201106055/1/V1. Datum uitspraak: 15 mei 2012 Raad van State AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister voor Immigratie en Asiel, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 3 mei 2011 in zaak nr. 10/44793 in het geding tussen: (-) en de minister. 1. Procesverloop Bij besluit van 6 december 2010 heeft de minister de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 3 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 30 mei 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers. 2.2. In de enige grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, voor zover thans van belang, hij, door geen nieuw voornemen uit te brengen, in strijd met artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) heeft gehandeld. De minister betoogt hiertoe dat, samengevat weergegeven, de rechtbank daartoe ten onrechte heeft overwogen dat hij niet alle aan het besluit van 6 december 2010 ten grondslag gelegde dragende overwegingen in het voornemen van 16 november 2009 heeft opgenomen. 2.2.1. Ingevolge artikel 3.119 van het Vb 2000 wordt, wanneer na het uitreiken of toezenden van het voornemen feiten of omstandigheden: a. bekend worden, of b. reeds bekend waren, maar naar aanleiding van de zienswijze van de vreemdeling anders worden beoordeeld of gewogen, die voor de te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn en Onze Minister voornemens blijft de aanvraag af te wijzen, dit aan de desbetreffende vreemdeling meegedeeld en wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen. 2.2.2. Volgens paragraaf C15/6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) kan het, wanneer na het uitreiken of toezenden van het voornemen nieuwe feiten of omstandigheden bekend worden, of indien reeds bekende feiten en omstandigheden anders worden beoordeeld of gewogen, voorkomen dat het voornemen tot afwijzen blijft bestaan, maar dat, gemeten naar de nieuwe stand van zaken, niet alle dragende overwegingen in het voornemen zijn opgenomen. In dat geval wordt een nieuwe voornemenprocedure gestart. 2.2.3. In het voornemen heeft de minister zich, voor zover thans van belang en samengevat weergegeven, op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist. Hiertoe heeft de minister redengevend geacht dat de vreemdeling summier heeft verklaard over de gestelde op 6 juli 2007 voorgevallen gebeurtenis die aanleiding voor zijn vertrek uit zijn land van herkomst is geweest, terwijl hij daarna nog ruim één maand in zijn woonplaats heeft verbleven en verwacht mag worden dat hij in die periode meer informatie had laten inwinnen. Zo heeft de vreemdeling summiere verklaringen afgelegd over hetgeen een van zijn broers die dag heeft besproken met de gewapende mannen die in zijn woning zijn geweest, over de groepering waartoe die mannen behoorden en over de reden waarom zij juist naar zijn woning waren gekomen. Verder heeft de minister de verklaring van de vreemdeling over de wijze waarop hij en zijn gezinsleden op 6 juli 2007 hebben kunnen ontkomen, onaannemelijk geacht. Voorts heeft de minister van belang geacht dat vaag is gebleven hoe de vreemdeling te weten is gekomen dat voormelde gewapende mannen degenen zijn geweest die na 6 juli 2007, naar gesteld, zijn auto en die van een van zijn broers in brand hebben gestoken. In het besluit heeft de minister, voor zover thans van belang en samengevat weergegeven, door het voornemen daarin in te lassen, het standpunt dat het relaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist, gehandhaafd. Daarin heeft hij voorts toegevoegd dat dit standpunt ook is gebaseerd op tegenstrijdigheden tussen het rapport van het nader gehoor van 4 oktober 2007, de zienswijze van 28 december 2009 en het rapport van het gehoor van 11 maart 2010 (hierna: het rapport van gehoor). Immers, volgens voormeld rapport van het nader gehoor heeft de vreemdeling verklaard dat hij niet weet tot welke groepering de mannen behoorden die op 6 juli 2007 zijn woning zijn binnengevallen en dat die mannen de auto's van hem en een van zijn broers in brand hebben gestoken, terwijl hij in voormelde zienswijze heeft gesteld dat hij aanneemt dat de gewapende mannen verbonden waren aan de 'islamitisch Iraakse staat groepering' en volgens het rapport van het gehoor heeft verklaard dat hij wel wist dat die mannen tot de Mujaheddin behoorden, maar niet precies tot welke groepering, en dat die mannen ook zijn woning in brand hebben gestoken. Aan voormeld standpunt heeft de minister eveneens toegevoegd dat de door de vreemdeling ter staving van zijn asielrelaas overgelegde akten van het overlijden van twee van zijn broers, volgens de verklaring van onderzoek van het Bureau documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: Bureau documenten) van 22 maart 2010 (hierna: de verklaring van onderzoek), hoogstwaarschijnlijk niet echt zijn. De door de vreemdeling overgelegde dreigbrief en stukken over zijn werk als autoverkoper doen niet af aan voormeld standpunt, omdat hij daarmee zijn asielrelaas niet heeft gestaafd, aldus de minister. 2.2.4. In het voornemen, dat integraal deel uitmaakt van het besluit, heeft de minister reeds uiteengezet dat en op grond van welke redenen het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist. Gelet hierop heeft de rechtbank in de omstandigheid dat de minister in het besluit nog nadere argumenten heeft genoemd voor het ontbreken van positieve overtuigingskracht ten onrechte aanleiding gezien voor het oordeel dat het voornemen niet de het besluit dragende overwegingen bevat. Derhalve heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister, door geen nieuw voornemen uit te brengen, in strijd met artikel 3.119 van het Vb 2000 heeft gehandeld. De grief slaagt. 2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 6 december 2010 aan de daartegen in beroep aangevoerde beroepsgronden worden getoetst, voor zover deze nog bespreking behoeven. 2.4. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat de minister ten onrechte een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan hem heeft tegengeworpen. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat hij voor zijn reis geen grensoverschijdingsdocumenten heeft gebruikt, gedetailleerde verklaringen over zijn reis heeft afgelegd en documenten ter staving van zijn identiteit, nationaliteit en asielrelaas heeft overgelegd. 2.4.1. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de desbetreffende vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. 2.4.2. Volgens paragraaf C4/3.6.2 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, zijn de documenten die de reisroute onderbouwen in de eerste plaats de reisdocumenten waarvan men zich bediend heeft bij grenscontroles tijdens de reis naar Nederland. In de tweede plaats betreft dit alle andere documenten en bescheiden op grond waarvan kan worden vastgesteld welke reisroute de asielzoeker heeft gevolgd. Het reisverhaal kan worden onderbouwd met alle documenten en bescheiden die gelden als formeel of indicatief bewijs. Volgens paragraaf C4/3.6.3 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, is het in beginsel niet geloofwaardig dat een asielzoeker geen enkel (indicatief) bewijs van zijn reis kan overleggen. In het geval een asielzoeker geen documenten inzake zijn reisroute overlegt, maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten een consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring aflegt, geeft hij blijk van wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute. Wanneer de verifieerbare elementen blijken te kloppen, kan de conclusie zijn dat het volledig ontbreken van documenten inzake de reisroute niet aan de asielzoeker is toe te rekenen. 2.4.3. In het besluit en het daarin ingelaste voornemen daartoe heeft de minister de omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f van de Vw 2000 aan de vreemdeling tegengeworpen, omdat deze geen enkel bewijs van zijn reis naar Nederland heeft overgelegd en geen gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen over die reis heeft afgelegd. 2.4.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 maart 2009 in zaak nr. 200804908/1; www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.