201009437/1/R2. Datum uitspraak: 20 juni 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. de raad van de gemeente Roosendaal, 2. [appellant sub 2], wonend te Wouwse Plantage, gemeente Roosendaal, 3. de Afdeling Roosendaal van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (hierna: ZLTO), gevestigd te Moerstraten, gemeente Roosendaal, 4. [appellante sub 4], gevestigd te Heerle, gemeente Roosendaal, en anderen, (hierna: [appellante sub 4] en anderen) 5. [appellant sub 5], wonend te Heerle, gemeente Roosendaal, 6. [appellanten sub 6], wonend te Wouwse Plantage, gemeente Roosendaal, 7. [appellante sub 7], gevestigd te Wouw, gemeente Roosendaal, 8. [appellanten sub 8], gevestigd te Wouw, gemeente Roosendaal, 9. [appellanten sub 9] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 9]), wonend te Wouwse Plantage, gemeente Roosendaal, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 17 augustus 2010, kenmerk 1705341/1715332, heeft het college aan de raad van de gemeente Roosendaal een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 8 juli 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Wouw" (hierna: het plan). Tegen dit besluit hebben de raad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2010, ZLTO bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2010, [appellante sub 4] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2010, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2010, [appellanten sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2010, [appellante sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2010, [appellante sub 8] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2010, en [appellant sub 9] bij brief bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2010, beroep ingesteld. [appellante sub 4] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 15 november 2010. [appellant sub 9] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 9 november 2010. [appellante sub 4] en anderen hebben een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. J.C.P.J.M. Vergouwen en ing. M. van Heugten, beiden werkzaam bij de gemeente, [appellant sub 2], [appellante sub 4] en anderen, vertegenwoordigd door mr. B. Baan, advocaat te Etten-Leur, [appellant sub 5], bijgestaan door [gemachtigde], [appellanten sub 6], [appellante sub 7], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellante sub 8], vertegenwoordigd door J.L. Clement en P.C.M. van Boesschoten, en [appellant sub 9], vertegenwoordigd door mr. W.G.M. Vos, advocaat te Roosendaal. 2. Overwegingen Intrekkingen 2.1. Ter zitting heeft het college de reactieve aanwijzingen met betrekking tot de percelen [locatie 1] te Wouw en [locatie 2] te Wouw ingetrokken. Dit betekent dat met betrekking tot deze percelen geen reactieve aanwijzing resteert. De raad heeft ter zitting zijn beroep ingetrokken, voor zover gericht tegen de reactieve aanwijzingen, die ter zitting door het college zijn ingetrokken. Voorts hebben [appellante sub 7] en [appellante sub 8] hun beroep ter zitting ingetrokken. Ontvankelijkheid 2.2. Bij besluit van 27 maart 2012 heeft het college de reactieve aanwijzing met betrekking tot artikel 29, lid 29.2.1, van de planregels, voor zover dit betrekking heeft op artikel 24 van de planregels, ingetrokken. Dit betekent dat wat betreft dit onderdeel geen reactieve aanwijzing resteert. Gelet hierop is het beroep van ZLTO, voor zover dit betrekking heeft op de reactieve aanwijzing ten aanzien van voornoemd onderdeel niet-ontvankelijk. 2.3. De Afdeling heeft ter zitting vastgesteld dat het perceel [locatie 3] te Wouwse Plantage niet is genoemd in het dictum van het bestreden besluit. Dit betekent dat geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot dit perceel. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk. Het plan 2.4. Het plangebied omvat het buitengebied van de voormalige gemeente Wouw, met uitzondering van de vier kernen Wouwse Plantage, Wouw, Heerle en Moerstraten en voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader. Wettelijk kader 2.5. Ingevolge artikel 3.8, zesde lid, van de Wro, gelezen in samenhang met het vierde lid, voor zover hier van belang, kan het college van gedeputeerde staten, onverminderd andere aan hem toekomende bevoegdheden, met betrekking tot een onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan waarover hij een zienswijze over het ontwerp heeft ingediend en deze niet volledig is overgenomen, aan de gemeenteraad een aanwijzing geven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld (hierna: de reactieve aanwijzing). Het college van gedeputeerde staten vermeldt in de redengeving de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de provincie beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan haar toekomende bevoegdheden te beschermen. Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, kan, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, het college van gedeputeerde staten aan de gemeenteraad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat bestemmingsplan. Algemene bezwaren 2.6. De raad, ZLTO en [appellante sub 4] en anderen stellen dat in het aanwijzingsbesluit ten onrechte is vooruitgelopen op de vaststelling van de Verordening Ruimte Noord-Brabant (hierna: de Verordening). In dit verband stelt de raad dat de tweede fase van de Verordening pas op 24 juni 2010 ter inzage is gelegd en derhalve ten tijde van de terinzagelegging van het plan nog niet bekend was. Volgens ZLTO is in het aanwijzingsbesluit voorts ten onrechte vooruitgelopen op de vaststelling van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant (hierna: de Structuurvisie), welke ten tijde van het geven van de reactieve aanwijzing evenmin was vastgesteld. 2.6.1. In het bestreden besluit is overwogen dat de provinciale belangen zijn verwoord in de voorschriften in de Verordening. Blijkens de overwegingen van het bestreden besluit heeft het college zich bevoegd geacht om - vooruitlopend op de vaststelling van de tweede fase van de Verordening - de reactieve aanwijzing in te zetten indien het provinciaal belang, zoals dat hierin is verwoord, dat vergt. 2.6.2. Uit hetgeen is overwogen in onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2011 in zaak nr. 200907617/1/R3 volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college, indien algemene regels over de onderwerpen waarop het bestreden besluit betrekking heeft werden voorbereid en ten aanzien waarvan het voornemen bestond om dat in de Verordening op te nemen, als zodanig geen gebruik had mogen maken van de bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing om tussentijdse ruimtelijke ontwikkelingen in strijd met het door de verordening te waarborgen provinciaal belang te voorkomen. De betogen van de raad, ZLTO en [appellante sub 4] en anderen dat de aanwijzingen niet met het oog op de op handen zijnde Verordening tweede fase konden worden gegeven, omdat deze ten tijde van het bestreden besluit nog niet ter inzage was gelegd en derhalve niet was vastgesteld, falen. 2.6.3. Voor zover ZLTO betoogd dat in het aanwijzingsbesluit ten onrechte is vooruitgelopen op de vaststelling van de Structuurvisie, wordt overwogen dat het college ter zitting heeft gesteld dat uitsluitend, vooruitlopend op de vaststelling ervan, de bepalingen in de Verordening aan de reactieve aanwijzingen ten grondslag zijn gelegd. Deze opvatting vindt steun in de overwegingen van het bestreden besluit. Gelet hierop mist het betoog van ZLTO feitelijke grondslag. 2.6.4. De raad stelt verder dat het geven van de reactieve aanwijzing in dit geval onevenredig ingrijpend is en zich niet verdraagt met de toezegging van het college om dit instrument terughoudend toe te passen. Volgens de raad heeft het college onvoldoende gemotiveerd welke provinciale belangen het geven van de aanwijzingen kunnen rechtvaardigen. 2.6.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 16 februari 2011 in zaak nr. 201005138/1/R3 is, voor het antwoord op de vraag of een bepaald belang een provinciaal belang is, bepalend of het belang zich leent voor behartiging op provinciaal niveau vanwege de daaraan klevende bovengemeentelijke aspecten en is de mogelijkheid om een reactieve aanwijzing te geven niet beperkt tot bijzonder zwaarwegende belangen. De Afdeling overweegt verder, onder verwijzing naar de uitspraak van 2 februari 2010 in zaak nr. 201009121/1/R3, dat het college in het algemeen in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan indien niet is uitgesloten dat, zolang de in voorbereiding zijnde verordening nog niet in werking is getreden, kan worden gehandeld in afwijking van de verordening en het daaraan ten grondslag liggende provinciale beleid. Onder verwijzing naar die uitspraak overweegt de Afdeling voorts dat het college zich in die omstandigheden in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het provinciaal belang onvoldoende kon worden beschermd door het toepassen van andere bevoegdheden dan het geven van een reactieve aanwijzing. Het geven van een zogenoemde proactieve aanwijzing of het vaststellen van een inpassingsplan liggen immers in de rede voor ontwikkelingen die het provinciebestuur met het oog op een goede ruimtelijke ordening juist wenselijk of noodzakelijk acht. Dit betoog van de raad faalt. 2.6.6. [appellante sub 4] en anderen stellen verder dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het in dit geval heeft gekozen voor het geven van een aantal reactieve aanwijzingen en niet voor het instellen van beroep tegen het bestemmingsplan. 