201011920/1/T1/R3. Datum uitspraak: 26 september 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te Oirschot, 2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats], gemeente Oirschot, 3. [appellant sub 3], wonend te Oirschot, 4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot, 5. [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B], wonend te Oirschot (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 5]), 6. [appellante sub 6], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot, 7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot, 8. [appellanten sub 8], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 8]), 9. [appellant sub 9], wonend te Oirschot, 10. [appellant sub 10], wonend te Oirschot, 11. [appellant sub 11], wonend te Oirschot, 12. [appellant sub 12], wonend te Oirschot, 13. [appellanten sub 13], wonend te Oirschot (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 13]), 14. [appellant sub 14], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot, 15. [appellant sub 15]), wonend te Oirschot, 16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Petrochemical Pipeline Services B.V., gevestigd te Beek (Limburg), 17. [appellanten sub 17], beiden wonend te Oirschot (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 17]), 18. [appellante sub 18], gevestigd te Oirschot, 19. [appellant sub 19], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot, 20. [appellant sub 20], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot, 21. [appellanten sub 21], wonend te Oirschot, 22. de stichting Stichting Behoud Erfgoed Oirschot, gevestigd te Oirschot, 23. [appellant sub 23], wonend te Oirschot, 24. [appellant sub 24], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot, 25. [appellant sub 25], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot, 26. [appellante sub 26], wonend te [woonplaats], 27. [appellant sub 27], wonend te Oirschot, 28. [appellant sub 28], wonend te Oirschot, 29. [appellanten sub 29], wonend te [woonplaats], 30. [appellant sub 30], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot, 31. [appellant sub 31], wonend te Oirschot, 32. [appellant sub 32], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot, 33. [appellant sub 33], wonend te Oirschot, 34. [appellant sub 34], wonend te Oirschot, en de raad van de gemeente Oirschot, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 29 september 2010, kenmerk 2010/61, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben onder meer [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellante sub 2], [appellant sub 4], [appellante sub 6], [appellant sub 5], [appellant sub 9], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], Petrochemical Pipeline Services, [appellant sub 17], [appellante sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20], [appellanten sub 21], Stichting Behoud Erfgoed Oirschot, [appellant sub 23], [appellante sub 26], [appellant sub 24], [appellant sub 25], [appellant sub 27], [appellant sub 28], [appellanten sub 29], [appellant sub 30], [appellant sub 31], [appellant sub 32], [appellant sub 33] en [appellant sub 34] tijdig beroep ingesteld. Een aantal van hen heeft de gronden van het beroep schriftelijk aangevuld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal partijen heeft hun zienswijze daarop naar voren gebracht. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24, 25 en 26 april 2012, waar een aantal appellanten zich heeft doen vertegenwoordigen of in persoon, al dan niet bijgestaan door een raadsman, is verschenen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn verscheidene belanghebbenden gehoord die op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn toegelaten tot het geding. Buiten bezwaren van betrokken partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht. De Afdeling heeft de behandeling van andere beroepen tegen het besluit van 29 september 2010 afgesplitst en de behandeling hiervan voortgezet onder zaak nr. 201011920/8/R3. 2. Overwegingen Bestuurlijke lus 2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Het beroep van [appellante sub 2] 2.2. [appellante sub 2] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor haar melkveehouderij en boomteeltactiviteiten, welke bedrijvigheid plaatsvindt op haar perceel [locatie 1] te [plaats]. Bovendien zijn vergunde teeltondersteunende voorzieningen thans ten onrechte niet toegestaan, zo voert [appellante sub 2] aan. 2.2.1. De raad stelt dat weliswaar is verzocht om uitbreiding van het bedrijf van [appellante sub 2], maar dat dit verzoek niet is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing, zodat de planologische haalbaarheid niet is aangetoond. Om die reden is het verzoek niet meegenomen in het plan, aldus de raad. Ten behoeve van de gewenste uitbreiding van [appellante sub 2] is weliswaar een milieuvergunning verleend, maar dat is geen garantie voor planologische medewerking, zo stelt de raad. 2.2.2. De gronden van [appellante sub 2] aan de [locatie 1] zijn bestemd als "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden". 