(2009)2560, met toepassing van artikel 22 van richtlijn 2008/50/EG is verleend voor de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes. Gelet hierop vormt het aangevoerde, evenals in de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2010 in zaak nr. 200900883/1/H1 (www.raadvanstate.nl), geen grond voor het oordeel dat richtlijn 2008/50/EG niet op juiste wijze is geïmplementeerd in titel 5.2 van de Wet milieubeheer en de bij die wet behorende bijlage 2, zodat in het aangevoerde geen grond ligt voor het oordeel dat in het luchtkwaliteitonderzoek niet de juiste grenswaarden zouden zijn gehanteerd. De Afdeling ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding aan de juistheid van het onderzoek te twijfelen. Er is derhalve geen aanleiding om een onafhankelijk onderzoek uit te voeren. In het onderzoek is geconcludeerd dat, voor de wegen waar het plan leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen van minder dan 500 motorvoertuigen per etmaal, geldt dat de eventuele verslechteringen van de luchtkwaliteit ruimschoots binnen de genoemde 3%-marges blijven zoals vastgelegd in het Besluit. Voor de wegen waarop het plan leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen van meer dan 500 motorvoertuigen per etmaal, worden de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden niet overschreden. Gelet hierop heeft de raad zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de wettelijke regeling inzake luchtkwaliteiteisen niet aan de vaststelling van het plan in de weg stond. De desbetreffende betogen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] falen. 2.5.
- Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] dat niet kon worden volstaan met het in acht nemen van de grenswaarden van de Wet milieubeheer, maar een aanvullende ruimtelijke beoordeling had moeten worden gemaakt, overweegt de Afdeling als volgt. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, bestaat in een geval als het onderhavige naast een beoordeling of het plan voldoet aan de in de Wet milieubeheer gestelde grenswaarden, geen ruimte voor een aanvullende beoordeling van de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit in het kader van de vraag of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog van [appellant sub 2] faalt. Bodemgesteldheid 2.
- [appellant sub 1] stelt verder dat er onjuist en onvolledig onderzoek is gedaan naar de bodemgesteldheid ter plaatse van de parkeergarage. 2.6.
- De raad stelt dat uit het onderzoek dat is gedaan naar de bodemgesteldheid is gebleken dat er geen milieubelemmeringen zijn voor de voorziene functies. 2.6.
- De Afdeling overweegt dat [appellant sub 1] de conclusies van het onderzoek die zijn neergelegd in het rapport "Verkennend bodemonderzoek" van 11 november 2009, zoals opgesteld door Lichtveld Buis & partners, niet gemotiveerd heeft bestreden. Uit dit rapport blijken geen milieubelemmeringen voor de realisering van het plan. Hetgeen [appellant sub 1] verder heeft aangevoerd over de bodemgesteldheid ter plaatse geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de uitvoerbaarheid van het plan op voorhand niet is verzekerd. Voor zover het beroep van [appellant sub 1] in zoverre opgevat moet worden als gericht tegen het ontwerp van de parkeergarage en de bouwvergunning die hiervoor is verleend, wordt overwogen dat dit ziet op de uitvoering van het plan, hetgeen in deze procedure niet aan de orde is. Behoefte 2.
- [appellant sub 1] stelt voorts dat aan het plan in de huidige vorm geen behoefte bestaat. Het hoofdkantoor van de IKEA zal volgens hem namelijk, in tegenstelling tot waar de raad bij het opstellen van het plan vanuit ging, niet naar Utrecht worden verplaatst. 2.7.
- Het plan voorziet, naast de uitbreiding van het warenhuis en de bouw van een parkeergarage, in kantoorruimte ten behoeve van het hoofdkantoor van de IKEA. Daargelaten of het mogelijk uitblijven van de verplaatsing van het hoofdkantoor naar Utrecht de raad aanleiding had moeten geven voor het oordeel dat geen behoefte bestaat aan de in het plan voorziene bouwmogelijkheden, heeft Ikea Beheer B.V. ter zitting toegelicht dat het hoofdkantoor naar alle waarschijnlijkheid binnen de planperiode naar Utrecht zal worden verplaatst. Het betoog van [appellant sub 1] faalt. Woon- en leefklimaat 2.
- [appellant sub 1] en [appellant sub 2] keren zich voorts tegen het plan, omdat het volgens hen een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat teweeg brengt. Dit gaat volgens hen tevens ten koste van de waarde van hun woning. Hiertoe voeren zij aan dat door de bouw van de parkeergarage hun uitzicht verloren gaat. [appellant sub 2] stelt voorts dat er onvoldoende garanties zijn dat de blinde muur van de parkeergarage daadwerkelijk beplant zal worden; hiervoor had een beplantingsplan moeten worden opgesteld. [appellant sub 2] stelt verder dat de uitbreiding van de IKEA tot een sociaal onveiliger situatie zal leiden. Voorts zal volgens [appellant sub 1] de situering van voetbalvelden op het dak van de parkeergarage overlast geven. Door de uitbreiding van de IKEA zal voorts de verkeers- en parkeeroverlast in de directe woonomgeving toenemen, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. 2.8.