2.6.7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 20 oktober 2010 in zaak nr. 200910210/1/R1 maakt het feit dat het college ook beroep had kunnen instellen niet dat daarmee zijn vrijheid om te kiezen voor het geven van een reactieve aanwijzing is beperkt. Dit betoog van [appellante sub 4] en anderen faalt. De veldschuurregeling 2.7. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toestaan van gebouwen buiten het bouwvlak, waaronder veldschuren, zoals opgenomen in artikel 3, lid 3.3.3, en artikel 4, lid 4.3.5, van de planregels. 2.7.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch" bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, overige niet-grondgebonden agrarische bedrijven, glastuinbouw, intensieve veehouderij, paardenhouderij, een kas, voor zover hiertoe ter plaatse de relevante aanduidingen zijn opgenomen, waterhuishoudkundige doeleinden, kleinschalig kamperen, doeleinden van openbaar nut en recreatief medegebruik. Ingevolge lid 3.2.3, mogen op de gronden buiten het bouwvlak (voor zover niet anders aangeduid) uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van het agrarisch grondgebruik worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 2,5 m. Ingevolge lid 3.3.3, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 3.2.3 voor het oprichten van agrarische gebouwtjes en andere bouwwerken buiten het agrarisch bouwvlak mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. het gebouw of andere bouwwerk is noodzakelijk in verband met een doelmatige agrarische bedrijfsuitoefening en deze kan niet op het agrarisch bouwvlak zelf worden opgericht, zoals een opslagvoorziening van apparatuur of schuilgelegenheden voor vee op veldkavels; b. de bebouwde oppervlakte bedraagt niet meer dan 50 m²; c. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 m; d. de bebouwingshoogte bedraagt niet meer dan 4,5 m; e. het betreft geen aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer- of vaartuig; f. indien mogelijk wordt aangesloten bij bestaande bebouwing. 2.7.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, glastuinbouw, intensieve veehouderij, paardenhouderij, behoud en herstel van de aardkundige waarden, voor zover hiertoe ter plaatse de relevante aanduidingen zijn opgenomen, kleinschalig kamperen, behoud en herstel van landschappelijke waarden, waterhuishoudkundige doeleinden, doeleinden van openbaar nut, recreatief medegebruik. Ingevolge lid 4.2.3, mogen op de gronden buiten het agrarisch bouwvlak uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het agrarisch grondgebruik worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 2 m. Ingevolge lid 4.3.5, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 4.2.3 voor het oprichten van agrarische gebouwtjes en andere bouwwerken buiten het agrarisch bouwvlak mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. het gebouw of andere bouwwerk is noodzakelijk in verband met een doelmatige agrarische bedrijfsuitoefening en deze kan niet op het agrarisch bouwvlak zelf worden opgericht, zoals een opslagvoorziening van apparatuur of schuilgelegenheden voor vee op veldkavels; b. de bebouwde oppervlakte bedraagt niet meer dan 50 m²; c. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 m; d. de bebouwingshoogte bedraagt niet meer dan 4,5 m; e. het betreft geen aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer- of vaartuig; f. indien mogelijk wordt aangesloten bij bestaande bebouwing; g. de ontheffing mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 4.1 omschreven waarden. 2.7.3. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot artikel 3, lid 3.3.3, en artikel 4, lid 4.3.5, van de planregels ten grondslag gelegd dat deze bepalingen het bouwen van veldschuren en schuilhutten buiten het bouwvlak mogelijk maken. De noodzaak van dit soort bouwwerken buiten het bouwvlak kan volgens het college vanuit een doelmatige agrarische bedrijfsvoering niet worden onderbouwd. Daarnaast leidt het toelaten van dit soort bouwwerken tot een verdergaande verstening en verrommeling van het buitengebied, hetgeen in strijd is met het provinciale belang van zorgvuldig ruimtegebruik zoals verwoord in artikel 2.1, tweede lid, onder a, van de Verordening. 