201109067/1/V1. Datum uitspraak: 19 april 2012 Raad van State AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister), appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 22 juli 2011 in zaak nr. 10/36102 in het geding tussen: […] (hierna: de vreemdeling) en de minister. 1. Procesverloop Bij besluit van 24 juni 2010 heeft de minister van Justitie de vreemdeling ongewenst verklaard. Bij besluit van 21 september 2010 heeft de minister van Justitie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 22 juli 2011, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. In het kader van de toepassing van de artikelen 8:29 en 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang met artikel 87 van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 (hierna: de Wiv 2002), heeft de minister de Afdeling desgevraagd bij brief van 10 november 2011 toestemming verleend om mede op grondslag van de aan het individueel ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) van 18 maart 2010 met kenmerk 4315304/01 (hierna: het ambtsbericht) ten grondslag liggende stukken, waarvan hij geen kennis kan nemen, uitspraak te doen. De vreemdeling heeft evenbedoelde toestemming verleend bij brief van 14 november 2011. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Daarna is het onderzoek heropend. Bij brief van 31 januari 2012 heeft het hoofd juridische zaken van de AIVD de Afdeling desgevraagd de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken doen toekomen en met een beroep op artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat alleen de Afdeling van die stukken kennis mag nemen. Op 6 februari 2012 heeft de Afdeling in een andere samenstelling beslist dat de verzochte beperking van kennisneming gerechtvaardigd is. Bij brieven van 8 onderscheidenlijk 10 februari 2012 hebben de minister en de vreemdeling de Afdeling desgevraagd toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om mede op grondslag van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken uitspraak te doen. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers. 2.2. Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een vreemdeling door de minister ongewenst worden verklaard: (…) c. indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, (…) e. in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland. 2.3. De vreemdeling heeft de Bulgaarse nationaliteit. De minister heeft in het besluit van 21 september 2010 zijn standpunt gehandhaafd dat zij een gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 en dat het belang van de internationale betrekkingen van Nederland, als bedoeld in die bepaling, aanhef en onder e, vordert dat zij ongewenst wordt verklaard. Aan dit standpunt heeft hij het ambtsbericht ten grondslag gelegd. 2.4. Het ambtsbericht, voor zover thans van belang, luidt als volgt: […] 2.5. De minister klaagt in de enige grief dat de rechtbank in rechtsoverweging 6.3 van de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat de minister zijn in het besluit van 21 september 2010 gehandhaafde standpunt dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid niet zonder nadere motivering heeft kunnen baseren op het ambtsbericht. Volgens de minister heeft de rechtbank, door te overwegen dat zij in de onderliggende stukken geen steun heeft gevonden voor de aan de vreemdeling in dat ambtsbericht verweten gedraging dat zij via versluierd taalgebruik opdrachten van een hoger geplaatst kaderlid van de DHKP/C ontvangt, miskend dat uit de overige in het ambtsbericht geconstateerde gedragingen, waarvoor de rechtbank volgens voormelde rechtsoverweging voldoende grondslag heeft gevonden in de onderliggende stukken, reeds volgt dat de vreemdeling via versluierd taalgebruik opdrachten van een hoger geplaatst kaderlid van de DHKP/C ontving. Bovendien geven volgens de minister die overige gedragingen op zichzelf bezien reeds voldoende aanleiding voor het oordeel dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. De minister wijst in dit verband op de als bijlage bij het hogerberoepschrift overgelegde en aan hem gerichte brief van 5 augustus 2011 van het waarnemend hoofd van de AIVD, waarin deze mededeelt dat naar zijn mening de onderliggende stukken van het ambtsbericht voldoende grondslag bieden voor de aan de vreemdeling verweten gedraging en dat hij voorts van mening is dat de vreemdeling ook op grond van de overige geconstateerde gedragingen in het ambtsbericht als gevaar voor de nationale veiligheid wordt beschouwd. 