(2006)en toekomstscenario's (2010 en 2020)" van 14 april 2008, opgesteld door TNO bouw en ondergrond, worden in het plangebied alleen binnen het gebied rond het cluster van de bedrijven Eurobeton en Betoncentrale Staphorst de grenswaarden voor fijnstof (PM10) overschreden. Het betreft hier het aantal malen dat de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie wordt overschreden. In het rapport is gebruikgemaakt van de Standaardrekenmethoden welke zijn voorgeschreven in de artikelen 71 en 75 van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit
- De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval deze rekenmethoden niet had mogen toepassen of om aan de juistheid van de conclusies in het rapport te twijfelen. Voorts heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de situatie op het bedrijventerrein met betrekking tot de luchtkwaliteit in de periode tussen het uitvoeren van het onderzoek en de vaststelling van het plan dusdanig is gewijzigd dat het onderzoek niet meer actueel was ten tijde van het vaststellingsbesluit. Het betoog van [appellant sub 2] betreffende het luchtkwaliteitonderzoek faalt. 2.3.
- Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder b, sub 1, van de Wet milieubeheer kunnen bestuursorganen de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden of de daar bedoelde wettelijke voorschriften, waarvan de uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen dan wel toepassen in gevallen waarin bij een uitoefening of toepassing, aannemelijk is gemaakt dat de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft. 2.3.
- Het thans geldende plan maakt niet meer ontwikkelingen mogelijk dan het vorige bestemmingsplan. Derhalve heeft de raad mogen aannemen dat als gevolg van het plan geen verslechtering van de luchtkwaliteit zal optreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, behoefde onder deze omstandigheden geen verdergaand onderzoek te worden verricht naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2010 in zaak nr. 200904104/1/R3). De Afdeling overweegt voorts dat de raad, in tegenstelling tot hetgeen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] kennelijk veronderstellen, onder deze omstandigheden niet gehouden was aannemelijk te maken dat het plan een verbetering teweeg zou brengen voor de luchtkwaliteit. De betogen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] over de luchtkwaliteit falen. 2.
- Voor zover [appellanten sub 1] stellen dat de raad er ten onrechte van heeft afgezien hun woning aan te kopen en [appellant sub 2] stelt dat zijn woning ten onrechte niet is gesaneerd, overweegt de Afdeling dat deze woningaankoop en sanering niet aan de orde zijn in de onderhavige procedure omtrent de vaststelling van het plan voor de nabijgelegen gronden. 2.
- In hetgeen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van staat. w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Vogel-Carprieaux voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012 458-723.