2.2.3. Volgens het op dit punt onweersproken deskundigenbericht beslaat het bouwvlak van [appellante sub 2] een oppervlakte van ongeveer 1,3 ha. [appellante sub 2] wenst een uitbreiding van het bouwvlak met 0,5 ha, ten behoeve van het bestaande containerveld, nieuwe mestopslag, te plaatsen sleufsilo’s en verlenging van de mestopslag/sleufsilo. De thans aanwezige ruimte binnen het bouwvlak, een strook van ongeveer 100 m breed en 10 m tot 20 m diep, is niet voldoende om de gewenste uitbreiding binnen het bouwvlak te realiseren. Wat betreft de gewenste uitbreiding, overweegt de Afdeling dat [appellante sub 2] de ruimtelijke gevolgen van de door haar gewenste uitbreiding van haar bouwvlak ten tijde van de vaststelling van het plan niet zodanig concreet had onderbouwd dat de raad, ondanks het conserverende karakter van het plan, was gehouden om nader te onderzoeken of daaraan tegemoet had kunnen worden gekomen in het voorliggende plan. Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van de verlening van de milieuvergunning op 16 juni 2009, bevat voorts geen plicht tot afwijzing van de aanvraag indien de verlening tot strijd met het bestemmingsplan zou leiden, maar slechts een bevoegdheid daartoe. Uit de omstandigheid dat ten behoeve van de gewenste uitbreiding een milieuvergunning is verleend, kan dan ook niet zonder meer het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat aan die uitbreiding ook planologische medewerking zal worden verleend. 2.2.4. Wat betreft de bestaande containervelden op de gronden van [appellante sub 2], die een oppervlakte beslaan van ongeveer 1.350 m², heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat hij van mening is dat het bestreden besluit op dit punt heroverweging behoeft. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden van na het bestreden besluit voor dit standpunt aanleiding hebben gegeven, bestaat aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" dat betrekking heeft op het deel van het perceel [locatie 1] waar containervelden zijn gesitueerd. 2.3. [appellante sub 2] voert aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" is toegekend aan haar gronden. De gronden van het bedrijf die zijn aangeduid als "bouwvlak" zijn volgens [appellante sub 2] al geroerd en bevatten dan ook geen archeologische waarden. Ook ter plaatse van de gewenste uitbreiding van het bouwvlak zou deze dubbelbestemming niet moeten gelden, zo betoogt [appellante sub 2] 2.3.1. De ligging van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" komt volgens het deskundigenbericht overeen met het gebied dat op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart is aangeduid als "Archeologisch monument". Dit archeologisch monument staat bekend onder de naam "De Aalborst" en is op de Archeologische Monumentenkaart van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed opgenomen onder AMK-3005, zodat het standpunt van [appellante sub 2] dat voor de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" geen noodzaak bestaat, volgens het deskundigenbericht niet kan worden gedeeld. [appellante sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat, in weerwil van het deskundigenbericht, geen reden bestaat om archeologische waarden te beschermen. 2.4. [appellante sub 2] voert aan dat ten onrechte aan haar gronden en gronden in de omgeving daarvan de gebiedsaanduiding "extensieve natuurgerichte recreatie" is toegekend. Zij vreest als gevolg hiervan in haar bedrijfsvoering te worden beperkt. 2.4.1. De raad stelt dat de geboden mogelijkheden voor het ontwikkelen van recreatieve nevenactiviteiten is gebaseerd op de zogenoemde "Integrale Visie voor Toerisme en Recreatie". Volgens de raad is in de planregels duidelijk bepaald wanneer ontheffing (lees: een omgevingsvergunning voor afwijking van bij het plan aan te geven regels) kan worden verleend voor (dag)recreatieve nevenactiviteiten, waarbij wordt getoetst of geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden en bedrijven. 2.4.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.6.4 van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders, met inachtneming van de procedureregels in artikel 37, een omgevingsvergunning voor afwijking van het bepaalde in artikelen 4, leden 4.1.1, 4.5.1 onder e en 4.5.2 verlenen en recreatieve nevenactiviteiten op een agrarisch bouwvlak toestaan, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels dan wel vergelijkbare recreatieve activiteiten. Aan de mogelijkheid tot het aanwenden van deze bevoegdheid is een groot aantal voorwaarden verbonden. Onder meer moet de nevenactiviteit ondergeschikt zijn aan de agrarische bedrijfsvoering en mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden en (agrarische) bedrijven. Voor een aantal vormen van recreatie gelden aanvullende voorwaarden ter plaatse van gronden met de aanduiding "extensieve natuurgerichte recreatie". Zoals de raad ter zitting heeft toegelicht, biedt het toekennen van de aanduiding "extensieve natuurgerichte recreatie" aan gronden van [appellante sub 2] ter plaatse extra mogelijkheden en vloeien er geen beperkingen aan de bestaande bedrijfsvoering uit voort. Gelet hierop en op de voorwaarden die het plan stelt aan aanwending van de bestreden bevoegdheid voor gronden met de aanduiding "extensieve natuurgerichte recreatie", geeft de enkele door [appellante sub 2] geuite vrees dat als gevolg hiervan afbreuk kan worden gedaan aan haar belangen geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellante sub 2] op dit punt niet onevenredig in haar belangen wordt getroffen. 