2.5.1. Na kennisneming van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank weliswaar terecht heeft vastgesteld dat de aan de vreemdeling in het ambtsbericht verweten gedraging dat zij via versluierd taalgebruik opdrachten van een hoger geplaatst kaderlid van de DHKP/C ontvangt niet uitdrukkelijk in de onderliggende stukken is terug te vinden, maar dat uit deze stukken niettemin voldoende zijn af te leiden de in het ambtsbericht verweten gedragingen van de vreemdeling en de daaruit volgende conclusies dat de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland geheel in het teken staat van haar werkzaamheden voor de DHKP/C. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de onderliggende stukken blijkt dat de vreemdeling via versluierd taalgebruik communiceert, dat zij opdrachten ontvangt en dat zij contact heeft met een kaderlid van de DHKP/C. Voorts wordt in aanmerking genomen dat in hoger beroep onbestreden zijn de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak dat de minister niet heeft hoeven twijfelen aan de juistheid van het ambtsbericht en dat uit het ambtsbericht voldoende duidelijk blijkt op basis waarvan de AIVD heeft geconcludeerd dat de vreemdeling een gevaar is voor de nationale veiligheid. De grief slaagt. 2.6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 21 september 2010 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist. 2.7. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat de ongewenstverklaring een inbreuk vormt op het familie- en privéleven dat zij hier te lande uitoefent en derhalve in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en artikel 7 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, als aangepast op 12 december 2007 te Straatsburg (hierna: het EU Handvest). 2.7.1. In het besluit van 21 september 2010 heeft de minister zijn in het besluit van 24 juni 2010 neergelegde standpunt gehandhaafd dat zich in dit geval geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM voordoet en evenmin een schending van privéleven in de zin van dat artikel, omdat de sociale banden die de vreemdeling gedurende haar verblijf in Nederland is aangegaan daarvoor onvoldoende gewicht in de schaal leggen. Voorts heeft de minister er in dit verband op gewezen dat de vreemdeling niet heeft gesteld dat zij langer dan twee jaar in Nederland heeft verbleven en evenmin dat zij hier rechtmatig heeft verbleven. Nu de vreemdeling over haar privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM slechts zonder nadere toelichting heeft gesteld dat zij zakelijke en persoonlijke banden heeft gesmeed en onderhouden, is er geen grond voor het oordeel dat de minister het besluit van 21 september 2010 heeft genomen in strijd met artikel 8 van het EVRM. Haar beroep op artikel 7 van het EU Handvest slaagt evenmin, reeds omdat zij dat beroep niet heeft gemotiveerd. De beroepsgrond faalt. 2.8. De vreemdeling heeft voorts in beroep onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), A. en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, van 19 februari 2009, nr. 3455/05 (www.echr.coe.int), betoogd dat zij in strijd met artikel 6 van het EVRM en artikel 47, tweede alinea, van het EU Handvest, geen kennis heeft kunnen nemen van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de omstandigheid dat de rechter de onderliggende stukken van het ambtsbericht mag inzien, niet maakt dat is voldaan aan het vereiste van 'adversarial proceedings' ofwel een procedure op tegenspraak, zoals bedoeld in die bepalingen. Voorts heeft zij gesuggereerd om de prejudiciële vragen te stellen of artikel 47 van het EU Handvest in vreemdelingenzaken dezelfde procedurele voorwaarden aan een eerlijk proces stelt als artikel 6 van het EVRM wanneer die bepaling van toepassing is en zo ja, of dan dezelfde uit de jurisprudentie van het EHRM af te leiden bewijsregels ten aanzien van geheim bewijs van toepassing zijn. 2.8.1. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM (onder meer het arrest van 5 oktober 2000, Maaouia tegen Frankrijk, nr. 39652/98, AB 2001, 80) vallen procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen niet binnen het bereik van artikel 6 van het EVRM. Dit betekent evenwel niet dat aan de in deze bepalingen vervatte waarborgen geen betekenis toekomt, voor zover het de aan een rechtsprekend orgaan en aan de door dat orgaan gevolgde procedures te stellen eisen betreft. Het recht op een eerlijk proces, waaronder begrepen het recht op gelijke proceskansen (equality of arms) en het recht op een procedure op tegenspraak (adversarial proceedings), als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, geldt immers evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling. Aangezien het bepaalde in artikel 6 van het EVRM op dat rechtsbeginsel berust, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het EHRM over de uitleg van deze verdragsbepaling. 2.8.2. Zoals voorts volgt uit de uitspraak van 30 november 2011 in zaak nr. 201010838/1/T1/H3 (www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.