(1993)", veroorzaakt door de inrichting toelaatbaar indien aan één van de twee in het voorschrift vermelde voorwaarden is voldaan. Ingevolge vergunningvoorschrift 2.19 geldt het vorige voorschrift niet ten aanzien van trillingsgevoelige bestemmingen of in- of aanpandige woningen van derden, indien de gebruiker van de woning(en) of trillingsgevoelige bestemmingen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van de nodige trillingsmetingen. 2.2.
- [appellant] heeft niet bestreden dat hij, hoewel het college daar verschillende malen om heeft verzocht, geen toestemming heeft gegeven voor het uitvoeren van trillingsmetingen in zijn woning. Voorts heeft [appellant] niet onderbouwd waarom het, anders dan het college gemotiveerd heeft gesteld, ook mogelijk is om aan de gevel van de woning onderzoek naar trillinghinder te verrichten. Onder die omstandigheden heeft het college terecht geweigerd handhavend op te treden. De beroepsgrond faalt. Conclusie 2.
- Het beroep is ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat. w.g. Wortmann w.g. Van Roessel lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012 457-738.