2.7.4. De raad stelt dat de reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven en voert aan dat het oprichten van gebouwen buiten het bouwvlak binnen de bestemming "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - 1" door middel van een ontheffing mogelijk is. Volgens de raad kan een kleine schuilgelegenheid of een opslag- of stallingsruimte met een maximale oppervlakte van 50 m² in voorkomende gevallen op agrarische percelen noodzakelijk zijn. Dit zal niet leiden tot een verdergaande verstening of verrommeling in het buitengebied, temeer nu de mogelijkheid tot ontheffing uitsluitend is toegestaan binnen de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - 1", waar geen cultuurhistorische waarden en natuurwaarden aanwezig zijn, aldus de raad. Daarnaast wordt het verzoek om ontheffing getoetst aan de vraag of dit noodzakelijk is in verband met een doelmatige agrarische bedrijfsuitoefening. De raad wijst verder op de in het vorige plan opgenomen binnenplanse vrijstelling voor agrarische hulpgebouwen met een maximaal toegestane oppervlakte van 150 m², alsmede op het bestemmingsplan "Buitengebied Roosendaal-Nispen", waarin een vergelijkbare regeling voor het oprichten van kleine bedrijfsgebouwen op afstand is opgenomen en waaraan door het college destijds goedkeuring is verleend. 2.7.5. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit volgens paragraaf 5.2.4 van de op 27 juni 2008 door provinciale staten vastgestelde Interimstructuurvisie Noord-Brabant, Brabant in Ontwikkeling (hierna: de Interimstructuurvisie) gericht op het realiseren van zuinig ruimtegebruik door onder meer het tegengaan van verrommeling en onnodige verstening van het landelijk gebied. Uit de begripsbepaling over het begrip bouwblok in bijlage 1 bij de op 1 juli 2008 vastgestelde Paraplunota ruimtelijke ordening (hierna: de Paraplunota) kan voorts worden afgeleid dat volgens het beleid bebouwing ten behoeve van een bestemming in een bouwvlak diende te worden geconcentreerd. 2.7.6. Het aan de aanwijzing ten grondslag liggende beleid is volgens het college thans vervat in het uitgangspunt van zuinig ruimtegebruik dat is opgenomen in artikel 2.1 van de Verordening. In het tweede lid, onder a, van dit artikel is bepaald dat ingeval van vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken toestaat. Een uitwerking van dit principe heeft, zo heeft het college desgevraagd ter zitting bevestigd, wat betreft grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven zijn weerslag gevonden in artikel 8.3, eerste lid, onder d, en 8.4, onder g, van de Verordening. Nu het college aan de raad een reactieve aanwijzing heeft gegeven met betrekking tot artikel 3, lid 3.3.3, en artikel 4, lid 4.3.5, van de planregels, welke bepalingen betrekking hebben op de realisering van gebouwen buiten het bouwvlak, waaronder veldschuren, binnen de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden 1", ziet de Afdeling geen beletselen om de reactieve aanwijzing op dit punt te toetsen aan artikel 8.3, eerste lid, onder d, en 8.4, onder g, van de Verordening. Uit het voorgaande volgt dat de planregels waarop de reactieve aanwijzing betrekking heeft in strijd zijn met het ten tijde van het bestreden besluit geldende beleid, op grond waarvan het college, vooruitlopend op het vaststellen van de Verordening, de reactieve aanwijzing heeft gegeven. Nu het plan voor agrarische gronden voorziet in de realisering van gebouwen buiten het bouwvlak, waaronder veldschuren, is het plan tevens in strijd met de algemene regels waarin dit beleid is omgezet. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. De stelling van de raad dat een vergelijkbare regeling ook in het bestemmingsplan "Buitengebied Roosendaal-Nispen" was opgenomen leidt niet tot een ander oordeel. Aan een geldend bestemmingsplan kunnen geen blijvende rechten worden ontleend. Het college kan immers op enig moment op grond van gewijzigde planologische inzichten besluiten tot het vaststellen van stringentere regelgeving. Het beroep van de raad is in zoverre ongegrond. Huisvesting tijdelijke werknemers agrarische bedrijven 2.8. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de regeling omtrent het toestaan van huisvesting van tijdelijke werknemers bij agrarische bedrijven, zoals opgenomen in artikel 3, lid 3.7.10, artikel 4, lid 4.7.10, artikel 5, lid 5.7.10, artikel 6, lid 6.7.7, en artikel 7, lid 7.7.7, van de planregels. 2.8.1. Ingevolge voornoemde artikelleden is het college van burgemeester en wethouders onder de daar genoemde voorwaarden bevoegd de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - 1", "Agrarisch met waarden - 2", "Agrarisch met waarden - 3" en "Agrarisch met waarden - 4" te wijzigen door middel van het toevoegen van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch- tijdelijke werknemers", teneinde huisvesting van tijdelijke werknemers langer dan 6 maanden per kalenderjaar toe te staan. 2.8.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot de onder 2.7 genoemde artikelleden ten grondslag gelegd dat huisvesting van werknemers langer dan 6 maanden per jaar leidt tot bewoning van niet daartoe bedoelde gebouwen, hetgeen in strijd is met het provinciale beleid omtrent het voorkomen van bewoning van agrarische bedrijfsgebouwen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen in het buitengebied. Het college beschouwt huisvesting van werknemers langer dan 6 maanden als een structurele behoefte en wijst erop dat permanente voorzieningen op het eigen bedrijf voor structurele huisvesting in principe zijn uitgesloten. Voor uitzonderingssituaties kan tot een passende oplossing worden gekomen door middel van maatwerk, maar daartoe dient een meer uitgebreide en stringente regeling te worden opgenomen, aldus het college. 