2.5. Wat betreft het betoog van [appellante sub 2] dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de dubbelbestemmingen "Waterstaat-Inundatiegebied", "Waterstaat-Waterbergingsgebied" en de gebiedsaanduiding "openheid" aan haar gronden zijn toegekend, stelt de Afdeling vast dat deze bestemmingen en aanduiding blijkens de verbeelding niet van toepassing zijn op de gronden van [appellante sub 2] In zoverre mist het beroep van [appellante sub 2] dan ook feitelijke grondslag. Het beroep van [appellant sub 3] 2.6. [appellant sub 3] betoogt dat onduidelijk is of het gebruik van de voormalige kippenschuur op zijn perceel [locatie 2] te Oirschot voor de opslag van tuinbouwmaterialen en -producten ten behoeve van zijn hoveniersbedrijf is toegestaan. In het kader van een procedure omtrent het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2000 is van gemeentelijke zijde gesteld dat dit het geval is, terwijl dit nu niet bevestigd wordt ten aanzien van dit - ongewijzigde - gebruik, zo voert [appellant sub 3] aan. 2.6.1. Het perceel [locatie 2] heeft de bestemming "Wonen". Deze bestemming maakt het door [appellant sub 3] bedoelde gebruik van de voormalige kippenschuur op het perceel niet mogelijk. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat hij geen bezwaren heeft tegen het huidige gebruik van de schuur van [appellant sub 3] voor de opslag van tuinbouwmaterialen, indien dit gebruik niet wordt uitgebreid. Dit standpunt wijkt af van het door de raad bij de vaststelling van het plan ingenomen standpunt met betrekking tot dit gebruik. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden van na het bestreden besluit voor het ter zitting door de raad geuite standpunt aanleiding hebben gegeven, bestaat aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig tot stand is gekomen. 2.7. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op het deel van het perceel [locatie 2] dat is bebouwd met een voormalige kippenschuur. Het beroep van [appellant sub 4] 2.8. [appellant sub 4] betoogt dat volgens het plan ten onrechte niet het legaal opgerichte bedrijfsgebouw en een paardenrijbak op haar perceel [locatie 3] te [plaats] zijn toegelaten. 2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de door [appellant sub 4] gewenste ontwikkeling neerkomt op nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf, hetgeen niet mogelijk is in het buitengebied. Bovendien is de locatie gelegen binnen een landbouwontwikkelingsgebied, waar het beleid is gericht op versterking van de intensieve veehouderij, zo stelt de raad. 2.8.2. Volgens het op dit punt onweersproken deskundigenbericht bevinden zich aan de [locatie 3] op gronden met de bestemming "Agrarisch" een paardenstal en een paardenrijbak ten behoeve van een paardenhouderij. Vaststaat dat de bestemming "Agrarisch" het bestaande gebruik van de gronden als paardenhouderij mogelijk maakt, maar dat de paardenstal en paardenrijbak ter plaatse niet bij recht zijn toegestaan. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat hij zijn keuze om de paardenstal en de paardenrijbak niet mogelijk te maken, wil heroverwegen. Nu niet gebleken is dat gewijzigde omstandigheden van na het bestreden besluit aanleiding hebben gegeven voor dit standpunt, bestaat aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig tot stand is gekomen. 2.9. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 3]. Het beroep van [appellant sub 5] 2.10. [appellant sub 5] kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur en landschapswaarden" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - toeristenpoort" en bijbehorende horeca-activiteiten, die zijn toegekend aan het perceel [locatie 4] te Oirschot. Verder kan hij zich niet verenigen met de mogelijkheid die het plan biedt om drie trekkershutten te realiseren. Volgens hem brengen de horeca-activiteiten en het gebruik van de trekkershutten onaanvaardbare geluidhinder met zich. Hij voert in dit verband aan dat de raad ten onrechte ervan is uitgegaan dat deze activiteiten ondergeschikt zijn aan de hoofdactiviteit, te weten een educatieve viskwekerij. Voorts is niet duidelijk wat in het plan wordt verstaan onder ondergeschikte horeca. Volgens [appellant sub 5] kunnen horeca-activiteiten ook ten behoeve van de nevenactiviteiten worden ontplooid. [appellant sub 5] stelt in dit verband dat het perceel feitelijk niet agrarisch wordt gebruikt, maar veeleer het karakter heeft van een horecagelegenheid. Zo worden de ontvangstruimte, die op ongeveer 8 m van zijn woning ligt, en het daaraan grenzende terras gebruikt voor feesten en bedrijfsuitjes en andere horeca-activiteiten en wordt de loods waarin de visverwerking en opslag plaatsvindt, deels als feestzaal gebruikt. Ook zijn volgens hem ten onrechte vier bed & breakfastkamers mogelijk gemaakt terwijl op het perceel geen woning aanwezig is. Hij betoogt verder dat onduidelijk is welk type horeca is toegestaan, wat de openingstijden zijn en dat van een te laag bezoekersaantal is uitgegaan bij het bepalen van de gevolgen voor de omgeving. Daarnaast betoogt hij dat de viskwekerij in strijd met de bestemming wordt gebruikt als kinderopvangcentrum en standplaats voor caravans. Voorts wordt niet voldaan aan de afstanden die in de VNG-brochure zijn aanbevolen. Tot slot voert hij aan dat geen noodzaak bestaat voor een toeristenpoort op het perceel, nu het plan reeds voorziet in zeven toeristenpoorten in de omgeving. 