(2006), op provinciaal schaalniveau heeft plaatsgevonden door aanduiding van de Groene hoofdstructuur (hierna: GHS)-natuur. Het beleid ten aanzien van gebieden die zijn aangeduid als GHS is gericht op de planologische bescherming van de (potentiële) natuurwaarden en de hiermee samenhangende landschappelijke waarden in de GHS. In de GHS is op langere termijn alleen plaats voor natuur, (grondgebonden) landbouw, recreatie met een groen karakter en andere laagdynamische functies, zoals bosbouw en waterbeheer. 2.19.
- De raad heeft het provinciale beleid dat betrekking heeft op de GHS onderschreven en als gemeentelijk beleid toegepast bij de vaststelling van het plan. 2.19.
- Tussen partijen is niet in geschil dat de betreffende gronden die in eigendom zijn van Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en Brabants Landschap in de GHS liggen. De betreffende gronden hebben op de verbeelding de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden 1" dan wel "Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden 2", behoudens een strook op kaart 4 van de verbeelding waaraan de bestemming "Agrarisch" is toegekend. 2.19.
- De raad heeft zitting te kennen gegeven dat ten tijde van de vaststelling van het plan een ruilverkaveling gaande was waarbij onder meer de onderhavige gronden betrokken waren. In afwachting van de uitkomsten van de ruilverkaveling heeft de raad de agrarische bestemming van de gronden gehandhaafd. De Afdeling acht deze keuze van de raad niet onredelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de Interimstructuurvisie staat dat binnen de GHS plaats is voor agrarisch grondgebruik en dat in voormelde planregels is bepaald dat de betreffende gronden ook zijn aangewezen voor behoud, herstel en ontwikkeling van de landschaps- en de natuurwaarden en dat een aanlegvergunningenstelsel is opgenomen ter bescherming van deze waarden, zodat de bescherming van de landschaps- en natuurwaarden is gewaarborgd. Overigens heeft de raad ter zitting verklaard dat medewerking zal worden verleend aan het wijzigen van de agrarische bestemming van deze gronden als blijkt dat de bestemming "Natuur" passender is. Het betoog faalt. 2.
- BMF en ABC Milieugroep betogen dat de bestemming "Natuur" moet worden toegekend aan de gronden die een agrarische bestemming hebben en die in de EHS binnen 10 m van de oevers van waterelementen liggen. Zij betogen dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen en het bemesten van deze gronden een bedreiging vormt voor de kwaliteit van het water en voor de vegetatie op de oevers. 2.20.
- Naar het oordeel van de Afdeling hebben BMF en ABC Milieugroep niet aannemelijk gemaakt dat het toegelaten agrarische gebruik van deze gronden en het daarmee gepaard gaande gebruik van bestrijdingsmiddelen en mest zal leiden tot een zodanige aantasting van de waterkwaliteit of de vegetatie op de oevers, dat hier de bestemming "Natuur" had moeten worden toegekend. Het betoog faalt. 2.
- BMF en ABC Milieugroep betogen voorts dat de natuurwaarden van de EHS en de GHS onvoldoende worden beschermd ter plaatse van een militair complex. Hiertoe voeren zij aan dat in de planregels is bepaald dat 5% van het bestemmingsvlak van het militaire complex, dat 80 ha omvat, mag worden bebouwd, wat neerkomt op een oppervlakte van 4 ha. BMF en ABC Milieugroep verwijzen voorts naar de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2009, in zaak nr. 200708124/
- 2.21.
- Het militaire complex ligt in een gebied dat in de Interimstructuurvisie is aangewezen als GHS-natuur en Regionale Natuur- en Landschapseenheid (hierna: RNLE). Over de zogenoemde externe bescherming van de GHS staat in paragraaf 4.5 van de Paraplunota dat voor deze gronden - voor zover zij niet zijn aangeduid als RNLE of natuurparels - het 'nee, tenzij principe' geldt. Hier is uitbreiding van stedelijk ruimtebeslag alleen toelaatbaar als daar zwaarwegende maatschappelijke belangen aan ten grondslag liggen, en pas nadat een onderzoek heeft aangetoond dat er geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten de GHS en de AHS-landschap, of andere oplossingen waardoor de aantasting van de natuur- en de hiermee samenhangende landschapswaarden wordt voorkomen. In het geval van een dergelijke onontkoombaarheid moet, aldus de Paraplunota, verzekerd zijn dat de aantasting van de natuurwaarden en van de daarmee samenhangende landschapswaarden tot een minimum wordt beperkt en wordt gecompenseerd. Voor zover deze gronden zijn aangeduid als RNLE geldt eveneens het 'nee-principe'. Ten aanzien van militaire terreinen staat in paragraaf 6.6 van de Paraplunota dat voor de natuur- en landschapswaarden het externe beschermingsregime van toepassing is, zoals beschreven in paragraaf 4.5, met dien verstande dat voor de aanleg, uitbreiding en intensivering van militaire terreinen in RNLE'n en in natuurparels gelegen buiten deze RNLE'n het 'nee, tenzij-principe' geldt en dat de door de Minister van Defensie gewenste aanleg, uitbreiding of intensivering van een militair terrein in beginsel wordt aangemerkt als een zwaarwegend maatschappelijk belang. Voor bestaande militaire terreinen die gelegen zijn in het buitengebied buiten de stedelijke regio’s wordt ernaar gestreefd dat geen verdere uitbreiding van de bebouwing plaatsvindt. 2.21.
