(2010)van kracht (hierna: het verspreidingsmodel 2010). In het deskundigenbericht is geconcludeerd dat op grond van het verspreidingsmodel 2010 moet worden uitgegaan van gemiddelde gebouwhoogten van 4,5 m, 4,5 m en 1,5 m voor onderscheidenlijk stal 1, 2 en
- Als emissiepunthoogte moet volgens het deskundigenbericht 2,3 m voor stal 1, 2,4 m voor stal 2 en 1,5 m voor stal 3 worden gehanteerd. Hetgeen het college en [appellant] hebben aangevoerd, biedt geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de in het deskundigenbericht vermelde gebouw- en emissiepunthoogten. Gelet hierop is het college bij de berekening van de geurbelasting uitgegaan van onjuiste waarden. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen. Deze beroepsgrond slaagt. 2.
- Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat kadavers van dieren onafgedekt op het terrein van de inrichting liggen, wijst de Afdeling erop dat ingevolge voorschrift 9.4 van de in 1993 verleende revisievergunning kadavers, in afwachting van afvoer uit de inrichting, dienen te worden geborgen in een deugdelijke waterdichte verpakking of in een goed gesloten, speciaal daarvoor bestemd(e) ruimte, vat of kist. Voor zover dat niet zou gebeuren, betreft dat een kwestie van handhaving van de vergunning, hetgeen in het kader van deze procedure niet aan de orde kan komen. Deze beroepsgrond faalt. Kuilvoeropslagplaats 2.
- [appellant] voert aan dat de kuilvoeropslagplaats illegaal aanwezig is en dat deze op een te korte afstand is gelegen van zijn woning. 2.12.
- De in 1993 verleende vergunning heeft mede betrekking op een opslagplaats met een aantal kuilen voor kuilvoer. Ingevolge voorschrift 12.2 van die vergunning dient de opslagplaats zodanig te zijn gesitueerd dat de afstand van elk van de kuilen tot de woning [locatie] ten minste 16,6 m bedraagt. De bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning heeft geen betrekking op de kuilvoeropslagplaats. De bezwaren van [appellant] die hierop betrekking hebben, kunnen daarom in deze procedure niet aan de orde komen. Bestuurlijke lus 2.
- Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.9.3 en 2.10.3 is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen. 2.
- De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen de gebreken in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. Het college dient hiertoe met inachtneming van overweging 2.9.3 alsnog te onderzoeken of de garage blijkens aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Op grond daarvan dient het college te beoordelen en deugdelijk te motiveren of de garage als een geurgevoelig object moet worden aangemerkt. Voorts dient het college de door de inrichting veroorzaakte geurbelasting met inachtneming van overweging 2.10.3 opnieuw te berekenen en naar aanleiding van die berekening te beoordelen en deugdelijk te motiveren of de vergunning, gelet op de geurbelasting, kan worden verleend. Zo nodig dient het college het bestreden besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. Daarbij behoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Het wijzigingsbesluit of het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt. 2.
- In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: draagt het college van burgemeester en wethouders van Hengelo op om binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak:
- met inachtneming van overweging 2.13 de in de overwegingen 2.9.3 en 2.10.3 geconstateerde gebreken in het besluit van 9 februari 2011, kenmerk 379675, te herstellen, zo nodig door dat besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. In het laatste geval dient het wijzigingsbesluit of het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden;
- de Afdeling de uitkomst mede te delen. Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat. w.g. Drupsteen w.g. Van Roessel voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2012 457-732.