(1999), het gewenst is het beleid voor windenergie te intensiveren. Omdat de totale plaatsingsmogelijkheden op land en in zoete wateren worden geschat op 1500 MW, is het noodzakelijk de optie windenergie op zee tot ontwikkeling te brengen. De eerste stap die daartoe nodig wordt geacht, is het tot stand brengen van een eenmalig demonstratieproject windenergie binnen de territoriale wateren, het zogenoemde Near Shore Windpark (ook wel: Offshore Windpark Egmond aan Zee; OWEZ). Met dit Near Shore Windpark kan ervaring en kennis worden verkregen, zodat over enkele jaren grote windparken verder op zee (off shore) in bedrijf kunnen worden genomen, aldus de PKB-NSW. Verder is in de PKB-NSW met het oog op de realisatie van een demonstratieproject Near Shore Windpark een gebied aangewezen waarbinnen het gebouwd kan worden. De grenzen van het gebied worden bepaald door aanwezige kabels en pijpleidingen. Het gaat hier, zo blijkt uit de PKB-NSW, om beleid waarvan het kabinet niet mag afwijken zonder het formeel herzien van de PKB. 2.2.
- Dat blijkens de PKB-NSW het Near Shore Windpark is bedoeld om ervaring en kennis te verkrijgen teneinde over enkele jaren grote windparken verder op zee in bedrijf te kunnen nemen, betekent, anders dan het Productschap Vis betoogt, niet dat het PKB-NSW moet worden geacht tevens het plaatsingsbeleid voor windturbineparken in de exclusieve economische zone te bevatten. Het in de PKB-NSW neergelegde moratorium op vergunningverlening geldt uitsluitend voor de territoriale wateren. Het plaatsingsbeleid voor windturbines in de exclusieve economische zone is, naar de rechtbank met juistheid heeft overwogen, opgenomen in de Nota Ruimte en de uitwerking daarvan in het Integraal Beheerplan Noordzee 2015 (hierna: het IBN 2015). Blijkens het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV III) (Kamerstukken II 2008/09, 31 410, nr. 15, paragraaf 1.3) blijft de PKB-NSW van toepassing voor zover het de instandhouding en beëindiging van het Near Shore Windpark betreft. De Nota Ruimte brengt daar geen verandering in, evenmin als de beleidsregels waarbij het moratorium voor de exclusieve economische zone is opgeheven. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de PKB-NSW niet van toepassing is op de exclusieve economische zone en het daarin neergelegde moratorium derhalve niet aan vergunningverlening in de weg staat. 2.
- Het Productschap Vis komt vervolgens op tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van aantasting van de belangen van natuur en milieu als gevolg van de vergunningverlening. Het betoogt in dat verband in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is in te zien dat in het milieueffectrapport en de passende beoordeling is uitgegaan van te positieve aannames en aldus de gevolgen van de aanleg, exploitatie en demontage van het windturbinepark voor vissen en vislarven onzorgvuldig en ontoereikend zijn beoordeeld. Ter onderbouwing van dat betoog voert het Productschap Vis aan dat er leemten zitten in de kennis over de effecten van het oprichten, in stand houden en verwijderen van offshore windturbineparken op het onderwaterleven, zodat negatieve effecten op het onderwaterleven onvoldoende zijn uitgesloten. Het Productschap Vis betoogt verder dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de staatssecretaris geen toepassing heeft gegeven aan het voorzorgbeginsel. Ter onderbouwing voert het Productschap Vis aan dat een monitoring- en evaluatieprogramma, zoals dat in de vergunningvoorschriften is opgenomen, niet kan voorkomen dat de gevolgen van een afnemende visstand op de visserijsector worden afgewenteld in de vorm van vangstbeperkingen. Volgens het Productschap Vis had toepassing van het voorzorgbeginsel er voorts toe moeten leiden dat in afwachting van de uitkomsten van het monitoring- en evaluatieprogramma van het reeds in werking zijnde Near Shore Windpark geen vergunning zou worden verleend. 2.3.1.