2.10.1. De raad stelt dat de horeca-activiteiten uitsluitend ondersteunend mogen zijn aan de hoofdactiviteit, die in dit geval bestaat uit de educatieve viskwekerij. Indien bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd die niet overeenstemmen met het plan, kan hiertegen handhavend worden opgetreden. Verder betoogt de raad dat de openingstijden in de Algemene Plaatselijke Verordening zijn geregeld. Planologisch is het volgens hem niet mogelijk om openingstijden te reguleren. Voorts betoogt de raad dat de bed & breakfastkamers en de trekkershutten passen in het door hem gehanteerde beleid, dat is neergelegd in de Visie toerisme en recreatie. 2.10.2. Aan het betreffende perceel is de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden " en zijn de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - educatieve viskwekerij" en "specifieke vorm van recreatie - toeristische poort" toegekend. In artikel 5, lid 5.1.2 van de planregels is bepaald dat de gronden met deze bestemming tevens bestemd zijn voor nevenactiviteiten zoals deze zijn opgenomen in bijlage 3 in de tabel "nevenactiviteiten". In bijlage 3 behorende bij de planregels zijn in de tabel met nevenactiviteiten voor het perceel [locatie 4] een toeristenpoort met bed & breakfast, trekkershutten, horecavoorziening/educatieruimte en een terras opgenomen. In de tabel zijn geen maximaal toegestane oppervlaktes ten behoeve van deze gebouwen en functies opgenomen. In artikel 1, lid 21, is een bed & breakfast als volgt omschreven: "een kleinschalige vorm van verblijfsrecreatie die zich met name richt op de trekkende toeristen, die voor één of enkele nachten een onderkomen zoeken. Typerend voor bed & breakfast is dat deze gekoppeld is aan een woonfunctie, dat betekent dat mede gebruik wordt gemaakt van keuken en eventueel sanitair van de woning en dat deze binnen de bestaande bebouwing of vervangende nieuwbouw gerealiseerd moet worden, mits de daartoe maximale m2 niet wordt overschreden." In artikel 1, lid 131, is een toeristenpoort omschreven, voor zover hier van belang, als een transferium waar kleinschalige, overwegend dagrecreatieve, activiteiten worden ontplooid over het Oirschotse toeristisch-recreatieve product, waar ondergeschikte horeca deel van uitmaakt. In artikel 1, lid 108, is ondergeschikte horeca omschreven als een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is, maar waar men uitsluitend ten behoeve van de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren. 2.10.3. De Afdeling stelt voorop dat de vraag of de bedrijfsgebouwen van de viskwekerij in overeenstemming met het bestemmingsplan zullen worden gebruikt ziet op de naleving van het bestemmingsplan, en om die reden niet in de onderhavige procedure aan de orde is. Voorts blijkt uit de definitie van ondergeschikte horeca in artikel 1, onder 108, van de planregels duidelijk dat dergelijke horeca-activiteiten uitsluitend kunnen worden uitgeoefend ten aanzien van de hoofdfunctie en niet ten behoeve van eventuele nevenactiviteiten. Dit betekent dat in het voorliggende geval uitsluitend ondergeschikte horeca mogelijk is ten behoeve van de educatieve viskwekerij. Het betoog dat de raad er ten onrechte van is uitgegaan dat de horeca-activiteiten ondergeschikt zijn aan de hoofdactiviteit kan derhalve niet slagen. Met betrekking tot de nevenactiviteiten overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting is door de raad erkend dat abusievelijk in bijlage 3 van de planregels voor het perceel [locatie 4] geen maximale oppervlaktes zijn opgenomen voor de verschillende nevenactiviteiten en niet een maximaal aantal personen dat binnen de bed & breakfast mag verblijven, is voorgeschreven. Verder is door de raad erkend dat op het perceel geen woning of woonfunctie aanwezig is, zodat in afwijking van artikel 1, lid 21, van de planregels de bed & breakfast niet is gekoppeld aan een woonfunctie. Voorts geeft het bestreden besluit er geen blijk van dat is onderzocht welke geluidbelasting vanwege de verschillende nevenfuncties en de ondergeschikte horeca-activiteiten op het perceel zal optreden. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig is voorbereid en in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb is. Het beroep van [appellante sub 6] 2.11. [appellante sub 6] exploiteert een kampeerboerderij op het perceel [locatie 5] te [plaats]. Zij stelt dat in het plan ten onrechte slechts één bedrijfswoning op haar perceel is toegestaan. