale en lokale autoriteiten besloten om tijdens de periode 2003-2012 hun aandeel van 60% te verminderen tot een jaarlijkse vaste kapitaalinjectie van € 1 miljoen. 2.11.4.
- In de beschikking van de Commissie wordt in de punten 29 en 30 overwogen dat de Commissie de maatregel dat exploitatieverliezen van Airport Eelde gecompenseerd zullen worden, in een afzonderlijke procedure overeenkomstig artikel 17 van de Procedureverordening zal onderzoeken en zij dan de nodige maatregelen zal treffen. 2.11.4.
- Volgens artikel 108, eerste lid van het VWEU onderwerpt de Commissie tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek. Zij stelt de dienstige maatregelen voor, welke de geleidelijke ontwikkeling of werking van de interne markt vereist. Anders dan voor nieuwe steunmaatregelen (zie artikel 108, derde lid van het VWEU), dienen bestaande steunregelingen niet te worden aangemeld bij de Commissie. 2.11.4.
- Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, sub i, van de Procedureverordening wordt onder bestaande steun verstaan alle steun die voor de inwerkingtreding van het EEG Verdrag in de respectieve lidstaat bestond, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die vóór de inwerkingtreding van het EEG Verdrag tot uitvoering zijn gebracht en die na de inwerkingtreding nog steeds van toepassing zijn. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Procedureverordening ontvangt de Commissie van de betrokken lidstaat alle nodige informatie om in samenspraak met deze lidstaat krachtens artikel 107 van het VWEU de bestaande steunregelingen te kunnen onderzoeken. Ingevolge artikel 17, tweede lid stelt de Commissie, indien zij van mening is dat een steunregeling niet of niet langer verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, de betrokken lidstaat van haar eerste oordeel in kennis en geeft zij de betrokken lidstaat de gelegenheid om binnen een termijn van één maand zijn opmerkingen in te dienen. In naar behoren gerechtvaardigde gevallen kan de Commissie deze termijn verlengen. Ingevolge artikel 18 geeft de Commissie indien zij, in het licht van de door een lidstaat overeenkomstig artikel 17 verstrekte informatie, tot de gevolgtrekking komt dat de bestaande steunregeling niet of niet langer verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, een aanbeveling waarbij de betrokken lidstaat dienstige maatregelen worden voorgesteld. Die aanbeveling kan met name voorstellen inhouden om: a) de betrokken steunregeling inhoudelijk te wijzigen, of b) procedurele vereisten in te voeren, of c) de steunregeling af te schaffen. Ingevolge artikel 19, tweede lid, leidt de Commissie indien de betrokken lidstaat de voorgestelde maatregelen niet aanvaardt en de Commissie, gelet op de argumenten van de betrokken lidstaat, bij haar zienswijze blijft dat die maatregelen noodzakelijk zijn, de procedure van artikel 4, lid 4, in [...]. 2.11.4.
- Ter zitting is gebleken dat de Commissie thans nog geen beslissing heeft genomen in de procedure betreffende bestaande steunregelingen overeenkomstig artikel 17 van de Procedureverordening, ondanks het feit dat VOLE in een brief van 24 december 2009 hierom had verzocht. 2.11.4.
- Uit het verschil tussen de procedures waaraan een nieuwe en een bestaande steunmaatregel zijn onderworpen en dat ook door het Hof wordt beklemtoond (zie arrest van het Hof van 29 april 2004, zaak C-372/97, Commissie/Italië, punt 41, www.curia.europa.eu) kan volgens de Afdeling worden afgeleid dat bestaande steunregelingen geldig blijven totdat de Commissie tot de gevolgtrekking komt dat de bestaande steunregeling niet of niet langer verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt en zij in een aanbeveling de betrokken lidstaat dienstige maatregelen voorstelt. De Afdeling wordt in deze conclusie bevestigd door overweging 228 van het arrest van Gerecht van Eerste Aanleg van 9 september 2009, zaak nrs. T-227/01 tot en met T-229/01, T-265/01, T-266/01 en T-270/01, Diputación Foral de Álava en Gobierno Vasco/Commissie, (www.curia.europa.eu), waarin het Gerecht heeft overwogen dat met betrekking tot bestaande steunmaatregelen in voorkomend geval enkel een beschikking kan worden gegeven, waarbij hun onverenigbaarheid met gevolgen voor de toekomst wordt vastgesteld. Deze overweging is gebaseerd op overweging 20 van het Hof in het arrest van 5 maart 1994 in zaak nr. C-387/92, Banco Exterior de España, en op overweging 42 van het arrest van het Hof van 29 april 2004, zaak C-372/97, Italiaanse Republiek/Commissie (www.curia.europa.eu), waarin het Hof heeft overwogen dat een bestaande steunmaatregel tot uitvoering kan worden gebracht zolang de Commissie deze niet onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft verklaard. Verder kan uit het feit dat bestaande steunregelingen niet aangemeld dienen te worden, dat de Commissie deze maatregelen tezamen met de betrokken lidstaat aan een voortdurend onderzoek onderwerpt en dat de Commissie de dienstige maatregelen voorstelt in een niet rechtens bindende aanbeveling, worden afgeleid dat de dienstige maatregelen, indien zij zouden worden voorgesteld, geen terugwerkende kracht kunnen hebben. Een ander oordeel zou in strijd komen met de door het Hof in punt 42 van het arrest van het Hof van 29 april 2004 in het kader van bestaande steunregelingen ingeroepen beginsel van rechtszekerheid. 2.11.4.