2.8.3. De raad en ZLTO stellen dat de reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. 2.8.4. De raad en ZLTO voeren aan dat geen provinciaal belang aan de orde is. Zij betogen dat ten tijde van het bestreden besluit geen verordening was vastgesteld die betrekking had op de huisvesting van tijdelijke werknemers op agrarische bedrijven, dat de aanwijzing dus is gebaseerd op beleid en daarmee een afdoende rechtsgrondslag ontbeert. ZLTO betoogt voorts dat het college geen bezwaar heeft tegen het bieden van huisvesting gedurende zes maanden per jaar en dat niet valt in te zien wat het provinciaal belang is bij een beperking van de huisvestingsperiode, omdat het gebouwen betreft die er het hele jaar staan. Daarnaast voeren de raad en ZLTO - kort samengevat - aan dat in dit verband expliciet is gekozen voor een wijzigingsbevoegdheid met daaraan gekoppelde voorwaarden nu die een zwaardere procedure kent en meer rechtszekerheid biedt aan betrokkenen dan een ontheffingsbevoegdheid. 2.8.5. In haar uitspraak van 16 februari 2011 in zaak nr. 201005138/1/R3 heeft de Afdeling overwogen dat in artikel 3.3 van de regels van het bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan 'Herijking begripsomschrijving woning(/wooneenheid) en huisvesting tijdelijke werknemers agrarische bedrijven'" niet voorziet in regels die voorkomen dat in de (agrarische) bedrijfsgebouwen van het bedrijf waar de tijdelijke werknemers van het bedrijf gehuisvest worden, zelfstandige wooneenheden worden ingericht. Voorts overwoog de Afdeling dat nu niet is uitgesloten dat inwerkingtreding van artikel 3.3 van de planregels van voornoemd bestemmingsplan, in afwijking van de in voorbereiding zijnde Verordening en het provinciale beleid, tot gevolg zou hebben dat zelfstandige wooneenheden in agrarische bedrijfsgebouwen zouden worden gerealiseerd, het college hierom, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan. De Afdeling ziet geen aanleiding om in het thans voorliggende geval anders te oordelen, nu de in artikel 3, lid 3.7.10, artikel 4, lid 4.7.10, artikel 5, lid 5.7.10, artikel 6, lid 6.7.7, en artikel 7, lid 7.7.7, van de planregels opgenomen ontheffingen gelijkluidend zijn aan de ontheffing zoals opgenomen in artikel 3.3 van de regels van voornoemd Paraplubestemmingsplan, en de raad noch ZLTO feiten of omstandigheden hebben aangevoerd die thans nopen tot een ander oordeel. De beroepen van de raad in zoverre, en van ZLTO zijn ongegrond. Het perceel [locatie 4] te Heerle 2.9. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf-4" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf- groothandel en verwerking agrarische producten" aan het perceel [locatie 4] te Heerle. 2.9.1. Ingevolge artikel 11, lid 11.1, van de planregels, zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor: a. bedrijven voor zover deze voorkomen in de categorie 1, 2, 3.1 en 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; (…) p. in afwijking van hetgeen in de aanhef van deze bestemmingsomschrijving is toegestaan is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf- groothandel en verwerking van agrarische producten" een groothandel in en verwerking van agrarische producten toegestaan, vallende onder categorie 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. (…) 2.9.2. Het college heeft aan dit onderdeel van de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat door het toekennen van de bestemming "Bedrijf-4" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf- groothandel en verwerking agrarische producten" sprake is van nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied in milieucategorie 4.2, hetgeen in strijd is met het provinciale belang om groei en/of omschakeling van niet-functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijven naar hoge milieucategorieën van bedrijvigheid te weren uit het buitengebied. Het college acht de door de raad aangedragen motivering om dit bedrijf als zodanig te bestemmen onvoldoende. 2.9.3. De raad en [appellante sub 4] en anderen stellen dat de reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. 2.9.4. Volgens de raad is het bedrijf aan de [locatie 4] te Heerle de laatste jaren uitgegroeid tot een groothandel en verwerking van agrarische producten naast de primaire agrarische bedrijfsvoering. De bestaande bedrijfsvoering is thans als zodanig bestemd waarbij niet is voorzien in uitbreidingsmogelijkheden. De raad acht het ongewenst om de bedrijfsactiviteiten ter plaatse niet als zodanig te bestemmen en wijst daarbij op de meldingen die zijn gedaan in het kader van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Barim). 