201112073/1/V3. Datum uitspraak: 8 maart 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister voor Immigratie en Asiel; thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 11 november 2011 in zaak nr. 11/35091 in het geding tussen: [de vreemdeling, zich ook noemende ..] en de minister. 1. Procesverloop Bij besluit van 26 oktober 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 11 november 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 november 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger. 2.2. De minister klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in het besluit tot ongewenstverklaring van 20 juli 1998 (hierna: de ongewenstverklaring) niet de rechtsgevolgen van dit besluit zijn vermeld, dat dit besluit geen meeromvattende beschikking is en dat het besluit daarom niet de door richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348, hierna: de Terugkeerrichtlijn of de richtlijn) vereiste administratieve vaststelling vervat dat het verblijf van de vreemdeling onrechtmatig is of wordt en dat er een terugkeerverplichting is. De minister betoogt daartoe dat de rechtsgevolgen van een ongewenstverklaring onder de oude Vreemdelingenwet niet anders waren dan onder de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en dat bovendien uit het voorblad bij de ongewenstverklaring wel degelijk blijkt van de daarmee samenhangende vertrekplicht. De minister betoogt voorts – zijns inziens ten overvloede – dat het tegen de ongewenstverklaring ingediende bezwaarschrift bij beschikking van 7 februari 2002 ongegrond is verklaard en dat hierbij wederom aan de vreemdeling is medegedeeld dat hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en Nederland dient te verlaten. 2.2.1. Het terugkeerbesluit wordt in artikel 3, vierde lid, van de richtlijn als volgt gedefinieerd: "de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld". In artikel 6, eerste lid, van de richtlijn staat dat de lidstaten, onverminderd de in de leden twee tot en met vijf vermelde uitzonderingen, een terugkeerbesluit uitvaardigen tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft. In het zesde lid van artikel 6 staat, voor zover thans van belang, dat de richtlijn niet belet dat het besluit inzake de beëindiging van het legaal verblijf tezamen met een terugkeerbesluit overeenkomstig de nationale wetgeving met één administratief of rechterlijk besluit of handeling kan worden genomen, onverminderd de procedurele waarborgen die zijn vervat in hoofdstuk III en in andere toepasselijke bepalingen van het communautair en het nationaal recht. In artikel 7, eerste lid, van de richtlijn staat, voor zover thans van belang, dat in een terugkeerbesluit een passende termijn voor vrijwillig vertrek van zeven tot dertig dagen wordt vastgesteld, onverminderd de in de leden 2 en 4 bedoelde uitzonderingen. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de richtlijn, voor zover thans van belang, wordt tegen een terugkeerbesluit een doeltreffend rechtsmiddel van beroep of bezwaar toegekend bij een bevoegde rechterlijke of administratieve autoriteit of bij een onpartijdig samengestelde bevoegde instantie waarvan de onafhankelijkheid is gewaarborgd. 2.2.2. Bij besluit van 20 juli 1998 is de vreemdeling ongewenst verklaard. In het voorblad bij deze beschikking staat dat de vreemdeling ongewenst is verklaard en dat hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Tegen de ongewenstverklaring heeft de vreemdeling op 20 augustus 1998 een bezwaarschrift ingediend. Dit is op 7 februari 2002 ongegrond verklaard. Onder punt 4 van dit besluit, onder het kopje "Rechtsgevolgen van deze beschikking" staat, voor zover thans van belang, dat de ongegrondverklaring van het bezwaarschrift tot gevolg heeft dat de ongewenstverklaring wordt gehandhaafd en dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben. 2.2.3. Aldus is in het besluit van 20 juli 1998 de door de richtlijn vereiste administratieve vaststelling vervat dat het verblijf van de derdelander onrechtmatig is of wordt en dat er een terugkeerverplichting is. Gelet hierop heeft de rechtbank niet onderkend dat na een zodanig besluit tot ongewenstverklaring, ook als dit ruim vóór het verstrijken van de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn en voor de inwerkingtreding van Vw 2000 is genomen, geen afzonderlijk terugkeerbesluit meer behoeft te worden genomen. Nu dit terugkeerbesluit in de beslissing op het tegen de ongewenstverklaring gerichte bezwaar is gehandhaafd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het terugkeerbesluit van 20 juli 1998 niet als grondslag voor de aan de vreemdeling opgelegde maatregel van bewaring mocht dienen. De grief slaagt. 2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 26 oktober 2011 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven. 2.4. Bij de rechtbank heeft de vreemdeling naar voren gebracht dat de minister heeft miskend dat de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde omstandigheden, gelet op het bepaalde in de richtlijn, geen grond geven voor het oordeel dat hij zijn verwijdering ontwijkt of belemmert. 2.4.1. Aan de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.