- Gelet op het voorgaande komt de Afdeling tot de conclusie dat de Nederlandse staat niet verplicht is om de bestaande maatregel, welke inhoudt dat exploitatieverliezen van GAE gecompenseerd zullen worden, op te schorten totdat de procedure van artikel 18 van de Procedureverordening is beëindigd. VOLE heeft naar het oordeel van de Afdeling derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de ministers zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de exploitatie van GAE ondanks de procedure betreffende bestaande steunregelingen overeenkomstig artikel 17 van de Procedureverordening voldoende is verzekerd. Dat de jaarlijkse exploitatiebijdrage van € 1 miljoen in 2012 zal eindigen maakt het voorgaande niet anders, nu uit het geactualiseerde businessplan volgt dat hiermee in de meerjarenperspectieven rekening is gehouden en de staatssecretaris ter zitting te kennen heeft gegeven dat GAE in staat is de exploitatietekorten, die tot en met het break even punt omstreeks 2018 zullen optreden, zelf te financieren met inachtneming van de overeengekomen exploitatiebijdragen tot en met het jaar
- In hetgeen VOLE heeft aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel. Overige gronden 2.
- [appellant sub 2] betoogt verder dat sprake is van belangenverstrengeling, nu de regionale bestuursorganen onvolledig en onjuist zijn geïnformeerd en dat ten onrechte sinds 1999 geen formeel bestuurlijk overleg heeft plaatsgevonden. 2.12.
- Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Lvw stellen de minister van Verkeer en Waterstaat en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het ontwerpbesluit op na overleg met het college van gedeputeerde staten en de gemeenteraden van respectievelijk de provincies en de gemeenten binnen de grenzen waarvan het gebied of een gedeelte van het gebied ligt, dat door het ontwerpbesluit wordt bestreken. Zij kunnen na overleg met de gemeenteraden besluiten om in één of meer van die gemeenten hoorzittingen te houden of te doen houden. 2.12.
- Niet in geschil is dat op 20 februari 1997 en op 22 september 1999 bestuurlijk overleg heeft plaatsgevonden met de betreffende gemeenten en provincies. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling voldaan aan de verplichting uit artikel 19, tweede lid, van de Lvw. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, wordt voorts geen grond gevonden voor het oordeel dat sprake is van belangenverstrengeling. Conclusies 2.
- Gelet op hetgeen in 2.6.
- is overwogen, is het beroep van [appellant sub 1] gegrond. Het bestreden besluit dient wat betreft de mogelijk gemaakte baanverlenging wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. De beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], VOLE en [appellant sub 5] zijn ongegrond. 2.
- De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Hiertoe overweegt de Afdeling dat ter zitting door de staatssecretaris te kennen is gegeven dat hij de toename van het aantal gehinderden tot 19 binnen de 35 Ke-zone en tot 252 binnen de 20 Ke-zone aanvaardbaar acht, nu het een relatief beperkt aantal extra gehinderden betreft en het uiteindelijke aantal gehinderden van eenzelfde, vergelijkbare orde van grootte is als het aantal geschatte gehinderden waarvan bij de vaststelling van het bestreden besluit is uitgegaan. Voor zover [appellant sub 1] heeft betoogd dat de toename van het aantal gehinderden van invloed is op de gehele besluitvormingsprocedure en dat de onderzoeken die aan het bestreden besluit ten grondslag hebben gelegen opnieuw hadden moeten worden uitgevoerd, overweegt de Afdeling als volgt. In de notitie van ADECS Airinfra is de berekening van het aantal gehinderden opnieuw uitgevoerd en zijn de daaruit volgende resultaten weergegeven. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze resultaten onjuist zijn en dat in voornoemde notitie de gevolgen onvoldoende in kaart zijn gebracht. De Afdeling is van oordeel dat de staatssecretaris de voornoemde wijzigingen in aantallen gehinderden in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten. 2.
- Ten aanzien van [appellant sub 1] dient de staatssecretaris op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], VOLE en [appellant sub 5] geven geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] gegrond; II. vernietigt de beslissing op bezwaar van 19 februari 2010, no. CEND/HDJZ-2010/175, voor zover het betreft de in het A-besluit opgenomen Ke-zone, de baan 23-05 voor zover deze langer is dan 1.800 m, met het daarbij behorende codenummer en de codeletter, en voor zover het betreft het RO-besluit; III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar van 19 februari 2010, no. CEND/HDJZ-2010/175, geheel in stand blijven; IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 3], de vereniging Vereniging Omwonenden Luchthaven Eelde en [appellant sub 5] ongegrond; V. veroordeelt de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 50,11 (zegge: vijftig euro en elf cent); VI. gelast dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat. w.g. Van Buuren w.g. Zwemstra voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012 91-634.