- Aan de gronden, waar een militair munitiepark is gevestigd, is de bestemming "Maatschappelijk - Militair" toegekend. Ingevolge artikel 14, lid 14.1, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk - Militair" aangewezen gronden bestemd voor: a. een militair depot; b. een zendmast en een brandtoren; (…) e. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschaps- en natuurwaarden; (…). Ingevolge lid 14.2.1, onder c, mag het bestemmingsvlak voor niet meer dan 5% worden bebouwd. Ingevolge lid 14.4.1 is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de in die bepaling genoemde werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren. Ingevolge lid 14.4.3 kan de in lid 14.4.1 genoemde vergunning slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden. 2.21.
- Voor zover BMF en ABC Milieugroep verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2009 in zaak nr. 200708124/1, overweegt de Afdeling dat, anders dan in deze zaak, in de planregels, van het in die zaak aan de orde zijnde plan, was bepaald dat de bescherming van natuurwaarden ondergeschikt is aan een ander doeleind. 2.21.
- Ter zitting hebben BMF en ABC Milieugroep gesteld dat momenteel minder dan 1% van het terrein is bebouwd, hetgeen de raad niet heeft weersproken. Voorts heeft de raad niet weersproken dat het plan de mogelijkheid biedt om de bebouwing uit te breiden tot een oppervlakte van 4 ha van het terrein. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan geboden mogelijkheid om de bebouwing uit te breiden in overeenstemming is met het hiervoor vermelde beleid over de externe bescherming van de GHS. De verwijzing van de raad naar het aanlegvergunningenstelsel dat in de planregels is opgenomen, noch de door de raad aangevoerde omstandigheid dat deze bouwmogelijkheid reeds in het voorheen geldende plan was opgenomen, geven er blijk van dat de raad dit beleid in acht heeft genomen. Wat de door de raad gevreesde nadelige invloed van het plan op de waarde van het militaire terrein betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die bij de bescherming van de EHS aan de orde zijn. Het betoog slaagt. 2.21.
- In hetgeen BMF en ABC Milieugroep hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft artikel 14, lid 14.2.1, onder c, van de planregels niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat als gevolg van deze vernietiging de planregels geen beperkingen aan de nieuwbouw van gebouwen meer stellen, totdat voor dit onderdeel een planherziening in werking is getreden. Teeltondersteunende voorzieningen (hierna: tov) 2.
- BMF en ABC Milieugroep betogen dat de definitie van "overige tov" die in artikel 1 van de planregels is opgenomen, rechtsonzeker is, omdat daaruit niet duidelijk volgt of daaronder uitsluitend een permanente voorziening in de vorm van een hek wordt verstaan of ook andere permanente voorzieningen. De maximale oppervlakte van 1,5 ha die in artikel 6, lid 6.3, van de planregels is toegelaten voor overige tov, wijst er volgens hen op dat ook andere permanente voorzieningen daaronder vallen. Voorts voeren BMF en ABC Milieugroep aan dat ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a, en artikel 6, lid 6.3, van de planregels overige tov, waaronder permanente tov worden verstaan, bij recht onderscheidenlijk met toepassing van een ontheffingsbevoegdheid buiten het bouwvlak zijn toegelaten. Zij betogen dat het plan in zoverre in strijd is met de provinciale "Beleidsnota Teeltondersteunende Voorzieningen" (hierna: beleidsnota tov). BMF en ABC Milieugroep voeren voorts aan dat voor het perceel Valkenburgseweg 4 is voorzien in een vergroting van het bouwvlak, waardoor teeltondersteunend glas kan worden gerealiseerd, en voor het perceel Strijbeekseweg 56 is voorzien in een containerveld. Deze ontwikkelingen achten zij niet in overeenstemming met de beleidsnota tov. 2.22.
- Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt verstaan onder: - (teelt)ondersteunende voorzieningen: (teelt)ondersteunende voorzieningen, die onderdeel zijn van de totale agrarische bedrijfsvoering van een (grondgebonden) open- of vollegrondstuinbouwbedrijf(stak), boom- of vaste plantenteeltbedrijf(stak) en die gebruikt worden om de bedrijfsvoering te optimaliseren. - overige (teelt)ondersteunende voorzieningen: een permanente (teelt)ondersteunende voorziening c.q. een bouwwerk in de vorm van een hek met afrastering, met een hoogte van niet meer dan 2,5 m, op boomteeltpercelen waarmee dieren van die percelen geweerd kunnen worden. - permanente (teeltondersteunende) voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen die voor een periode langer dan 6 maanden worden gebruikt. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, waaronder tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Agrarisch met waarden -Landschaps- en natuurwaarden 1" aangewezen gronden bestemd voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen. Ingevolge lid 6.3 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 6.2 voor het bouwen van tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen, mits wordt voldaan aan de daar genoemde voorwaarden. 2.22.
- De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij onder overige tov verstaat een voorziening waarmee dieren kunnen worden geweerd van percelen die worden gebruikt voor boomteelt. De raad acht het toegelaten dat een dergelijke voorziening wordt uitgevoerd in de vorm van een permanente tov, zoals een hek met afrastering. De raad heeft echter niet uitsluitend een hek met afrastering willen toelaten, maar ook een andere voorziening, zoals bijvoorbeeld een plastic doek. Deze uitleg van de raad van het begrip overige tov volgt naar het oordeel van de Afdeling niet eenduidig uit de definitie die in artikel 1 van de planregels is neergelegd. Het betoog van BMF en ABC Milieugroep dat de begripsomschrijving van overige tov in de planregels op dit punt onduidelijk is, slaagt. 2.22.
- In paragraaf 3.4 van de beleidsnota tov worden hekken om boomteeltpercelen, om dieren te weren van de percelen, als voorbeeld genoemd van overige voorzieningen die buiten het bouwvlak kunnen worden geplaatst. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat het plan in zoverre in overeenstemming is met de beleidsnota tov. Het betoog faalt. 2.22.
- Ten aanzien van het perceel Strijbeekseweg 56 staat in de zienswijzenrapportage dat het een bestaand containerveld betreft dat reeds in het voorheen geldende plan als zodanig was bestemd. De raad heeft het containerveld daarom ook in het voorliggende plan als zodanig bestemd door het toekennen van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", zonder bouwvlak. Onder deze omstandigheden heeft de raad het in redelijkheid gerechtvaardigd kunnen achten in zoverre af te wijken van de beleidsnota tov, waarin staat dat permanente voorzieningen alleen zijn toegelaten op een agrarisch bouwvlak. Het betoog faalt. 2.22.
- Ten aanzien van het perceel Valkenburgseweg 4 staat in de zienswijzenrapportage dat het bouwvlak van het perceel Valkenburgseweg 4 is vergroot voor een te bouwen loods waarvoor reeds een bouwvergunning is verleend. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hiermee niet is voorzien in een uitbreiding van teeltondersteunend glas, in strijd met de beleidsnota tov. Het betoog faalt. 2.22.
- In hetgeen BMF en ABC Milieugroep hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de definitie van "overige (teelt)ondersteunende voorzieningen" in artikel 1 van de planregels, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van BMF en ABC Milieugroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling ziet op verzoek van partijen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de omschrijving van "overige (teelt)ondersteunende voorzieningen" in artikel 1 van de planregels luidt: "permanente (teelt)ondersteunende voorzieningen in de vorm van een afscheiding, eventueel in de vorm van een hek, met een hoogte van niet meer dan 2,5 m op boomteeltpercelen, waarmee dieren van die percelen geweerd kunnen worden". In hetgeen BMF en ABC Milieugroep voor het overige op dit punt hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is voor het overige in zoverre ongegrond. Bescherming RNLE 2.
- BMF en ABC Milieugroep voeren aan dat het plan in strijd met het provinciale beleid ten aanzien van de RNLE voorziet in een toename van intensieve gebruiksfuncties met verstedelijking en verstening tot gevolg. Hiertoe voeren zij aan dat in het plan is voorzien in een uitbreiding van de woonfunctie voor de percelen Strijbeekseweg 39 en 39b en Inneem 1 en 3, wat volgens hen kan leiden tot een toename van de verharde oppervlakte. Daarnaast voeren zij aan dat voor het perceel Valkenburgseweg 4 is voorzien in een vergroting van het bouwvlak, waardoor teeltondersteunend glas kan worden gerealiseerd, en voor het perceel Strijbeekseweg 56 is voorzien in een containerveld. Voorts voeren zij aan dat het plan voorziet in een bedrijfsbestemming ter plaatse van het perceel Bredaseweg
- Volgens BMF en ABC Milieugroep heeft de raad daarnaast ten onrechte de gevolgen van deze uitbreidingsmogelijkheden voor de RNLE niet tezamen bezien. 2.23.
