201202255/1/V3. Datum uitspraak: 26 april 2012 Raad van State AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 23 februari 2012 in zaak nr. 12/4742 in het geding tussen: […], ook bekend onder de naam […], en de minister. 1. Procesverloop Bij besluit van 24 januari 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 23 februari 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 maart 2012, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. De vreemdeling heeft op 18 oktober 2009 een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij besluit van 28 juli 2011 is deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 4 november 2011 in zaak nr. 11/27612, waarvan de minister in hoger beroep een afschrift heeft overgelegd, is het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van beroepsgronden. De vreemdeling heeft van 25 november 2011 tot en met 24 januari 2012 in strafrechtelijke detentie verbleven. Aansluitend aan de expiratie van die detentie is de vreemdeling de maatregel van bewaring opgelegd. 2.2. De minister klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling na de expiratie van de strafrechtelijke detentie niet aansluitend in vreemdelingenbewaring had mogen worden gesteld, dat hem de gelegenheid had moeten worden geboden om binnen de hem resterende vertrektermijn - die weer is aangevangen na afloop van die detentie - Nederland alsnog zelfstandig te verlaten en dat de stelling van de minister dat de vreemdeling gedurende de strafrechtelijke detentie onvoldoende zou hebben gedaan om zijn terugkeer te bewerkstelligen niet tot een andersluidend oordeel leidt. Daartoe voert de minister, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de situatie zoals die zich voordeed in de zaak die heeft geleid tot de door haar genoemde uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2011 in zaak nr. 201100555/1/V3 (www.raadvanstate.nl), thans niet aan de orde is. Voorts heeft de rechtbank volgens de minister niet onderkend dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de strafrechtelijke detentie de vertrektermijn opschort. In dit verband betoogt de minister dat de omstandigheid dat de vreemdeling gedurende een gedeelte van de vertrektermijn in strafrechtelijke detentie heeft verbleven geen betrekking heeft op de toepassing van vreemdelingenrechtelijke wet- en regelgeving, dat die detentie voor zijn rekening en risico komt en dat het feit dat hij die vertrektermijn niet in volledige vrijheid heeft kunnen benutten hem niet behoeft te beletten uiting te geven aan de op hem rustende vertrekplicht. 2.2.1. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan uit de door haar genoemde uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2011 niet worden afgeleid dat een vreemdeling niet mag worden tegengeworpen dat hij zich niet aan zijn vertrektermijn heeft gehouden, indien hij gedurende die termijn in strafrechtelijke detentie wordt gesteld. In de zaak die tot die uitspraak heeft geleid, was de situatie aan de orde van een vreemdeling die onmiddellijk nadat een besluit tot ongewenstverklaring aan hem was uitgereikt, waarin hem was aangezegd Nederland onmiddellijk - binnen 24 uur - te verlaten, in bewaring was gesteld en dat hem om die reden niet kon worden tegengeworpen dat hij zich niet aan zijn vertrektermijn had gehouden. De minister betoogt in de grief terecht dat die situatie zich bij de vreemdeling - die gedurende een gedeelte van de vertrektermijn louter strafrechtelijk was gedetineerd - niet voordoet. Voorts heeft de rechtbank niet onderkend dat, zoals de minister in de grief evenzeer terecht betoogt, geen grond bestaat voor het oordeel dat de strafrechtelijke detentie de vertrektermijn opschort. In dit verband betoogt de minister terecht dat die detentie geen betrekking heeft op de toepassing van vreemdelingenrechtelijke wet- en regelgeving en voor rekening en risico van de vreemdeling komt en dat - naar ook volgt uit hetgeen de Afdeling heeft overwogen onder rechtsoverweging 2.7.2.2. van de uitspraak van 12 april 2012 in zaak nr. 201200612/1/V3 (www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.