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat op het perceel sinds 2002 twee bedrijfswoningen aanwezig zijn. Volgens [appellante sub 6] is dit noodzakelijk voor de bedrijfsvoering en is van gemeentewege de mededeling gedaan dat de twee bedrijfswoningen als zodanig zullen worden bestemd. [appellante sub 6] stelt verder dat haar niet kan worden tegengeworpen dat zij hierover geen advies heeft gevraagd aan de provinciale adviescommissie Toerisme en Recreatie, nu de raad pas in de reactie op de zienswijzen heeft aangegeven dat hij een advies ter zake nodig acht. 2.11.1. Aan het perceel [locatie 5] is, voor zover hier van belang, de bestemming "Recreatie (R)" met de nadere aanduidingen 'bedrijfswoning' en 'kampeerboerderij' toegekend. Ingevolge artikel 14, lid 14.1.1, onder i, en lid 14.2.2, onder b, van de planregels is op het perceel één bedrijfswoning toegestaan. 2.11.2. De raad stelt dat het gemeentelijke beleid is gericht op het tegengaan van verstening in het buitengebied en op het weren van functies die niet in het buitengebied thuishoren. Volgens de raad kan alleen in zeer uitzonderlijke situaties medewerking worden verleend aan een tweede bedrijfswoning. De raad stelt dat bij brief van 23 juni 2009 door het college van burgemeester en wethouders is aangegeven dat in principe medewerking kan worden verleend aan een tweede bedrijfswoning, mits de noodzaak daarvan wordt aangetoond. Volgens de raad had [appellante sub 6] dit kunnen aantonen door middel van een advies van de provinciale adviescommissie Toerisme en Recreatie. Nu [appellante sub 6] een dergelijk advies niet heeft overgelegd, acht de raad de noodzaak van de tweede bedrijfswoning niet voldoende aangetoond. 2.11.3. In het deskundigenbericht is vermeld dat het in geding zijnde perceel een totale oppervlakte heeft van ongeveer 6 hectare. Op het terrein zijn drie gebouwen aanwezig met vijf groepsaccommodaties voor in totaal 218 personen. De accommodaties beschikken over verblijfsruimten, keukens, slaapzalen en sanitair. Ook bevinden zich op het terrein een midgetgolfbaan, een bos, een vis- en speelvijver, kampvuurplaatsen, speelvelden en een minicamping. Verder zijn op het perceel twee afzonderlijke volwaardige woningen aanwezig, namelijk een woning uit 1948 en een woning die is gebouwd in 2002, aldus het deskundigenbericht. 2.11.4. Bij besluit van 2 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders een vergunning verleend voor de bouw van een woning op het perceel [locatie 5]. Op dat moment was op dat perceel, zoals blijkt uit het vorenstaande, reeds een woning uit 1948 aanwezig. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Correctieve herziening 2003" slechts één bedrijfswoning op het perceel was toegestaan. Bij brief van 23 juni 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders, onder het kopje "Besluit", medegedeeld dat wordt besloten medewerking te verlenen aan het legaliseren van de vergunde bedrijfswoning en dat het bestemmingsplan wordt aangepast om de tweede bedrijfswoning te legaliseren conform de vergunde situatie. Daarbij is aangegeven dat in de vergunning van de tweede bedrijfswoning niet als voorwaarde is opgenomen dat de eerste woning van zijn functie moet worden ontdaan. In die brief is verder, onder het kopje "Beoordeling rob", vermeld dat de ruimtelijke onderbouwing is beoordeeld en dat de noodzaak van een tweede bedrijfswoning onvoldoende is onderbouwd. 2.11.5. De Afdeling overweegt dat zij op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet heeft kunnen vaststellen of bij de verlening van de bouwvergunning van 2 april 2002 de voorwaarde is gesteld dat de eerste bedrijfswoning op het perceel [locatie 5] van zijn functie moest worden ontdaan. De raad heeft ter zitting verklaard dat een dergelijke voorwaarde, anders dan lijkt te volgen uit de brief van 23 juni 2009, destijds wel is gesteld. De raad heeft deze verklaring echter niet nader onderbouwd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Uit de stukken blijkt verder dat [appellante sub 6] op 1 december 2009 een nieuwe ruimtelijke onderbouwing bij de raad heeft ingediend, waarin de noodzaak van een tweede bedrijfswoning op het perceel nader is onderbouwd. De raad heeft zich bij de vaststelling van het bestemmingsplan op het standpunt gesteld dat de noodzaak van de tweede bedrijfswoning niet voldoende aangetoond, aangezien daarover geen advies is ontvangen van de provinciale adviescommissie Toerisme en Recreatie. De raad heeft ter zitting verklaard dat een advies van deze commissie niet ongebruikelijk is bij grootschalige uitbreidingen van recreatievoorzieningen, maar dat een dergelijk advies niet in alle gevallen is vereist. Gelet hierop en nu de raad niet inhoudelijk is ingegaan op de ruimtelijke onderbouwing van 1 december 2009, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt evenmin berust op een deugdelijke motivering. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Recreatie", wat betreft het perceel [locatie 5], voor zover op dit perceel één bedrijfswoning is toegestaan, is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 7] 2.12. [appellant sub 7] exploiteert een gemengd agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 6] te [plaats]. In de omgeving van zijn bedrijf heeft hij gronden in gebruik als weidegrond en voor de teelt van mais. [appellant sub 7] stelt dat in het plan ten onrechte een natuurbestemming is toegekend aan de oevers van de nabijgelegen watergang Beerzeloop. Hij vreest dat dit beperkingen oplevert voor zijn bedrijfsvoering. 