- In paragraaf 4.4.3 van de Interimstructuurvisie staat dat een toename van intensieve gebruiksfuncties waarbij sprake is van verstedelijking en/of intensieve verstening (wonen en bedrijvigheid inclusief glastuinbouw) in de RNLE’n niet is gewenst, behoudens beperkte afronding van stads- en dorpsranden (het ‘nee-principe’). Voor het overige geldt binnen de RNLE'n het beschermingsregime van de onderliggende zonering, zoals dat door gedeputeerde staten is uitgewerkt voor de GHS en de AHS. Dit beleid is nader uitgewerkt in de Paraplunota ruimtelijke ordening. In paragraaf 4.5.1 staat dat de externe bescherming van de GHS en de AHS-landschap tegen de uitbreiding van steden en dorpen, de aanleg en uitbreiding van bedrijventerreinen en de aanleg en (fysieke) aanpassing van niet-recreatieve infrastructuur, hierna aangeduid als de uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag, het volgende inhoudt. Voor RNLE’n en in de natuurparels buiten deze eenheden geldt het ‘nee-principe’. Uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag is hier uitgesloten, afgezien van de aanleg en de (fysieke) aanpassing van niet-recreatieve infrastructuur, waarvoor het ‘nee, tenzij-principe’ geldt. Beperkte afrondingen van stads- of dorpsranden, die tot een duidelijke verbetering van de stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit leiden, zijn toegestaan in de AHS-landschap, subzone RNLE-landschapsdeel. Voor alle vormen van ruimtegebruik die niet kunnen worden beschouwd als een uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag en evenmin onder het hierna te beschrijven interne beschermingsregime vallen, geldt in de GHS en de AHS-landschap het ‘nee, tenzij-principe’. Dit houdt kort gezegd onder meer in dat sprake moet zijn van zwaarwegende belangen en dat geen alternatieve locatie beschikbaar is. 2.23.
- Ter zitting heeft de raad bevestigd dat hij het provinciale beleid dat betrekking heeft op de RNLE onderschrijft en als gemeentelijk beleid heeft toegepast bij de vaststelling van het plan. Hieraan heeft de raad toegevoegd dat het plan voor deze percelen weliswaar voorziet in uitbreidingsmogelijkheden, maar dat deze mogelijkheden niet per definitie zullen leiden tot een aantasting van de RNLE. Volgens de raad is voor elk perceel bezien welke natuurwaarden aanwezig zijn en of de gewenste ontwikkelingen in het licht daarvan mogelijk zijn. 2.23.
- Voor het standpunt van BMF en ABC Milieugroep dat de gevolgen van uitbreidingsmogelijkheden in de RNLE tezamen moeten worden bezien, vindt de Afdeling geen steun in het voormelde beleid over de RNLE. 2.23.
- Het containerveld ter plaatse van het perceel Strijbeekseweg 56 was reeds in het voorheen geldende plan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken met de gebiedsbestemming "Agrarisch hoofdstructuur (AHS)" en de aanduiding "Kontainerveld (K)" als zodanig bestemd. Ook in het voorliggende plan is het containerveld als zodanig bestemd met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", zonder bouwvlak. De stelling van BMF en ABC Milieugroep dat het voorliggende plan in zoverre voorziet in uitbreiding van het ruimtebeslag, is derhalve onjuist. 2.23.
- Ten aanzien van het perceel Valkenburgseweg 4 staat in de zienswijzenrapportage dat het bouwvlak van het perceel Valkenburgseweg 4 is vergroot om een te bouwen loods waarvoor reeds een bouwvergunning is verleend en bestaande trayvelden binnen het agrarisch bouwvlak op te nemen. Dit is door de BMF en ABC Milieugroep niet bestreden. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het als zodanig bestemmen van de loods en trayvelden niet in strijd is met het provinciale beleid over de RNLE, waarbij in aanmerking wordt genomen dat bij het bestemmingsplan bestaande rechten in beginsel dienen te worden gerespecteerd. 2.23.
