201100022/1/R1. Datum uitspraak: 7 maart 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellanten sub 1], beiden wonend te Bergen (Limburg), 2. [appellanten sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Bergen (Limburg), appellanten, en de raad van de gemeente Bergen (Limburg), verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 2 november 2010, nummer 7592, heeft de raad het bestemmingsplan "Bergen" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2011, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 31 januari 2011. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De raad en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2012, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. S. Oord, werkzaam bij Das Rechtsbijstand, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. R.T. Kirpestein, werkzaam bij Arag Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door drs. H.M. Arts-Erwich, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn de Galerie de Bakkerij, vertegenwoordigd door C. Burgers, en het kerkbestuur van de Sint Petruskerk, vertegenwoordigd door mr. L.C. Winkes, als partij gehoord. Buiten bezwaar van partijen heeft het kerkbestuur ter zitting een nader stuk overgelegd. 2. Overwegingen 2.1. [appellanten sub 1] betogen dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Perceel [locatie A]a 2.2. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat aan het perceel [locatie A]a ten onrechte een bedrijfsbestemming is toegekend. Zij voeren aan dat niet inzichtelijk is gemaakt waarom de galerie niet mogelijk is binnen een woonbestemming en wijzen er daarbij op dat de raad in het bestemmingsplan "Aijen" aan een Bed&Breakfast met huiskamerrestaurant wel een woonbestemming met een nadere aanduiding heeft toegekend. Voorts voeren [appellanten sub 1] aan dat de definitie van de aanduiding "galerie" ten onrechte is verruimd ten opzichte van het ontwerpplan. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de mogelijkheid om ook de bovenverdieping te gebruiken als galerie zal leiden tot aantasting van hun woon- en leefklimaat in de vorm van vermindering van privacy door inkijk in hun tuinen en woningen. Verder zal het gebruik van de bovenverdieping tot een verdubbeling van de bedrijfsoppervlakte leiden waardoor de parkeerproblematiek zal worden vergroot. Voorts betogen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] dat ten onrechte de horeca-activiteiten van de galerie kunnen worden verruimd ten opzichte van de eerder verleende vrijstelling. Volgens [appellant sub 2] zorgen de horeca-activiteiten thans ook voor overlast en is in het kader van een handhavingszaak door de Afdeling geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders ten onrechte heeft geweigerd handhavend op te treden. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat niet duidelijk is wat onder onderschikte horeca-activiteiten wordt verstaan. Gelet op de uitbreidingsmogelijkheden is het plan volgens [appellanten sub 1] en [appellant sub 2], anders dan de raad stelt, niet overwegend conserverend van aard. 2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een galerie een bedrijfsmatige activiteit is en dat hij daarom conform de Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (hierna: SVBP) heeft gekozen voor een bedrijfsbestemming. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat de aanduiding "galerie" niet de mogelijkheden biedt om de gebruiksmogelijkheden van de galerie te verruimen. De raad stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de bovenverdieping als galerie geen onaanvaardbare gevolgen zal hebben voor de omwonenden. In dat verband voert de raad aan dat vanuit de galerie geen inkijk bij de woning van [appellant sub 2] mogelijk is. Voorts voert de raad ten aanzien van de omliggende woningen aan dat nu de gevelopeningen niet veranderen, er geen sprake zal zijn van meer inkijk in de desbetreffende woningen en tuinen ten opzichte van de huidige situatie. Voorts voorziet het voorliggende plan volgens de raad niet in een ruimere regeling voor horeca dan zoals deze was vastgelegd in de verleende vrijstelling in 2007. Volgens de raad is in het plan een duidelijke koppeling gemaakt tussen de galerie en de mogelijke horeca als ondergeschikte nevenactiviteit. 2.2.2. Aan het perceel [locatie A]a is de bestemming "Bedrijf" met de nadere aanduiding "(sb-gal) specifieke vorm van bedrijf - galerie" toegekend. Aan een deel van de gronden is de bestemming "Tuin" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "(sb-gal) specifieke vorm van bedrijf - galerie" bestemd voor de uitoefening van een galerie met horeca als ondergeschikte nevenactiviteit. Ingevolge artikel 1, lid 1.28, is een galerie een ruimte waar tentoonstellingen plaatsvinden met als doel het verkopen en tonen van kunst, toegepaste kunst en/of vormgeving. De woning van [appellanten sub 1] staat op het naastgelegen perceel [locatie A]. De woning van [appellant sub 2] staat tegenover de galerie op het perceel [locatie B]. 