201204714/1/V4. Datum uitspraak: 14 september 2012 Raad van State AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: (de vreemdeling), appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 2 mei 2012 in zaak nr. 12/12256 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. Procesverloop Bij besluit van 11 april 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 2 mei 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij de Raad van State hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aan de bewaring voorafgegane staandehouding, die is verricht na een controle in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid (hierna: MTV controle), rechtmatig is. Daartoe betoogt de vreemdeling dat de rechtbank, mede in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 22 juni 2010, gevoegde zaken C-188/10 & C-189/10, Melki en Abdeli (www.curia.europa.eu), heeft miskend dat het proces-verbaal onvoldoende inzichtelijk maakt of is voldaan aan artikel 21, eerste lid, sub a, van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (hierna: de Schengengrenscode), of sprake is van een krachtens de Schengengrenscode ongeoorloofde grenscontrole en of gehandeld is in strijd met het verbod op willekeurige staandehouding neergelegd in de artikelen 6 en 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Voorts heeft de rechtbank volgens de vreemdeling miskend dat het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding onvoldoende inzichtelijk maakt op welke grond hij is staande gehouden en hoe de staandehouding is geschied, waardoor de waarborgen die bij de controle gelden onvoldoende kunnen worden getoetst. De enkele vermelding dat de controle conform artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna; het Vb 2000) is uitgevoerd en uit informatie of ervaringsgegevens is gebleken dat via deze route illegaal verblijf en illegale immigratie plaatsvindt, is daartoe onvoldoende. In dit verband heeft de vreemdeling verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 20 oktober 2011, zaak nr. 201108181/1/V4, van 24 oktober 2011, zaak nr. 201107646/1/V4, en van 25 oktober 2011, zaak nr. 201102743/1/V4 (www.raadvanstate.nl). Gelet op het vorenstaande en de omstandigheid dat de rechtbank Roermond aan het Hof prejudiciële vragen heeft gesteld over de verenigbaarheid van de MTV-controles met de Schengengrenscode, was de staandehouding onrechtmatig, aldus de vreemdeling. 1.1. Ingevolge artikel 4.17a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 wordt de bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen, op wegen en vaarwegen in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland. Ingevolge het tweede lid wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf. Ingevolge het vijfde lid wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden. 1.2. Bij verwijzingsuitspraak van 4 juni 2012 in zaak nr. 201204130/1/T1/V4 (www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.