(1)aan de baan is gelegen. Van het aldaar gemeten geluidniveau kan door middel van een vast overdrachtsgetal (26 dB) het geluidniveau op de beoordelingspunten in de woonomgeving en het duingebied worden afgeleid. Op deze wijze is op adequate wijze te controleren of de gestelde geluidgrenswaarden in de woonomgeving en het duingebied al dan niet worden overschreden, aldus het college van gs. 2.19.
- Het deskundigenbericht vermeldt dat bij activiteiten waarbij het gehele circuit wordt gebruikt één meetpunt afdoende is om een voldoende betrouwbaar geluidniveau te bepalen. De Afdeling begrijpt het deskundigenbericht aldus dat met het meetpunt een voldoende betrouwbaar beeld wordt verkregen van de geluidbelasting op de beoordelingspunten in de woonomgeving en het duingebied. In hetgeen wordt aangevoerd met betrekking tot het overdrachtsgetal ziet de Afdeling geen aanleiding om in zoverre aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen. Het college van gs heeft in redelijkheid het voorschrijven van een uitbreiding van het aantal meetpunten in de woonomgeving en het duingebied achterwege kunnen laten. De beroepsgrond van SGZ, de Milieufederatie en het college van b&w van Bloemendaal faalt in zoverre. 2.19.
- Het deskundigenbericht vermeldt echter ook dat het in de revisievergunning neergelegde meet- en controlesysteem niet meer bruikbaar is voor activiteiten waarbij slechts een deel van het circuit wordt gebruikt en de meetmast op het meetpunt niet wordt gepasseerd. Dit is bijvoorbeeld het geval indien sprake is van offroad-activiteiten. Volgens het deskundigenbericht zou een extra meetpunt hiervoor een oplossing kunnen zijn. In reactie op het deskundigenbericht stelt het college van gs dat de activiteiten waarbij niet van het gehele circuit gebruik wordt zich dermate sporadisch voordoen dat een extra meetpunt waarvoor een apart overdrachtsgetal moet worden bepaald onnodig bezwarend is. Deze motivering is echter niet draagkrachtig, omdat uit deze motivering niet blijkt waarom voor die activiteiten waarbij niet van het gehele circuit gebruik wordt gemaakt geen extra meetpunt nodig is. Hierdoor is onvoldoende onderzocht of die activiteiten aanleiding hadden dienen te zijn om een extra meetpunt voor te schrijven. De beroepsgrond van SGZ, de Milieufederatie en het college van b&w van Bloemendaal slaagt in zoverre. 2.
- SGZ betoogt dat het college van gs in het verleden ten onrechte van handhaving van de geluidvoorschriften heeft afgezien dan wel de geluidvoorschriften onvoldoende handhaaft. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het ter beoordeling staande besluit en kan om die reden niet slagen. Publicatieplicht 2.
- SGZ voert aan dat ten onrechte niet is voorgeschreven dat voor elke activiteit op het circuit de verwachte en achteraf geregistreerde geluidbelasting moet worden gepubliceerd. 2.21.
- Het college van gs stelt zich op het standpunt dat een generieke publicatieplicht zoals SGZ die voorstaat, gelet op de aan de revisievergunning verbonden voorschriften 5.10 en 5.11 en gelet op het bij het bestreden besluit aan de revisievergunning toegevoegde voorschrift 5.16, niet nodig en onredelijk bezwarend is voor ECPZ. 2.21.