- Het toetsingskader voor vergunningverlening wordt gevormd door artikel 3, eerste en tweede lid, van de Wbr en is verder uitgewerkt in artikel 5 van de beleidsregels. In de toelichting op artikel 5 is vermeld dat met de toepassing van de Wbr-bevoegdheden primair het veilig en doelmatig gebruik van het zeegebied wordt beschermd, maar ook andere belangen, waaronder die van natuur en milieu en visserij, bij beoordeling van de aanvraag worden betrokken. Met het oog daarop zijn volgens artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de beleidsregels voor de beslissing op een aanvraag gegevens over de gevolgen voor het milieu nodig. Deze gegevens dient de aanvrager te verschaffen. In de toelichting op artikel 4 is vermeld dat de oprichting van installaties in de exclusieve economische zone belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Bij de beoordeling van de aanvraag zal dan ook bekeken moeten worden of de activiteit niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor het milieu. In dat licht, alsmede gelet op de verplichtingen op grond van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 1985 L 175), zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (PB 1997 L 73), zal voor installaties als bedoeld in de bijlagen I en II bij genoemde richtlijn, waaronder een windturbinepark, niet eerder een vergunning worden verleend dan nadat de gegevens, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, in de vorm van een milieueffectrapportage zijn overgelegd, aldus de toelichting. 2.3.1.
- In het bij de aanvraag overgelegde milieueffectrapport is gesteld dat zich leemten bevinden in de kennis over de effecten van windturbineparken op zee. De belangrijkste leemten betreffen de kennis van de aanvaringskansen van vogels bij offshore windturbines en de geluidsinvloed van heien van funderingen op vissen en zeezoogdieren. In verband met de geconstateerde leemten is in het milieueffectrapport een voorzet gedaan voor een monitoring- en evaluatieprogramma. Vervolgens zijn de effecten van aanleg, exploitatie, onderhoud en verwijdering van het windturbinepark op onder meer het onderwaterleven onderzocht. Vermeld is dat in de aanlegfase er meerdere bronnen van verstoring, geluid en trillingen zijn die kunnen leiden tot effecten op het onderwaterleven. Deze effecten hangen vooral samen met het heien van funderingen. Bij de aanleg van het windturbinepark Tromp Binnen is evenwel gekozen voor zogenoemde gravity base structure funderingen, waarbij niet wordt geheid. Het effect op vislarvensterfte als gevolg van de aanleg van gravity base structure funderingen is volgens het milieueffectrapport verwaarloosbaar. Dat geldt ook voor het verwijderen van de funderingen. De effecten op het onderwaterleven in de gebruiksfase zijn eveneens gering tot verwaarloosbaar. Nu evenwel voor het onderwaterleven niet op voorhand kan worden uitgesloten dat significante effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen in de Natura 2000-gebieden, heeft een nadere analyse op significantie plaatsgevonden in een locatiespecifieke passende beoordeling. In de locatiespecifieke passende beoordeling is in de eerste plaats geconcludeerd dat - hoewel in het algemeen de kennis over de verspreiding van een aantal vissen dat behoort tot beschermde soorten volgens de Habitatrichtlijn in de Noordzee beperkt is - er geen significante effecten van de aanleg van de windturbineparken op vissen worden verwacht aangezien voor het windturbinepark Tromp Binnen gravity based funderingen worden gebruikt, waarbij niet zal worden geheid. Evenmin worden om die reden relevante effecten op vislarven verwacht en een doorwerking van vislarvensterfte naar de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Over de effecten tijdens het operationeel bedrijf is geconstateerd dat vissoorten die op de locatie van het windturbinepark Tromp Binnen kunnen voorkomen, geen gehoorschade zullen oplopen als gevolg van het door de draaiende turbines gegenereerde onderwatergeluid en dat het eventuele biotoopverlies als gevolg van dat geluid verwaarloosbaar klein is ten opzichte van het totale leefgebied. Geconcludeerd wordt dat de aanleg en aanwezigheid van het windturbinepark niet leidt tot significante negatieve effecten op de relevante Natura 2000-gebieden in Nederland, Duitsland of het Verenigd Koninkrijk. Het milieueffectrapport en de passende beoordeling zijn getoetst door de Commissie MER. Deze heeft geoordeeld dat het milieueffectrapport en de passende beoordeling alle essentiële informatie bevatten om het milieu een volwaardige rol te geven bij het te nemen besluit. De Commissie MER is tot de slotsom gekomen dat de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden langs de Nederlandse kust niet zullen worden aangetast. 2.3.1.