2.2.3. Bij besluit van 22 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders aan de galerie met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan "Kom Bergen 1984" verleend ten behoeve van het realiseren van een galerie op het perceel [locatie A]a. 2.2.4. De Afdeling overweegt dat zij in haar uitspraak van 8 september 2010, in zaak nr. 200905802/1/R3 (www.raadvanstate.nl), heeft geoordeeld dat uit het begrip conserverend bestemmingsplan niet volgt dat alle bestemmingen gelijk moeten blijven aan de bestemmingen in het voorgaande plan en dat het plan geen enkele ruimte voor nieuwe ontwikkelingen mag bieden. 2.2.5. De raad heeft een grote mate van beleidsvrijheid om bestemmingen en regels voor gronden vast te stellen, waarbij hij ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met artikel 1.2.6 van het Besluit ruimtelijke ordening, het bestemmingsplan dient vorm te geven, in te richten en beschikbaar te stellen overeenkomstig de SVBP, die als bijlage II deel uitmaakt van deze Regeling. In de SVBP zijn in paragraaf 2.2 hoofdgroepen bestemmingen opgenomen met bijbehorende functies. Indien een functie met een bestemming wordt geregeld, moet hij volgens het SVBP onder de hoofdgroep worden geplaatst waar de functie is genoemd. De functie galerie is niet in de SVBP opgenomen. In paragraaf 2.2 van de SVBP staat verder dat functies die daar niet zijn genoemd, moeten worden geplaatst in die hoofdgroep die daarbij - gelet op de aard van de betrokken hoofdgroep - het best past. De raad heeft in zoverre dus beoordelingsvrijheid om te bepalen welke bestemming hij toekent aan de galerie. In onderhavig geval heeft de raad, gelet op de op het perceel voorkomende activiteiten, in redelijkheid een bedrijfsbestemming aan het perceel kunnen toekennen. De ter zitting geuite vrees dat de bestemming "Bedrijf" ertoe zal leiden dat gemakkelijker een andere, meer overlast gevende, functie op het perceel zal worden toegelaten, richt zich op een mogelijke toekomstige planologische ontwikkeling die nu niet aan de orde is omdat het gebruik is beperkt tot een galerie. Ten aanzien van de door [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met het bestemmen van de Bed&Breakfast in het bestemmingsplan "Aijen" wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat het gebruik als galerie het hoofdgebruik is van het perceel terwijl de Bed&Breakfast in het bestemmingsplan "Aijen" beperkt is tot een ondergeschikt deel van de woning. In hetgeen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. 2.2.6. Met betrekking tot het betoog dat de definitie van de aanduiding "galerie" ten onrechte is verruimd, overweegt de Afdeling het volgende. In het ontwerpplan was als definitiebepaling voor "galerie" opgenomen: "galerie: een professionele en voor publiek vrij toegankelijke ruimte waar aaneensluitende wisselende tentoonstellingen plaatsvinden met als doel het verkopen van kunstwerken van hedendaagse beeldend kunstenaars of vormgevers (die nog niet eerder door derden zijn verhandeld)." [appellanten sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de in het ontwerp opgenomen beperking tot nog niet eerder door derden verhandelde goederen ruimtelijke uitstraling heeft, zodat reeds daarom deze beroepsgrond niet kan slagen. 2.2.7. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de tuin bij de galerie ten onrechte gebruikt kan worden voor exposities overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels de voor "Tuin" aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de aangrenzend gelegen hoofdgebouwen. Nu op het perceel eveneens een bedrijfswoning is toegestaan, kan de tuin worden gebruikt als tuin voor de bedrijfswoning. Voorts wordt ingevolge artikel 6, lid 6.4, aanhef en onder c, van de planregels het gebruik van gronden met de bestemming "Tuin" voor exposities als verboden gebruik aangemerkt. Het plan voorziet derhalve niet in de mogelijkheid dat in de tuin van de galerie exposities worden gehouden. Het betoog mist derhalve feitelijke grondslag. Voorts is in artikel 4, lid 4.5, aanhef en onder c, van de planregels bepaald dat het gebruik van de gronden en bouwwerken op de plandelen met de bestemming "Bedrijf" voor detailhandel als strijdig gebruik wordt aangemerkt. Derhalve mist het betoog van [appellant sub 2] dat het plan ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om detailhandelsactiviteiten op het perceel uit te oefenen, feitelijke grondslag. 2.2.8. De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan voorziet in de mogelijkheid om de tweede bouwlaag van het gebouw op het perceel [locatie A]a als galerie te gebruiken. Met betrekking tot de woning van [appellant sub 2] overweegt de Afdeling dat deze tegenover de galerie staat en dat daartussen de Kerkstraat is gelegen. De kortste afstand tussen de woning van [appellant sub 2] tot de galerie bedraagt ongeveer 19 m. Nu de tuin van [appellant sub 2] achter de woning is gelegen, is in zoverre geen sprake van inkijk in de achtertuin. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de afstand tot de woning van [appellant sub 2] dermate groot is dat de inkijk in de woning vanaf de tweede bouwlaag van de galerie minimaal is. De kortste afstand tussen de woning van [appellanten sub 1] en de galerie bedraagt ongeveer 10 m. Daartussen ligt een deel van de tuin van [appellanten sub 1]. Wat betreft de mogelijke inkijk in de woning en tuin van [appellanten sub 1] is enige toename van de inkijk vanaf de tweede bouwlaag van de galerie niet uit te sluiten nu de woning en tuin van [appellanten sub 1] naast de galerie zijn gelegen. De Afdeling overweegt dat de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan de belangen van de galerie bij gebruik van de tweede bouwlaag dan aan de belangen van [appellanten sub 1]. In dit verband acht de Afdeling van belang dat de afstand tussen de bebouwing minimaal 10 m is en dat een deel van de tuin van [appellanten sub 1] op grotere afstand van de galerie ligt. Ten aanzien van de overlast ten gevolge van parkeren overweegt de Afdeling dat het plan niet hoeft te voorzien in een oplossing voor de bestaande parkeerproblematiek. In de enkele stelling van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] dat ten gevolge van het plan de parkeerproblemen zullen verergeren, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. 2.2.9. Bij besluit van 24 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend van het bestemmingsplan "Kom Bergen 1984" voor de verkoop van niet-alcoholhoudende drank, koek en/of vlaai op het perceel [locatie B], waarbij onder meer in aanmerking is genomen dat de verkoop uitsluitend plaatsvindt tijdens de openingstijden van de galerie waarvoor toestemming is verleend, de verkoop plaatsvindt in dezelfde ruimtes als waarin geëxposeerd wordt, de verkoop is gericht op de recreant die een bezoek brengt aan de galerie, de verkoopactiviteiten het karakter hebben van een aan de hoofdactiviteit (bemiddeling bij de verkoop van kunst) gelieerde nevenactiviteit, consumpties die verstrekt zullen worden nauwelijks een verkeersaantrekkende werking hebben en het initiatief een positief effect heeft op de toeristisch recreatieve infrastructuur van Bergen. Het plan voorziet ten behoeve van de galerie in de mogelijkheid horeca als ondergeschikte nevenactiviteit toe te laten. Anders dan [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen, is hiermee duidelijk dat de horeca alleen ten behoeve van de galerie mag worden uitgeoefend en daaraan ondergeschikt moet zijn. Het opnemen van de te verkopen consumpties heeft naar het oordeel van de Afdeling geen ruimtelijke relevantie. Voor zover [appellant sub 2] verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2011, in zaak nr. 201008735/1/H1 (www.raadvanstate.nl), overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving betreft die in deze procedure niet aan de orde kan komen. 2.2.10. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van [appellanten sub 1] en van [appellant sub 2] ten gevolge van de planregeling voor de galerie niet onevenredig wordt aangetast. 2.2.11. In hetgeen [appellanten sub 1] en van [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellanten sub 1] en van [appellant sub 2] tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van het perceel [locatie B] zijn ongegrond. Percelen Kerkstraat 6 en 8 2.3. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] richten zich voorts tegen de bestemmingsregeling voor de kerk op de percelen Kerkstraat 6 en 8. Aan dit plandeel zijn de bestemming "Maatschappelijk" en twee bouwvlakken toegekend waarop de kerk en een pastorie staan. De woning van [appellanten sub 1] staat op het tegenover gelegen perceel [locatie A]. De woning van [appellant sub 2] staat op het naastgelegen perceel [locatie B]. [appellanten sub 1] betogen dat aan het plandeel, anders dan in de zienswijzenota staat, ten onrechte niet de aanduiding "religie" is toegekend. 2.3.1. Ingevolge artikel 1.2.3, eerste lid, in samenhang met artikel 1.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening wordt, voor zover hier van belang, een bestemmingsplan langs elektronische weg vastgelegd en in die vorm vastgesteld en stelt het college van burgemeester en wethouders een bestemmingsplan op zodanige wijze beschikbaar dat dit langs elektronische weg door een ieder kan worden verkregen. Ingevolge artikel 1.2.2, eerste lid, is er een landelijke voorziening waar in elektronische vorm ruimtelijke plannen, zoals genoemd in artikel 1.2.1, voor een ieder toegankelijk en raadpleegbaar zijn. 2.3.2. De Afdeling overweegt dat op de in artikel 1.2.2. van het Besluit ruimtelijke ordening bedoelde landelijke voorziening (www.ruimtelijkeplannen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.