201101303/1/V1. Datum uitspraak: 19 maart 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister), appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 30 december 2010 in zaken nrs. 10/22637 en 10/22638 in de gedingen tussen: [..] (hierna: vreemdeling 1) en [..] (hierna: vreemdeling 2) (hierna tezamen: de vreemdelingen) en de minister. 1. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 27 mei 2010 heeft de minister van Justitie aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen alsmede geweigerd hun ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Deze besluiten zijn aangehecht. Bij uitspraak van 30 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 26 januari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger. 2.2. In de grieven, in onderlinge samenhang gelezen, klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, hij het standpunt dat de onderscheiden asielrelazen van de vreemdelingen positieve overtuigingskracht missen ondeugdelijk heeft gemotiveerd, omdat hij bij zijn beoordeling niet kenbaar rekening heeft gehouden met hun stellingen dat zij hun vrees voor de Taliban baseren op hetgeen de boer bij wie zij na het overlijden van hun ouders hebben verbleven hun heeft verteld, deze boer hen vanwege hun minderjarigheid niet volledig heeft geïnformeerd en zij gezien de positie van minderjarigen in de Afghaanse samenleving niet in de positie waren de boer vragen te stellen, dat vreemdeling 1 zijn verklaring dat de boer door de Taliban is meegenomen niet op zijn eigen waarneming maar op informatie van een derde persoon heeft gebaseerd, de verklaring van vreemdeling 2 dat hij niet weet wat er met de boer is gebeurd slechts één van het asielrelaas van vreemdeling 1 afwijkende verklaring is, vreemdeling 2 heeft gesteld dat hij gebeurtenissen heeft verdrongen en het nog maar de vraag is of hij ten tijde van het gehoor van het lot van de boer op de hoogte was gesteld. Hiertoe voert de minister aan dat de rechtbank heeft miskend dat geen aanvullende motivering vereist was, nu tijdens de gehoren met de minderjarigheid van de vreemdelingen rekening is gehouden, de onderscheiden voornemens tot het nemen van de besluiten zijn opgesteld door een ambtenaar die is opgeleid voor het afnemen van gehoren van minderjarigen en het voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas niet uitmaakt of een vreemdeling minderjarig of meerderjarig is. Volgens de minister is de minderjarigheid van de vreemdelingen geen reden om hun de vaagheid van hun verklaringen niet tegen te werpen. Voorts heeft de rechtbank volgens de minister miskend dat de door hem geconstateerde tegenstrijdige verklaring van vreemdeling 2 een essentieel onderdeel van zijn asielrelaas raakt en die vreemdeling zijn stelling dat hij gebeurtenissen heeft verdrongen niet heeft gestaafd. 2.2.1. Het in paragraaf C14/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend, neergelegde beleid van de minister over de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas maakt geen onderscheid tussen de beoordeling van het asielrelaas van een minderjarige en dat van een meerderjarige. 2.2.2. In hoger beroep is niet in geschil dat de vreemdelingen zijn gehoord en evenbedoelde voornemens zijn opgesteld door ambtenaren die zijn opgeleid voor het afnemen van gehoren van minderjarigen. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister aldus rekening heeft gehouden met de minderjarigheid van de vreemdelingen en dat hij gezien het hiervoor vermelde beleid niet verplicht was bij de inhoudelijke beoordeling van hun asielrelazen de door hen gewenste betekenis aan hun minderjarigheid te hechten. De minister heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hun asielrelazen, bezien in het licht van hun minderjarigheid en de positie van minderjarigen in Afghanistan, positieve overtuigingskracht missen vanwege de vaagheid van hun verklaringen en het verschil in hun verklaringen over het lot van de boer. De grief slaagt. 2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, worden de onderscheiden besluiten van 27 mei 2010 getoetst in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze na hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven. 2.4. De vreemdelingen voeren aan dat zij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), omdat zij in de negatieve belangstelling van de Taliban staan, minderjarig zijn en hun ouders zijn overleden. Volgens de vreemdelingen zijn zij door hun minderjarigheid niet goed op de hoogte van de bedreigingen door de Taliban en kan hun dit niet worden aangerekend. Hierbij wijzen zij op paragrafen 213 tot en met 219 van het 'Handbook on procedures and criteria for determining refugee status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees' (hierna: het Handbook) en overweging 14 van de preambule en artikel 17 van de Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (hierna: de procedurerichtlijn). Volgens de vreemdelingen heeft de minister er onvoldoende rekening mee gehouden dat uit algemene informatie over Afghanistan, waaronder het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Afghanistan van juli 2010 (hierna: het ambtsbericht), blijkt dat de Taliban kinderen als soldaat of zelfmoordterrorist inzet en had hij hiernaar nader onderzoek moeten laten verrichten. Hierbij is volgens hen van belang dat hun vader, oom, neef en voormelde boer problemen met de Taliban hebben ondervonden en dat een arts uit het dorp waar de boer woonde, is vermoord. 2.4.1. Gezien hetgeen hiervoor in 2.2.2 is overwogen, heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de asielrelazen van de vreemdelingen positieve overtuigingskracht missen en derhalve ongeloofwaardig zijn. Voormelde paragrafen 213 tot en met 219 doen daaraan niet af, reeds nu uit de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2011 in zaak nr. 201012596/1/V1 (www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.