2.12.1. Aan de gronden langs de beide oevers van de watergang Beerzeloop is in het plan de bestemming "Natuur (N)" toegekend. Ingevolge artikel 13, lid 13.1.1, van de planregels zijn de desbetreffende gronden onder meer bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden van niet beboste gronden en heidevelden, voor sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen, alsmede voor daaraan ondergeschikt agrarisch medegebruik in de vorm van natuurbeheer. 2.12.2. De raad stelt dat hij op grond van de provinciale algemene regels ter zake gehouden was een natuurbestemming vast te stellen voor de oevers van de Beerzeloop. Daarbij heeft de raad overwogen dat het gaat om een ecologische verbindingszone die ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan reeds was gerealiseerd. [appellant sub 7] heeft dit standpunt van de raad niet bestreden. Blijkens de zienswijzennota en het verweerschrift stelt de raad zich verder op het standpunt dat het plan in zoverre geen nadelige gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 7]. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad dit standpunt niet in redelijkheid heeft kunnen innemen. Daarbij is van belang dat [appellant sub 7] geen gronden heeft langs de Beerzeloop. Blijkens de verbeelding en het verhandelde ter zitting bedraagt de afstand tussen de gronden van [appellant sub 7] en de gronden met een natuurbestemming minimaal 37 m en ligt het bouwvlak op het perceel [locatie 6] op een afstand van ongeveer 150 m van de gronden met een natuurbestemming. Gelet hierop en nu [appellant sub 7] niet concreet heeft aangegeven welke beperkingen hij vreest te zullen ondervinden van de natuurbestemming die is toegekend aan de oevers van de Beerzeloop, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het betoog faalt. 2.13. [appellant sub 7] is tevens pachter van een perceel aan de Meierijse Baan te Oirschot. Hij stelt dat in het plan ten onrechte een natuurbestemming is toegekend aan dit perceel, dat hij in gebruik heeft als weidegrond. Verder stelt hij dat aan dit perceel ten onrechte een dubbelbestemming, gericht op de bescherming van de zogenoemde natte natuurparel, is toegekend. Hij vreest dat het plan in zoverre beperkingen oplevert voor het huidige agrarische gebruik. 2.13.1. Aan het in geding zijnde perceel is in het plan de bestemming "Natuur (N)" toegekend. Tevens is aan dit perceel de dubbelbestemming "Waarde - Natte natuurparel (WR-NN)" toegekend. Ingevolge artikel 28, lid 28.1.1, van de planregels zijn de gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Natte natuurparel", behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor onder meer het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situatie binnen de natte natuurparels met bijbehorende beschermingszones. Ingevolge lid 28.4.1 is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de in het artikellid omschreven werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren. 2.13.2. De raad heeft ter zitting verklaard dat hij geen natuurbestemming heeft willen toekennen aan gronden die agrarisch worden gebruikt. Aangezien [appellant sub 7] het door hem gepachte perceel aan de Meierijse Baan agrarisch gebruikt, had aan dit perceel bij nader inzien de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" moeten worden toegekend, zo stelt de raad. Verder heeft de raad ter zitting verklaard dat de dubbelbestemming voor de natte natuurparel, gezien de regels die daarvoor in het plan zijn gesteld, een te grote beperking oplevert voor het bestaande agrarische gebruik van de gronden. Volgens de raad mogen deze regels niet in de weg staan aan de voortzetting van het normale agrarische gebruik. De raad stelt zich bij nader inzien dan ook op het standpunt dat de regels voor deze dubbelbestemming moeten worden gewijzigd. Nu de raad zich op bovengenoemde punten op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat deze onderdelen betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 8] 2.14. Het beroep van [appellant sub 8] is gericht tegen de plandelen met de bestemmingen "Natuur" en "Wonen" die betrekking hebben op zijn perceel aan de [locatie 7] te [plaats] (hierna ook: [het perceel]). Hij betoogt onder meer dat de raad zijn gronden ten onrechte niet heeft aangemerkt als landgoed en wijst hiertoe op de omstandigheid dat [het perceel] als landgoed is aangewezen in het kader van de Natuurschoonwet 1929. [appellant sub 8] vreest aldus niet te kunnen voldoen aan de instandhoudingsplicht die volgt uit de rangschikking in het kader van de Natuurschoonwet 1929. [appellant sub 8] beoogt met zijn beroep voorts vergroting van het bouwblok ten behoeve van de daarbuiten gelegen gebouwtjes en ten behoeve van herbouw van zijn woning. De raad heeft bij zijn besluitvorming ten onrechte geen rekening gehouden met het specifieke karakter en de bijzondere historie van het landgoed met de daarbij behorende bestaande gebouwtjes, paden en wegen. Ook heeft de raad niet gemotiveerd waarom bij omliggende percelen wel grotere bouwvlakken zijn toegekend en aan zijn perceel niet. Door het niet toekennen van een groter bouwvlak zijn ten onrechte de vanouds aanwezige garage, de houtopslag en de stenen garage/kantoor opnieuw onder het overgangsrecht gebracht. Gelet op het voorgaande heeft de raad onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen en is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd, onzorgvuldig voorbereid en strijdig met het gelijkheidsbeginsel, aldus [appellant sub 8]. 