- Ten aanzien van het perceel Strijbeekseweg 39 verwijzen BMF en ABC Milieugroep naar nummer A08 van het overzicht van ambtshalve wijzigingen dat bij het bestreden besluit behoort. Dit punt ziet echter op het perceel Strijbeekseweg 39b. Het beroep van BMF en ABC Milieugroep ten aanzien van het perceel Strijbeekseweg 39 wordt daarom geacht te zijn gericht tegen het perceel Strijbeekseweg 39b. In het voorheen geldende plan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken was ter plaatse van het perceel Strijbeekseweg 39b een bestemmingsvlak met een woonbestemming opgenomen. In het voorliggende plan is deze bestemming gecontinueerd. Daarnaast voorziet het voorliggende plan in een geringe uitbreiding van de woonbestemming ter plaatse van gronden die in het voorheen geldende plan een agrarische bestemming hadden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze uitbreiding niet in de weg zal staan aan de ontwikkeling van natuur en landschap in de RNLE. Voor het oordeel dat deze uitbreiding in strijd is met het beleid over de RNLE ziet de Afdeling in hetgeen BMF en ABC Milieugroep hebben aangevoerd geen aanleiding. 2.23.
- Ten aanzien van de percelen Inneem 1 en 3 staat onder nummer A-43 van het overzicht ambtshalve wijzigingen dat Inneem 1 en Inneem 3 één woning vormen en dat daarom beide bestemmingsvlakken moeten worden samengevoegd en uitgebreid tot één bestemmingsvlak. In het voorheen geldende plan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Nieuw-Ginneken waren de gronden tussen de percelen Inneem 1 en 3 bestemd als "Multifunktioneel bosgebied". In het voorliggende plan is ter plaatse van deze gronden een aanzienlijk bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" opgenomen. Het plan biedt de mogelijkheid om op deze gronden bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op te richten en om op dit perceel paden, wegen en parkeervoorzieningen aan te leggen. Dat het uitbreiden van de woonbestemming in overeenstemming is met het beleid over de RNLE heeft de raad met de stelling dat de ontwikkeling mogelijk is en de natuurwaarden niet zal aantasten naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd. Het betoog slaagt. 2.23.
- Het perceel Bredaseweg 89 had in het voorheen geldende plan de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Agrarisch gebied". In het voorliggende plan zijn deze bestemmingen gewijzigd in de bestemming "Bedrijf". Het wijzigen van de agrarische bestemming in een bedrijfsbestemming betekent dat een uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk wordt gemaakt. Dat het plan in zoverre in overeenstemming is met het beleid over de RNLE heeft de raad met de stelling dat de ontwikkeling mogelijk is en de natuurwaarden niet zal aantasten naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd. Het betoog slaagt. 2.23.
- In hetgeen BMF en ABC Milieugroep hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van het perceel Bredaseweg 89 en het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de gronden tussen de percelen Inneem 1 en 3 niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. In hetgeen BMF en ABC Milieugroep voor het overige op dit punt hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is voor het overige in zoverre ongegrond. Struweelvogels 2.
- BMF en ABC Milieugroep betogen dat voor de gebieden plaatselijk bekend als Gilzesche Heide en Koekedongen ten onrechte niet in voldoende bescherming van struweelvogels is voorzien. Zij voeren aan dat deze gebieden in het provinciale beleid zijn aangeduid als struweelvogelgebied. Gezien het aantal broedparen dat volgens het ten behoeve van het plan uitgevoerde ecologisch onderzoek daar aanwezig is en vanwege het voorkomen van vogels die op de zogenoemde Rode Lijst zijn vermeld, zoals de patrijs, moeten deze gebieden worden voorzien van de bestemming "Agrarisch gebied met waarden - Landschaps- en natuurwaarden", ter bescherming van de struweelvogels. BMF en ABC Milieugroep stellen verder dat uit artikel 3, tweede lid, onder b en d, van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: de Vogelrichtlijn) volgt dat vogels zowel binnen als buiten de als speciale beschermingszones aangewezen gronden moeten worden beschermd. 2.24.
- Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar het aantal broedterritoria van struweelvogels in vier gebieden in de gemeente Alphen-Chaam, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Onderzoek naar struweelvogels in vier gebieden in de gemeente Alphen-Chaam" uit juli 2008, uitgevoerd door Ecologisch Adviesbureau Cools. 2.24.
- Voor de aanwijzing van een gebied als struweelvogelgebied in het voorliggende plan is de raad niet uitsluitend uitgegaan van de zonering van deze gebieden in het provinciale beleid. De raad heeft als uitgangspunt gehanteerd dat moet worden voldaan aan een minimale dichtheid van struweelvogelsoorten die indicatief zijn voor kleinschalige landschappen, uitgedrukt in het aantal broedparen per ha. De raad heeft daarbij gebruik gemaakt van de resultaten van het bovenvoormelde onderzoek en van de "Handreiking Ecologische Bouwstenen voor de GHS en AHS in het Streekplan 2002" van 30 augustus 2006 om te beoordelen of een gebied zich kwalificeert als struweelvogelgebied gezien het daarin aanwezige aantal broedterritoria. De raad acht het aantal broedterritoria in de gebieden Gilzesche Heide en Koekedongen te gering om een aanwijzing van de gebieden als leefgebied voor struweelvogels te rechtvaardigen. 2.24.
- Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid deze methode kunnen hanteren om te bezien of een gebied moet worden aangewezen als struweelvogelgebied. Voorts hebben BMF en ABC Milieugroep niet aannemelijk gemaakt dat het aantal broedterritoria zodanig groot is dat moet worden aangenomen dat deze gebieden belangrijke leefgebieden vormen voor de struweelvogels die zijn betrokken bij het ecologisch onderzoek. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in het deskundigenbericht staat dat de gebieden Gilzesche Heide en Koekedongen open gebieden zijn die intensief agrarisch worden gebruikt. Het is daarom niet te verwachten is dat struweelvogels hier in groten getale zullen gedijen. Voor het oordeel dat het plan niet in voldoende bescherming van struweelvogels voorziet in de gebieden Gilzesche Heide en Koekedongen, ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding. Het betoog faalt. 2.24.
- In hetgeen BMF en ABC Milieugroep op dit punt hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond. Zandpaden 2.
- BMF en ABC Milieugroep kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Verkeer" ter plaatse van het onverharde deel van de Oude Tilburgsebaan. Zij voeren aan dat het zandpad een belangrijke cultuurhistorische en landschappelijke waarde vertegenwoordigt. In de planregels had daarom een aanlegvergunningenstelsel moeten worden opgenomen om te voorkomen dat het zandpad zonder nadere afweging kan worden verhard, aldus BMF en ABC Milieugroep. 2.25.
- Aan de Oude Tilburgsebaan is de bestemming "Verkeer" toegekend. Ingevolge artikel 21, lid 21.1, van de planregels, voor zover van belang, zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor voorzieningen voor verkeer en verblijf, waaronder wegen, paden en parkeervoorzieningen. In artikel 21 is niet voorzien in een aanlegvergunningenstelsel. 2.25.
- Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat een deel van de Oude Tilburgsebaan reeds is verhard. Voorts is gebleken dat de Oude Tilburgsebaan een functie heeft voor verkeersafwikkeling, van in ieder geval langzaam verkeer. De raad acht het daarom wenselijk om de mogelijkheid open te laten om ook dit deel van de Oude Tilburgsebaan te verharden. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van het kunnen verharden van dit pad zwaarder weegt dan het door de BMF en ABC Milieugroep voorgestane belang bij het behoud van dit pad als zandpad. De raad heeft daarom in redelijkheid niet behoeven voorzien in een aanlegvergunningenstelsel voor het verharden van de Oude Tilburgsebaan. Het betoog faalt. 2.25.
- In hetgeen BMF en ABC Milieugroep op dit punt hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 7] 2.
- [appellanten sub 7] kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover daarin is voorzien in één plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de percelen [locatie 5] en [locatie 6]. Zij voeren aan dat onduidelijk is of de woning op het perceel [locatie 6] of een bijgebouw op het perceel [locatie 5], die zij als woning gebruiken, hiermee als zodanig is bestemd. Dit achten zij rechtsonzeker. Voorts betogen [appellanten sub 7] dat het plan in overeenstemming moet worden gebracht met de kadastrale eigendomsituatie en het feitelijke gebruik van de percelen, door twee afzonderlijke plandelen in het plan op te nemen om de woning en het als zelfstandige woning in gebruik zijnde bijgebouw als zodanig te bestemmen. Zij voeren aan dat het gebruik van het bijgebouw op het perceel [locatie 5] als zelfstandige woning niet in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Chaam", zoals volgens hen ook volgt uit een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 9 december
- Daarnaast stellen zij dat het aantal woningen door het bestemmen van het zelfstandige gebruik van het bijgebouw feitelijk niet toeneemt en dat het niet aannemelijk is dat dit gebruik binnen de planperiode van tien jaar zal worden beëindigd. Voorts wijzen [appellanten sub 7] erop dat uit de nota zienswijzen volgt dat de bestemming voor het perceel Cauwelaerseweg 12 wel is gebaseerd op de eigendomsverhouding en de feitelijke situatie. 2.26.
