201111113/1/A1. Datum uitspraak: 8 augustus 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Vught, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 september 2011 in zaak nr. 10/1762 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Vught. 1. Procesverloop Bij besluit van 22 december 2009 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen de verhoging van de stenen erfafscheiding op het perceel [locatie] te Vught (hierna: het perceel) afgewezen. Bij besluit van 27 april 2010 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit met verbetering van de motivering in stand gelaten. Bij uitspraak van 12 september 2011, verzonden op 21 september 2011, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2011, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [belanghebbende] heeft daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting gelijktijdig met het hoger beroep in zaak nr. 201111114/1/A1 behandeld op 16 mei 2012, waar partijen, met kennisgeving, niet zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Vast staat dat [belanghebbende] de stenen erfafscheiding zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning heeft verhoogd en dat het college ten tijde van belang bevoegd was om hiertegen handhavend op te treden. 2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder dwangsom of bestuursdwang op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college haar verzoek om handhaving op goede gronden heeft afgewezen. Daartoe voert zij aan dat de erfafscheiding zowel aan de zijde van de brandgang als aan de zijde van de tuin van [belanghebbende] hoger is dan 2 m, zodat niet met toepassing van artikel 7, lid F, onderdeel 7, van de planvoorschriften ontheffing kan worden verleend en derhalve geen concreet zicht op legalisering bestaat. 2.3.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "1e herziening Molenstraat e.o." (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden". Ingevolge artikel 7, lid A, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor wonen met de daarbij behorende voorzieningen. Ingevolge lid B, onderdeel d, sub 2, mag de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bestemmingsvlak ten hoogste 3 m bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen waarvan de hoogte voor de naar de weg gekeerde bouwgrens en/of de bijbouwgrens niet meer dan 1 m en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens en/of bijbouwgrens niet meer dan 2 m mag bedragen. Ingevolge lid F, onderdeel 7, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen voor de hoogte van erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde bouwgrens en/of bijbouwgrens, onder de voorwaarden dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.