(2), p. 390 e.v., van juni 2011;
- de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 23 juni 2011 in zaak nr. 11/6556 en van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 24 juni 2011, in zaak nr. 11/7168 en
- de uitspraken van de voorzitter van de Afdeling van 6 juni 2011 in zaak nr. 201106161/2/V3 en van 10 juni 2011 in zaak nr. 201106412/2/V
- 2.1.
- Uit de in 2.
- vermelde uitspraken van 14 juli 2011, waarin onder meer de in 2.1.
- onder
- t/m
- vermelde documenten zijn betrokken, volgt dat, ook indien deze documenten over de situatie in Italië worden beoordeeld op de in het arrest M.S.S. omschreven wijze, er geen grond bestaat voor het oordeel dat deze aan overdracht van vreemdelingen aan Italië in de weg staan. De Afdeling heeft daartoe in die uitspraken overwogen dat de desbetreffende documenten geen concrete aanknopingspunten bevatten dat Italië asielzoekers die in het kader van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend zijn of zullen worden overgedragen, in strijd met zijn non-refoulementverplichtingen verwijdert. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat die documenten onvoldoende grond bieden voor de conclusie dat de detentie- en levensomstandigheden waar vreemdelingen in Italië mee te maken kunnen krijgen, of de toepassing van de asielprocedure in dat land, in de praktijk van een zodanige aard zijn dat op basis daarvan zou moeten worden geconcludeerd dat wat voor Griekenland heeft te gelden, in gelijke mate opgaat voor Italië. Aldus bezien kon, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, de minister ten aanzien van de in 2.1.
- onder
- t/m
- vermelde documenten voor zijn nadere motivering ter zitting bij de voorzieningenrechter met een verwijzing naar voormelde uitspraken van 14 juli 2011 volstaan. Ten aanzien van de overige stukken waarop de vreemdeling zich heeft beroepen heeft de minister zich ter zitting bij de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat de inhoud ervan evenmin aanleiding geeft voor de conclusie dat van overdracht aan Italië zou moeten worden afgezien. De Afdeling verwijst daartoe naar haar uitspraak van 27 februari 2012 in zaak nr. 201010541/1V4 (www.raadvanstate.nl). Voorts biedt, zoals ook in het besluit en het daarin ingelaste voornemen is uiteengezet, het persoonlijk relaas van de vreemdeling geen indicaties voor het oordeel dat de Italiaanse asielprocedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De vreemdeling werd in Italië niet bedreigd met uitzetting naar zijn land van herkomst. Evenmin kan uit zijn verklaringen worden afgeleid dat hij eerder in dat land het slachtoffer is geworden van een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. Ten aanzien van de stelling van de vreemdeling dat zijn medische klachten aan overdracht aan Italië in de weg staan, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de medische voorzieningen in Italië moeten worden geacht vergelijkbaar te zijn met die in Nederland en dat die klachten, indien nodig, in Italië kunnen worden behandeld. Onder voormelde omstandigheden heeft de voorzieningenrechter ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand gelaten. De grief slaagt. 2.
- Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij niet is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 30 mei 2011 in stand worden gelaten en voor zover de minister is opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. 2.
- De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 26 juli 2011 in zaak nr. 11/18403 voor zover de voorzieningenrechter daarbij: - niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 30 mei 2011 in stand blijven; - de minister voor Immigratie en Asiel heeft opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen; III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 30 mei 2011 geheel in stand blijven; IV. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, mr. C.J. Borman en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink voorzitter w.g. Prins ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2012 363-
- Verzonden: 16 april 2012 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, mr. H.H.C. Visser