2.9.5. [appellante sub 4] en anderen stellen dat geen sprake is van nieuwvestiging maar van een bestaand niet-agrarisch bedrijf. De raad heeft volgens hen voldoende gemotiveerd waarom in dit geval de bestemming "Bedrijf-4" met de aanduiding "groothandel en verwerking agrarische producten" kon worden toegekend. [appellante sub 4] en anderen zijn van mening dat het college onvoldoende heeft gekeken naar de historisch gegroeide situatie van het bedrijf. Een zuiver agrarische bestemming doet volgens hen onvoldoende recht aan de huidige bedrijfsactiviteiten. Daarbij wijzen [appellante sub 4] en anderen erop dat voor het bedrijf bouwvergunningen zijn verleend, dat investeringen in gebouwen en materialen zijn verricht en dat het bedrijf thans een aanzienlijk aantal werknemers in dienst heeft. Bovendien is voor het perceel een maatbestemming opgenomen, waarbij aan het bedrijf geen uitbreidingsmogelijkheden zijn toegekend. 2.9.6. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in het buitengebied. In paragraaf 4.13 van de Paraplunota is gesteld dat nieuwvestiging van deze bedrijven in het buitengebied in beginsel niet is toegestaan. 2.9.7. Het aan de aanwijzing ten grondslag liggende beleid is volgens het college thans vervat in artikel 11.6, van de Verordening. In artikel 11.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening is bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, kan voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger. 2.9.8. Aan het perceel [locatie 4] was in het vorige bestemmingsplan een agrarische bestemming toegekend. Het college heeft ter zitting uiteengezet dat sprake is van een zogenoemde VAB-vestiging, nu het gaat om de omzetting van een agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming. Deze uitleg strookt met de begripsbepaling van een VAB-vestiging in artikel 1.1, onder 77, van de inmiddels vastgestelde Verordening. Ter zitting is voorts komen vast te staan dat de groothandel en verwerking in agrarische producten een bedrijf in milieucategorie 3.2 betreft. Gelet hierop heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in de vestiging van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf dat in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid, welke vestiging tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. 2.9.9. De Afdeling begrijpt het verdere betoog van de raad en [appellante sub 4] en anderen aldus dat het college een uitzondering had kunnen en moeten maken voor deze concrete situatie. De raad en [appellante sub 4] en anderen wijzen in dit verband op de historisch gegroeide situatie, de meldingen die zijn gedaan in het kader van het Barim, de verleende bouwvergunningen alsmede de omstandigheid dat het afsplitsen van het bedrijfsmatige onderdeel van het bedrijf leidt tot een aanzienlijke kapitaalvernietiging en mogelijk verlies van werkgelegenheid. De raad en [appellante sub 4] en anderen hebben echter geen ruimtelijke argumenten aangedragen die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het college om deze reden had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot dit perceel. Voor zover [appellante sub 4] en anderen ter zitting hebben gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2011 in zaak nr. 201001219/1, waaruit volgens haar volgt dat het college de raad om een nadere motivering had moeten vragen op de retrospectieve toets ten aanzien van dit perceel alvorens over te gaan tot het geven van een reactieve aanwijzing, wordt overwogen dat het college in de zienswijze met betrekking tot dit perceel reeds heeft aangegeven dat de in de retrospectieve toets aangedragen motivering onvoldoende is om gelet op het provinciale belang in te kunnen stemmen met de bestemming die is toegekend aan het perceel [locatie 4]. 2.9.10. In hetgeen de raad in zoverre, en [appellante sub 4] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van de raad en van [appellante sub 4] en anderen met betrekking tot het perceel [locatie 4] te Heerle zijn ongegrond. Het perceel [locatie 5] te Wouwse Plantage 2.10. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" met de aanduiding "paardenhouderij" en het toekennen van een bouwvlak aan het perceel [locatie 5] te Wouwse Plantage. 2.10.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.1 van de planregels, zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor: a. grondgebonden agrarische bedrijven; (…) d. ter plaatse van de aanduiding "paardenhouderij" tevens een paardenhouderij; (…) f. per bouwvlak (lees:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.