- Voorschrift 5.10 bepaalt, voor zover hier van belang, dat de vergunninghouder uiterlijk tien dagen overeenkomstig de voorgeschreven berekeningswijze voor een evenement/of een UBO-dag ten genoegen van gedeputeerde staten dient aan te geven welk equivalent geluidsniveau zal optreden op meetpunt 1 en dat deze berekening tezelfdertijd op de internetsite van de circuitexploitante dient te worden gepubliceerd. Voorschrift 5.11 bepaalt dat gedurende evenementen en/of UBO-dagen door of vanwege vergunninghoudster op meetpunt 1 geluidmetingen dienen te worden uitgevoerd en dat de resultaten van deze metingen binnen veertien dagen na beëindiging van het evenement en/of de UBO-dag dienen te worden gepubliceerd op de internetsite van de circuitexploitante. Voorschrift 5.16, onder c, bepaalt, voor zover hier van belang, dat het gebruik van een van de 110 uitzonderingsdagen voor het 5-minuten-Leq als bedoeld onder b, uiterlijk op de voorafgaande dag in het register als bedoeld onder d, op de internetsite van de circuitexploitante moet zijn gepubliceerd. Voorschrift 5.16, onder d, bepaalt dat op de internetsite van de circuitexploitante een register moet zijn opgenomen, waarin het aantal dagen als bedoeld onder b, is vermeld waarop daadwerkelijk uit de meting is gevolgd dat het 5-minuten-Leq is overschreden. Voorschrift 5.16, onder e, bepaalt dat een aangemelde dag als bedoeld onder c, binnen drie dagen na afloop hiervan in het register als bedoeld onder d moet zijn opgenomen. Hierop moet zijn vermeld of het 5-minuten-Leq is overschreden. 2.21.
- Gelet op de voorschriften 5.10, 5.11 en 5.16, onder c, d en e, is de Afdeling van oordeel dat het college van gs in redelijkheid het voorschrijven van een aanvullend publicatievoorschrift zoals SGZ die voorstaat achterwege heeft kunnen laten. Voor zover SGZ betoogt dat geen controle plaatsvindt op de naleving van die voorschriften overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van het ter beoordeling staande besluit en om die reden niet kan slagen. De beroepsgrond faalt. Milieubeleidsplan 2.
- Het college van b&w van Bloemendaal, SGZ en de Milieufederatie voeren aan dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met het Milieubeleidsplan 2009-2013 van de provincie Noord-Holland en dat het college van gs in strijd met artikel 8.8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, waarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag rekening houdt met het voor hem geldende milieubeleidsplan, heeft gehandeld. Hiertoe voeren zij aan dat in het Milieubeleidsplan als doelstelling is opgenomen om de geluidhinder van bestaande bronnen verder terug te dringen en hinder door nieuwe bronnen zoveel mogelijk te beperken. 2.22.
- Ter beperking van de geluidhinder van de inrichting heeft het college van gs bij het bestreden besluit, voor zover hier van belang, geluidgrenswaarden opgenomen voor het 5-minuten-Leq en bepaald dat voor het aantal dagen dat die geluidgrenswaarden mogen worden overschreden een registratie moet worden bijgehouden die op de website van ECPZ wordt gepubliceerd. Voorts heeft het college van gs bij het bestreden besluit, voor zover hier van belang, ter beperking van de geluidhinder vanwege de inrichting geluidgrenswaarden gesteld voor de eerder in de revisievergunning aan de inrichting toegekende vijf UBO-dagen. Gelet op een en ander bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met de doelstelling van het Milieubeleidplan om de geluidhinder van bestaande bronnen verder terug te dringen. In hetgeen wordt aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat het college van gs in strijd met artikel 8.8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer heeft gehandeld. De beroepsgrond faalt. Conclusie 2.
- Zoals overwogen onder 2.19.
- heeft het college van gs niet deugdelijk gemotiveerd waarom het voor activiteiten waarbij niet van het gehele circuit gebruik wordt gemaakt niet nodig is om een extra meetpunt voor te schrijven. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. 2.23.
- De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Het college van gs dient daartoe nader te motiveren waarom het niet nodig is om een extra meetpunt voor te schrijven voor activiteiten waarbij niet van het gehele circuit gebruikt wordt gemaakt dan wel, als een deugdelijke motivering niet mogelijk is, het bestreden besluit te wijzigen, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt en dient daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze mededeling te worden gedaan. 2.
- In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: draagt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland op om binnen tien weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van rechtsoverweging 2.
- het besluit van 4 februari 2011, kenmerk 2011-2721, te herstellen door:
- nader te motiveren waarom het niet nodig is een extra meetpunt voor te schrijven voor activiteiten waarbij niet van het gehele circuit gebruikt wordt gemaakt, dan wel het besluit te wijzigen. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt en medegedeeld;
- de Afdeling de uitkomst mede te delen. Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.S. Aal, ambtenaar van staat. w.g. Drupsteen w.g. Aal voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012 584.