2.14.1. Volgens de raad is voor de bestaande landgoederen binnen de gemeente gekozen voor de bestemming "Natuur" in combinatie met "Wonen" en in drie specifieke gevallen voor de bestemming "Maatschappelijk-Buitenplaats". Het plan heeft een conserverend karakter, hetgeen betekent dat geen nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan. De gebouwen op het terrein die buiten het bouwvlak staan zijn in het verleden gerealiseerd zonder bouwvergunning, zodat deze planologisch als een nieuwe ontwikkeling moeten worden beschouwd. De bestaande wegen en paden hoeven voorts volgens de raad niet in het plan geregeld te worden omdat deze geen openbare verkeersfunctie hebben. Het verzoek om uitbreiding van het bouwvlak is terecht niet meegenomen in het voorliggende plan omdat het verzoek pas in de zienswijze kenbaar is gemaakt, voor de uitbreiding geen ruimtelijke onderbouwing was ingediend en de planologische haalbaarheid dan ook niet is aangetoond. Het verzoek kan, indien voorzien van een ruimtelijke onderbouwing, worden meegenomen in het kader van fase 2 van het plan, aldus de raad. 2.14.2. De gronden van [appellant sub 8] hebben een oppervlakte van ongeveer 9,1 hectare en bestaan voornamelijk uit bebossing. Op de gronden staan volgens het deskundigenbericht een woonhuis met garage, een houtopslag, een garage/opslag en enkele vervallen kippenschuurtjes. 2.14.3. Uit de stukken blijkt dat de gronden van het landgoed, met uitzondering van de woning, liggen binnen de bestemming "Natuur". Ingevolge artikel 13, lid 13.1.1, van de planregels, zijn deze gronden onder meer bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden van niet beboste gronden en heidevelden. Volgens het deskundigenbericht bestaan de gronden in kwestie, behoudens de bebouwing en de paden, volledig uit bos. 2.14.4. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de bestemming "Natuur" niet in de weg staat aan instandhouding van de gronden. In de plantoelichting staat dat de bestemming "Natuur", voor zover hier van belang, is bedoeld voor gronden waar het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke, de landschappelijke en ecologische waarden van bos, bosgrond en heidevelden voorop staan. Het behoud, herstel en/of ontwikkeling van bos, bosgrond en heide is echter niet in artikel 13, lid 13.1.1, van de planregels opgenomen, maar is opgenomen onder de doeleinden van de bestemming "Bos". Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. 2.14.5. Voor zover [appellant sub 8] betoogt dat de bestaande gebouwtjes op zijn terrein als zodanig in het plan hadden moeten worden bestemd, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat voor de oprichting daarvan bouwvergunningen zijn verleend, waarmee bij het vaststellen van het plan rekening had moeten worden gehouden. 2.14.6. Ingevolge artikel 42, lid 42.2.1 van de planregels mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet. Ingevolge artikel 42, lid 42.2.4 is lid 42.2.1 niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 2.14.7. Ingevolge artikel 42, lid 42.1.1, van de planregels, mag een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het tenietgaan van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan. Ingevolge artikel 42, lid 42.1.3. is het bepaalde in lid 42.1.1 niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 2.14.8. Ingevolge artikel 32, onder a, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied", mag een bouwwerk dat bestaat op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde bouwvergunning ingevolge artikel 40 van de Woningwet of krachtens een voor dat tijdstip gedane melding ingevolge artikel 42 van de Woningwet en die afwijkt van het plan, behoudens onteigening overeenkomstig de wet mits de planafwijking naar aard niet wordt vergroot en overigens geen andere afwijking van het plan ontstaat: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd; 2. uitgebreid worden met ten hoogste 10% van de oppervlakte, die bestond op het moment dat het plan ter visie werd gelegd; 3. na calamiteit geheel worden herbouwd, mits de bouwaanvraag binnen twee jaar na de calamiteit is ingediend. 