- Lacunes in de kennis over de effecten van onderwatergeluid op onderwaterleven staan, anders dan het Productschap Vis meent, op zichzelf niet in de weg aan vergunningverlening. Van belang is evenwel dat bij de beoordeling van de effecten voldoende rekening wordt gehouden met de geconstateerde lacunes. Ter zitting heeft de staatssecretaris uiteengezet dat bij het opstellen van de locatiespecifieke passende beoordeling rekening is gehouden met de laatste inzichten op het gebied van de effecten van onderwatergeluid op het onderwaterleven die zijn opgedaan bij onder meer de aanleg en de exploitatie van de windparken Q7 (Prinses Amalia Windpark) en het Near Shore Windpark voor de kust van Egmond aan Zee, alsmede informatie die is verkregen bij de aanleg en exploitatie van windparken voor de kust van Denemarken, Groot-Brittannië en Duitsland. De door het Productschap Vis overgelegde rapporten vormen geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris aldus onvoldoende rekening heeft gehouden met de bestaande lacunes. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het door het Productschap Vis overgelegde rapport "Passende Beoordeling windparken: Effecten van heien op vislarven, vogels en zeezoogdieren" van 17 augustus 2009 hier niet relevant is, aangezien bij de aanleg van het windturbinepark Tromp Binnen niet zal worden geheid. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat in de door het Productschap Vis overgelegde publicaties "Ship noise and cortisol secretion in European freshwater fishes" van 4 april 2006, "The effects of human-generated sound on fish" uit 2009 en "Constant noise of offshore wind farms may stress fish" van 12 mei 2011 weliswaar is vermeld dat het achtergrondgeluid dat een windturbinepark in bedrijf produceert mogelijk stress veroorzaakt bij vissen in een wijde omtrek, maar dat dit geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat in het bij de beoordeling van de effecten van onderwatergeluid op het onderwaterleven gebruikte model onvoldoende rekening is gehouden met de bestaande lacunes. 2.3.1.
- Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in het milieueffectrapport en bij de passende beoordeling is uitgegaan van te positieve aannames en aldus de gevolgen van de aanleg, exploitatie en demontage van het windturbinepark voor vissen en vislarven onzorgvuldig en ontoereikend zijn beoordeeld. Het betoog faalt in zoverre. 2.3.
- In het IBN 2015 staat dat het voorzorgbeginsel een cruciaal uitgangspunt is bij de planning en het ontwerp van voorgenomen activiteiten op zee. Het houdt in dat preventieve maatregelen genomen dienen te worden wanneer er redelijke gronden tot bezorgdheid bestaan dat een activiteit schade toebrengt aan het mariene milieu, de gezondheid van de mens en/of ander rechtmatig gebruik, zelfs wanneer er geen afdoende bewijs is voor een oorzakelijk verband tussen een activiteit en de gevolgen ervan. Het gaat er om maatregelen te nemen om langdurige, onomkeerbare en ongewenste effecten van activiteiten te voorkomen en, als de betrokken activiteit toelaatbaar lijkt, te beperken. De voorzorgtoets is vooral bedoeld om ernstige schade te voorkomen. 2.3.2.
- Met het voorschrijven van een monitoring- en evaluatieprogramma heeft de staatssecretaris, anders dan het geval was in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2008 in zaak nr. 200607555/1, niet beoogd om tijdens het uitvoeren van de vergunde activiteit gegevens te verkrijgen ter invulling van de kennislacunes teneinde in te kunnen grijpen door middel van het wijzigen of intrekken van de verleende vergunning om zo te verzekeren dat schadelijke gevolgen van de activiteit worden voorkomen. Blijkens de vergunning en de door de staatssecretaris ter zitting gegeven toelichting, is het monitoring- en evaluatieprogramma, vooral bedoeld om kennis te vergaren over de effecten van de ontwikkeling van windturbineparken met het oog op de toekomstige ontwikkeling van windturbineparken op zee. Gelet daarop kan niet worden staande gehouden dat de staatssecretaris met het voorschrijven van een monitoring- en evaluatieprogramma op ongeoorloofde wijze toepassing heeft gegeven aan het voorzorgbeginsel. Dat, naar het Productschap Vis aanvoert, het monitoring- en evaluatieprogramma op zichzelf niet kan voorkomen dat de gevolgen van afnemende visstand worden afgewenteld op de visserijsector is als zodanig niet onjuist, maar gaat er aan voorbij dat het daar ook niet voor is bedoeld. Voor zover al sprake zou zijn van nadelige effecten voor de visserijsector als gevolg van de aanleg van het windturbinepark, voorziet, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 (Stcrt. 1999, nr. 172) in de mogelijkheid tot schadevergoeding. 2.3.2.