- Aan de percelen [locatie 5] en [locatie 6] is een plandeel met de bestemming "Wonen" toegekend. Ingevolge artikel 23, lid 23.2.1, onder a, van de planregels is per bestemmingsvlak bebouwing ten behoeve van één woning toegestaan. Ingevolge artikel 33, lid 33.1, aanhef en onder b, wordt onder strijdig gebruik, als bedoeld in artikel 7.10 Wro, in ieder geval verstaan het gebruiken of laten gebruiken voor wonen van vrijstaande bijgebouwen bij een (bedrijfs)woning. Ingevolge artikel 1 wordt onder woning verstaan een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. Ingevolge artikel 1 wordt onder bijgebouw verstaan een vrijstaand gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw (de woning), dat qua afmeting en/of in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Ingevolge artikel 1 wordt onder hoofdgebouw verstaan een gebouw dat op een bouwperceel, door zijn constructie, bouwmassa, ruimtelijke uitstraling en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste bouwwerk is aan te merken, met dien verstande dat een woning te allen tijde als het hoofdgebouw wordt aangemerkt. 2.26.
- In het voorheen geldende plan "Buitengebied Chaam" was aan de percelen een plandeel met de medebestemming "Woondoeleinden (W)" en de aanduiding "vrijstaande woning (W1)" toegekend. Ingevolge artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften zijn op de gronden overeenkomstig de aanduiding op de kaart, in verband met de bestemming, toegelaten één vrijstaande, dan wel half vrijstaande woning, conform de aanduiding in de lijst bij de detailplankaarten, alsmede bij de woning behorende bijgebouwen. Ingevolge artikel 1, punt 26, wordt onder bijgebouw verstaan een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw, dat door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Ingevolge artikel 1, punt 45, wordt onder hoofdgebouw verstaan een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 2.26.
- Niet in geschil is dat voor het bijgebouw waar [appellanten sub 7] wonen een bouwvergunning is verleend voor een garage bij de woning [locatie 6]. Voorts staat vast dat zij de garage zonder de daarvoor benodigde bouwvergunning hebben verbouwd tot zelfstandige woning en als zodanig in gebruik hebben genomen. 2.26.
- Het gebouw dat [appellanten sub 7] bewonen heeft in vergelijking met het gebouw op het perceel [locatie 6] geringe afmetingen en staat schuin achter het gebouw [locatie 6]. Gelet op de begripsomschrijvingen van "bijgebouw" en "woning" die in artikel 1 van de planregels zijn opgenomen heeft de raad zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het gebouw op het perceel [locatie 6] in het plan is bestemd als woning en dat het gebouw dat [appellanten sub 7] bewonen is bestemd als een vrijstaand bijgebouw bij die woning, dat niet zelfstandig mag worden bewoond. De Afdeling ziet niet in dat het plan op dit punt onduidelijk is. Het betoog dat in zoverre een rechtsonzekere situatie is ontstaan, faalt. 2.26.
- Ook in het voorheen geldende plan was het gebouw van [appellanten sub 7] bestemd als bijgebouw bij de woning [locatie 6], gelet op de bestemming en de aanduiding die in dat plan aan de percelen [locatie 5] en [locatie 6] waren toegekend en de daarbij behorende planvoorschriften. Nu in het voorheen geldende plan één vrijstaande woning was toegestaan op de percelen, kunnen [appellanten sub 7] niet worden gevolgd in hun stelling dat het gebruik van het bijgebouw als zelfstandige woning in dat plan was toegestaan. Anders dan zij stellen, bevat de door hen aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda geen oordeel over de vraag of het gebruik van het bijgebouw in strijd is met het voorheen geldende plan. Voorts is niet de feitelijke situatie, maar de juridisch-planologische situatie bepalend voor de vraag of het aantal woningen toeneemt als het bestaande gebruik van het bijgebouw als zodanig wordt bestemd. Aangezien in het voorheen geldende plan één woning was toegelaten op de percelen, de woning [locatie 6], betekent het als zodanig bestemmen van de zelfstandige bewoning van het bijgebouw in dit plan dat juridisch-planologisch een nieuwe woning mogelijk wordt gemaakt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid, dat zich verzet tegen een toename van het aantal burgerwoningen in het buitengebied. De omstandigheid dat niet aannemelijk is dat [appellanten sub 7] het gebruik van het bijgebouw als woning tijdens de planperiode zullen beëindigen, brengt niet met zich dat de raad dit gebruik in afwijking van het gemeentelijke beleid als zodanig had moeten bestemmen. Evenmin behoefde de raad aanleiding te zien om vanwege de eigendomsverhoudingen van de percelen twee afzonderlijke plandelen met een woonbestemming toe te kennen. Eigendomsverhoudingen zijn uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet van doorslaggevende betekenis. 2.26.