- De raad stelt dat de uitbreiding van de IKEA een belangrijke sociaaleconomische impuls vormt voor de omgeving. Bij de inrichting van het gebied zal verder rekening worden gehouden met de sociale veiligheid. Voorts wordt volgens de raad rekening gehouden met de leefomgeving doordat een afstand wordt aangehouden tussen de parkeergarage en de meest nabijgelegen woningen van 60 meter. Voor de woning van [appellant sub 1] is dit 100 meter, waarvan 40 meter bestaat uit een groenstrook. In de uitvoering wordt de wand van de parkeergarage "groen" uitgevoerd. Verder stelt de raad dat op grond van het vorige bestemmingsplan ter plaatse van de parkeergarage reeds mocht worden gebouwd tot een hoogte van 7 meter. Gelet hierop en op de omstandigheid dat sprake is van een stedelijke omgeving is een parkeergarage van 10 meter hoogte en de bouw van enkele clubgebouwen tot een hoogte van maximaal 16 meter aan de zijde van het Amsterdam Rijnkanaal redelijk, aldus de raad. Ten aanzien van eventuele overlast van de sportvelden op het dak van de parkeergarage stelt de raad dat de genoemde afstand van 60 meter groter is dan de aanbevolen afstand van 50 meter die de VNG brochure Bedrijven en Milieuzonering aanhoudt. De raad stelt verder, onder verwijzing naar de notitie "Afwikkeling Verkeer bij aanleg van de Griffioenlaan en uitbreiding IKEA", dat een nieuwe ontsluitingsweg wordt aangelegd om verkeersproblemen en parkeerdruk voor de wijk te voorkomen. Uit deze notitie volgt volgens de raad dat de kruispunten in de omgeving van het plangebied worden ontlast door de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg. Voorts verdubbelt door de parkeergarage het aantal parkeerplaatsen bij een verwachte groei van het aantal bezoekers van de IKEA van ongeveer 10%, zodat een afname van de parkeerdruk kan worden verwacht, aldus de raad. 2.8.
- De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De Afdeling stelt vast dat tussen het plandeel met de bestemming "Gemengd", die onder meer de aanleg van sportvelden op een hoogte van 10 meter mogelijk maakt, en de meest nabijgelegen woningen een afstand van ruim 60 meter wordt aangehouden, waarvan een ongeveer 50 meter brede strook de bestemming "Groen" heeft. Voorts kan ter plaatse van de sportvelden tot een hoogte van 10 meter worden gebouwd met hekwerken van maximaal 7 meter hoogte. Aan de zijde van het kanaal is een sportkantine tot een hoogte van 16 meter mogelijk. Deze toegestane bouwhoogten zijn voor een stedelijke omgeving als waarvan hier sprake is niet uitzonderlijk. De Afdeling acht voorts niet aannemelijk gemaakt dat de sociale veiligheid met dit plan zal afnemen. Verder stelt de raad dat het plan voorziet in de aanleg van ongeveer 1900 parkeerplaatsen ten opzichte van de huidige 1050 parkeerplaatsen. Blijkens de plantoelichting wordt een groei verwacht van het aantal bezoekers van ongeveer 1,7 naar ongeveer 1,9 miljoen per jaar. De Afdeling acht het aannemelijk dat door de verhoudingsgewijs grotere toename van het aantal parkeerplaatsen de parkeerdruk op de omgeving zal afnemen. Ter zitting is gebleken dat de omvang van de parkeergarage mede is gekozen met het oog op het verminderen van de bestaande parkeerproblematiek in de omgeving. Dat de bezoekers van de sportvelden in de toekomst geen gebruik zullen maken van de parkeergarage, zodat hierdoor grotere parkeerdruk op de omgeving zal ontstaan, zoals door [appellant sub 1] ter zitting is aangevoerd, is niet aannemelijk gemaakt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de parkeergarage beschikbaar is voor de voetbalvereniging die gebruik maakt van de sportvelden en de mogelijkheid biedt aan bezoekers van de sportvelden om gratis te parkeren. Met betrekking tot de stelling van [appellant sub 1] dat in het ontwerp van de parkeergarage slechts de ingang die is voorzien aan de noordoostzijde van de parkeergarage, derhalve in de nabijheid van de woonwijk, toegang geeft tot alle parkeerdekken zodat het in- en uitrijdende verkeer overlast zal opleveren voor de omgeving, is ter zitting gebleken dat in het huidige ontwerp van de garage er drie ingangen zullen zijn die toegang geven tot de gehele parkeergarage. Twee van de ingangen zijn verder weg gelegen van de woonwijk en sluiten aan op de nieuwe gebiedsontsluitingsweg waarin het plan voorziet. Dat er onevenredige overlast zal optreden voor de woonwijk vanwege het ontwerp van de ingangen van de parkeergarage in samenhang met de groei van het aantal bezoekers, is dan ook niet gebleken. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat aan de belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geen overwegende betekenis toekomt. Overige beroepsgronden 2.
- Voor zover [appellant sub 1] heeft gesteld dat de IKEA naar een alternatieve locatie buiten de stad zou moeten worden verplaatst, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verzoek om een uitbreiding van de bestaande vestiging voldoende aanleiding vormde om op dit verzoek in te gaan. 2.
- Voor zover [appellant sub 1] zich keert tegen de reeds uitgevoerde en geplande werkzaamheden overweegt de Afdeling dat de feitelijke uitvoering van een bestemmingsplan niet aan de orde is in een procedure omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan. 2.
- [appellant sub 2] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 2] heeft in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Conclusie 2.
- In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond. Proceskosten 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, ambtenaar van staat. w.g. Parkins-de Vin w.g. Konings voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012 271-723.