201108164/1/V1. Datum uitspraak: 11 juni 2012 Raad van State AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister voor Immigratie en Asiel, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 29 juni 2011 in zaak nr. 09/21586 in het geding tussen: (de vreemdeling) en de minister. 1. Procesverloop Bij besluit van 19 mei 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 29 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 juli 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger. 2.2. In verweer heeft de vreemdeling zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, omdat de senior procesvertegenwoordiger die het hogerberoepschrift heeft ondertekend, niet bevoegd was om namens de minister hoger beroep in te stellen. Volgens hem was het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND), dat de senior procesvertegenwoordiger heeft gemachtigd om hoger beroep in te stellen, daartoe niet bevoegd, nu in artikel 3, tweede lid, van de Mandaatregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011 (Stcrt. 2011, 22850) is bepaald dat ondermandaat, waarmee het verlenen van machtigingen is gelijkgesteld, steeds één hiërarchisch niveau kan worden doorgegeven. Het hoofd van de IND had niet de senior procesvertegenwoordiger, maar de hiërarchisch hoger geplaatste directeur Procesvertegenwoordiging dienen te machtigen om hoger beroep in te stellen. De directeur had vervolgens de senior procesvertegenwoordiger daartoe kunnen machtigen, aldus de vreemdeling. 2.2.1. Op 10 oktober 2010 is de Algemene ondermandaatregeling van het hoofd IND 2010 (Stcrt. 2010, 15171) in werking getreden. Het hoofd van de IND heeft bij artikel 3, gelezen in verbinding met artikel 1, eerste lid, van deze regeling en de daarbij behorende lijst van onder hem ressorterende functionarissen, voor zover thans van belang, senior procesvertegenwoordigers van de Directie Procesvertegenwoordiging gemachtigd om rechtsmiddelen aan te wenden. Op 14 oktober 2010 heeft een departementale herindeling plaatsgevonden als gevolg waarvan de aangelegenheden op het terrein van vreemdelingenzaken, met inbegrip van de IND, van het Ministerie van Justitie zijn overgegaan naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK). De minister voor Immigratie en Asiel is belast met het beleid ten aanzien van vreemdelingenzaken betreffende immigratie en asiel en de uitvoering daarvan. Ingevolge artikel 1 van de Tijdelijke regeling mandaat, volmacht en machtiging Immigratie en Asiel (Stcrt. 2010, 16591; hierna: de Tijdelijke regeling), voor zover thans van belang, worden mandaten, ondermandaten, volmachten en machtigingen die op 13 oktober 2010 van kracht waren ten behoeve van functionarissen van het Ministerie van Justitie aangemerkt als mandaten, ondermandaten, volmachten en machtigingen die zijn verleend door de minister van BZK dan wel de minister voor Immigratie en Asiel aan: […]; i. de hoofddirecteur van de IND; […]; k. de functionarissen aan wie door of namens de hoofddirecteur van de IND ondermandaat, volmacht of machtiging is verleend; […]. De Afdeling is van oordeel dat, gelet op laatstgenoemde bepaling, de door het hoofd van de IND aan de senior procesvertegenwoordiger verleende machtiging om hoger beroep in te stellen kan worden aangemerkt als rechtstreeks verleend door de minister, zodat de senior procesvertegenwoordiger reeds daarom bevoegd was om hoger beroep in te stellen. Anders dan de vreemdeling betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de Tijdelijke regeling niet van toepassing zou zijn op dergelijke machtigingen. Uit de bewoordingen van die regeling blijkt dat de minister heeft beoogd alle ondermandaten, volmachten en machtigingen, die vóór of op 13 oktober 2010 waren verleend door het hoofd van de IND, tot de zijne te maken. Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de senior procesvertegenwoordiger die namens de minister het hogerberoepschrift heeft ingediend, daartoe niet bevoegd zou zijn. Daarom zal tot een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep worden overgegaan. 2.3. In de grieven, in onderlinge samenhang bezien, klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist en derhalve ongeloofwaardig is. De minister betoogt daartoe dat de rechtbank, door haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid van de verklaringen op dit punt in de plaats te stellen van dat van de minister, ten onrechte niet terughoudend heeft getoetst. Gelet op alle vage, summiere en bevreemdingwekkende verklaringen van de vreemdeling en met inachtneming van het toetsingskader van de positieve overtuigingskracht, heeft hij in redelijkheid het gehele asielrelaas ongeloofwaardig kunnen achten, aldus de minister. 2.3.1. De rechtbank heeft overwogen dat de minister artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in redelijkheid aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen. Nu de vreemdeling geen hoger beroep heeft ingesteld, moet van de juistheid van die overweging worden uitgegaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 februari 2010 in zaak nr. 200904160/1/V3; www.raadvanstate.nl), zal voor de minister, indien hij een vreemdeling één van de omstandigheden, bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000, heeft tegengeworpen, volgens paragraaf C14/3.4 (thans: C14/2.4) van de Vreemdelingencirculaire 2000 van de verklaringen van die vreemdeling positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om de daarin gestelde feiten alsnog geloofwaardig te achten. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 januari 2008 in zaak nr. 200706294/1; www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.