- Ten aanzien van de door [appellanten sub 7] gemaakte vergelijking met het perceel Cauwelaerseweg 12 wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie. Op dat perceel zijn twee bestaande woningen aan weerszijden van een kinderdagverblijf als zodanig bestemd. In hetgeen [appellanten sub 7] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellanten sub 7] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Voor zover [appellanten sub 7] ter zitting hebben verwezen naar een groot aantal andere percelen in het buitengebied van de gemeente Alphen-Chaam waar volgens hen wel nieuwe burgerwoningen zijn toegestaan, wordt overwogen dat zij met deze niet nader onderbouwde stelling niet aannemelijk hebben gemaakt dat die situaties overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. 2.26.
- In hetgeen [appellanten sub 7] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 7] is ongegrond. Het beroep van [appellante sub 8] en anderen 2.
- [appellante sub 8] en anderen kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" en de aanduiding "bedrijfswoning" ter plaatse van hun perceel [locatie 7] te Alphen. Zij betogen dat het gebruik van de op het perceel aanwezige woning als burgerwoning als zodanig moet worden bestemd. Hiertoe voeren zij aan dat met toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken (hierna: Rbv) de voormalige veehouderij op het perceel in 2002 is beëindigd en de bijbehorende bedrijfsgebouwen zijn gesloopt. Gezien deze voorgeschiedenis had het toekennen van de bestemming "Wonen" aan de voormalige agrarische bedrijfswoning volgens hen in de rede gelegen en hebben zij er ook op kunnen vertrouwen dat aan de voormalige agrarische bedrijfswoning een woonbestemming zou worden toegekend. Ook uit artikel 7 van de beleidsregeling Ruimte voor Ruimte en de toelichting daarop volgt volgens hen dat het toekennen van een woonbestemming is aangewezen. [appellante sub 8] en anderen stellen dat het toekennen van een woonbestemming geen belemmering zal opleveren voor de naastgelegen intensieve veehouderij, omdat gezien het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna Wgv) de woning dezelfde bescherming blijft behouden als een agrarische bedrijfswoning. Ook wijzen zij erop dat in het voorontwerp van het plan wel de bestemming "Wonen" aan hun woning was toegekend. [appellante sub 8] en anderen betogen voorts dat de percelen Hondseind 5 en Boslust 5 eveneens voormalige agrarische bedrijfslocaties zijn waar het voormalige agrarische bedrijf onder toepassing van de Rbv is beëindigd en dat aan die percelen wel een woonbestemming is toegekend. 2.27.
- De raad acht nieuwe burgerwoningen in een landbouwontwikkelingsgebied, waarbinnen het perceel ligt, niet wenselijk. Voorts stelt de raad dat het bestemmen van de woning als burgerwoning een verdere belemmering zal vormen voor de naastgelegen veehouderij. 2.27.
- Ter plaatse van het perceel [locatie 7] is de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" en de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels, voor zover van belang, zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven en bedrijfswoningen. 2.27.
- Ingevolge artikel 1 van de Wgv wordt onder een geurgevoelig object verstaan een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of [op] een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wgv, voor zover van belang, bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. 2.27.
- Op het perceel ten zuiden van het perceel [locatie 7] is een intensieve veehouderij gevestigd waarvan niet in geschil is dat deze moet worden aangemerkt als een veehouderij als bedoeld in de Wgv. De woning op het perceel [locatie 7] kan worden aangemerkt als een geurgevoelig object als bedoeld in de Wgv. Het perceel ligt buiten de bebouwde kom. Niet in geschil is dat de veehouderij die op het perceel [locatie 7] was gevestigd in 2002 onder toepassing van de Rbv is ontmanteld en dat hiertoe de bedrijfsgebouwen zijn afgebroken en de milieuvergunning van de veehouderij is ingetrokken. [appellante sub 8] en anderen hebben in 2005 de voormalige agrarische bedrijfswoning als burgerwoning in gebruik genomen. Gelet op het voorgaande dient de woning op het perceel [locatie 7] te worden aangemerkt als een geurgevoelig object dat na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. De voor dergelijke woningen ingevolge de Wgv geldende normen zijn gelijk aan de normen voor de aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij. Ten opzichte van de situatie waarin de woning op het perceel [locatie 7] dienst doet als bedrijfswoning bij een veehouderij heeft het toekennen van een bestemming als burgerwoning aan het perceel [locatie 7] dan ook geen verdere beperking voor de bedrijfsvoering van de naastgelegen veehouderij tot gevolg. De raad heeft in zoverre een onjuist standpunt ingenomen. 2.27.
- Dit leidt evenwel niet tot het oordeel dat de raad de woning op het perceel [locatie 7