- Het argument van het Productschap Vis dat de toepassing van het voorzorgbeginsel er toe had moeten leiden dat in afwachting van de uitkomsten van het monitoring- en evaluatieprogramma van het reeds in werking zijnde Near Shore Windpark geen vergunning wordt verleend voor het windturbinepark Tromp Binnen, gaat er aan voorbij dat, zoals blijkt uit het milieueffectrapport en de generieke passende beoordeling en de staatssecretaris ook in zijn verweerschrift en ter zitting uiteen heeft gezet, ten tijde van de vergunningverlening niet alleen monitoringsgegevens bekend waren van de aanleg van het Near Shore Windpark bij Egmond aan Zee, maar ook van de aanleg en exploitatie van het windturbinepark Q7 en windturbineparken voor de kust van Denemarken, Groot-Brittannië en Duitsland en met deze gegevens ook rekening is gehouden bij de beoordeling van de effecten van aanleg, exploitatie, onderhoud en verwijdering van het windturbinepark. 2.3.2.
- Gelet op het vorenstaande bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris geen correcte toepassing heeft gegeven aan het voorzorgbeginsel. Derhalve faalt het betoog ook voor het overige. 2.
- Het Productschap Vis komt tot slot op tegen het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat behoud van de mogelijkheid van doelmatig gebruik van de Noordzee door de visserijsector voldoende is verzekerd. Het betoogt dat de rechtbank daartoe ten onrechte heeft overwogen dat de visserij zich slechts zal verplaatsen en niet zal worden aangetast in omvang en aard van haar activiteiten. Ter onderbouwing voert het Productschap Vis aan dat verplaatsing van de visserij betekent dat bepaalde visgronden intensiever zullen worden bevist, met omzetderving als gevolg, zodat nadeelcompensatie op zijn plaats is. 2.4.
- In de Nota Ruimte is vermeld dat realisatie van windturbineparken tot een totaal vermogen van 6000 MW in de exclusieve economische zone geschiedt om dwingende redenen van groot openbaar belang. In het IBN 2015 wordt geconstateerd dat het Nederlands Continentaal Plat intensief wordt bevist, voornamelijk door boomkorkotters en vriestrawlers. De visserij-intensiteiten in de Noordzee verschillen per gebied en per seizoen, maar de Nederlandse visserijvloot is vooral actief in het zuidelijke en oostelijke deel van de Noordzee. Hoewel er wel spanning is te verwachten met, onder andere, de visserij - met name vanwege het feit dat in windturbineparken niet gevaren mag worden - is de verwachting dat de effecten van het inperken van de ruimte door nieuwe obstakels voor de niet-routegebonden vaart, waaronder visserij, beperkt blijven, doordat deze schepen nog steeds in de gebieden buiten de vrijgehouden vaarroutes mogen blijven varen, aldus het IBN
- Aldus heeft een afweging plaatsgevonden tussen de belangen van de visserij en het belang bij realisatie van de windparken. In het milieueffectrapport is vervolgens onderzocht wat de gevolgen van de vergunde activiteit zijn voor de visserij op het Nederlands Continentaal Plat. Geconstateerd wordt dat de locatie waar het windturbinepark is voorzien intensief wordt bevist. De bouw van het windpark leidt ertoe dat binnen het windpark en de bijbehorende veiligheidszone van 500 meter rondom het park niet langer mag worden gevist. Het verlies aan visgronden bedraagt 0,1% voor de gemiddelde vangst in de zuidelijke Noordzee voor de boomkorvisserij en 0,03% voor de pelagische en de overige visserij. Een wezenlijke inperking van de vangstmogelijkheden is volgens het milieueffectrapport evenwel niet aan de orde. In hetgeen het Productschap Vis aanvoert is geen grond gelegen voor het oordeel dat de staatssecretaris, gelet op het vorenstaande, zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de mogelijkheid van doelmatig gebruik van de Noordzee door de visserijsector voldoende is verzekerd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het Productschap Vis zijn betoog onvoldoende heeft gestaafd. Het betoog faalt. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, ambtenaar van staat. w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Wieland voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012 502.