2.14.9. Ingevolge artikel 32, onder b, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied", mag het gebruik van gronden en/of opstallen dat strijdig is met het plan, worden gehandhaafd; dit geldt echter niet indien het betreft een gebruik dat strijdig met de in het vorige bestemmingsplan aangewezen bestemming was en welk strijdige gebruik een aanvang heeft genomen, nadat dit vorige bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen. 2.14.10. Het plan dat gold voorafgaand aan het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied", is in 1976 in werking getreden, terwijl aannemelijk is gemaakt dat de bouw en het gebruik van de gebouwtjes al rond 1940 is aangevangen, zodat bouw en gebruik onder de werking van het overgangsrecht van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" vielen en daarmee, gelet op de onder 2.14.7 en verder weergegeven planregels, ook onder de werking van het overgangsrecht van het thans voorliggende plan. 2.14.11. Uit de omstandigheid dat bouw en gebruik al langere tijd onder de werking van het overgangsrecht vallen, volgt niet dat aan de gebouwtjes een positieve bestemming moet worden toegekend. In beginsel doen bouw en gebruik in strijd met een geldende bestemming dan wel bouw en gebruik die onder het overgangsrecht vallen geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen ontstaan op een positieve bestemming. Ook het feit dat de gebouwtjes er al jaren staan en dat daaraan, naar [appellant sub 8] betoogt, een bijzondere geschiedenis is verbonden, kan niet tot dergelijke rechten en verwachtingen leiden. Dit betoog slaagt niet. 2.14.12. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij de planvaststelling voorts geen rekening hoeven te houden met de wens van [appellant sub 8] om zijn bouwblok uit te breiden, nu - naar door hem niet is weersproken - ten tijde van de vaststelling van het plan van concrete bouwplannen geen sprake was. Indien [appellant sub 8] beschikt over een concreet plan voor de uitbreiding van zijn bouwblok en de daarin door hem beoogde bebouwing, kan hij zich wenden tot het gemeentebestuur met een verzoek dit planologisch mogelijk te maken. Het beroep dat [appellant sub 8] doet op de mogelijk gemaakte uitbreiding van bouwpercelen in de omgeving - wat daarvan ook zij - behoeft derhalve geen bespreking meer. Het beroep van [appellant sub 9] 2.15. [appellant sub 9] betoogt onder meer dat het plan ten onrechte niet voorziet in uitbreiding van het bouwvlak voor zijn melkgeitenhouderij aan de [locatie 8] te Oirschot en dat aan een deel van zijn perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur en landschap" had moeten worden toegekend in plaats van de bestemming "Natuur", zodat ruimte bestaat om het bouwvlak in de toekomst alsnog uit te breiden. Dat een milieueffectrapportage moet worden uitgevoerd staat volgens [appellant sub 9] niet in de weg aan de mogelijkheid van aanpassing van het plan in de door hem gewenste zin. [appellant sub 9] voert daarnaast aan dat ten onrechte de gebiedsaanduiding "robuuste ecologische verbinding" is toegekend aan het perceel [locatie 8], nu deze zone reeds is gerealiseerd. 2.15.1. De raad stelt dat voor de ontwikkelingen voor de intensieve veehouderijbedrijven een milieueffectrapportage moet worden uitgevoerd. De uitkomsten hiervan en dus ook de ontwikkelingen worden volgens de raad meegenomen in een volgende fase. In afwachting hiervan past de raad het plan niet aan. Daarnaast is volgens de raad van belang dat in de Verordening Ruimte fase 1 van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening Ruimte) vanwege de Q-koorts een bouwstop is opgenomen voor alle schapen- en geitenhouderijen, waardoor tot 1 juni 2012 niet mag worden meegewerkt aan schapen- en geitenhouderijen. De raad stelt zich op het standpunt dat niet van belang is dat de ecologische verbindingszone al is gerealiseerd, nu de opgenomen gebiedsaanduiding niet alleen realisatie van de verbindingszone mogelijk maakt, maar ook de instandhouding daarvan. 2.15.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.3.7., aanhef en onder a, van de Verordening Ruimte geldt tot 1 juni 2012 de regel dat uitbreiding, hervestiging en omschakeling naar een intensieve geiten- of schapenhouderij niet zijn toegestaan. 2.15.3. Het standpunt van [appellant sub 9] dat de noodzaak om een milieueffectrapportage uit te voeren niet in de weg staat aan vaststelling van een bestemmingsplan dat reeds in deze ontwikkeling voorziet voordat de milieueffectrapportage is afgerond, kan niet worden gevolgd. Voorts heeft de raad terecht belang toegekend aan de uit de Verordening Ruimte volgende beperkingen voor uitbreiding van geitenhouderijen. Gelet hierop en gezien de omstandigheid dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog onvoldoende duidelijkheid bestond over het antwoord op de vraag of, en zo ja op welke wijze de door [appellant sub 9] gewenste uitbreiding van het bouwvlak van de geitenhouderij aan de [locatie 8] mogelijk kan worden gemaakt, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om deze vooralsnog niet toe te staan. 2.15.4. Wat betreft de bestemming "Natuur" heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat de gronden aan de [locatie 8] met deze bestemming in gebruik zijn voor agrarische bedrijvigheid en dat het plan op dit punt moet worden aangepast. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden van na het bestreden besluit aanleiding hebben gegeven voor dit standpunt, bestaat aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig tot stand is gekomen. 2.15.5. Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - natuur en landschap" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "robuuste ecologische verbinding" bestemd voor de realisatie van een robuust duurzaam ecologisch netwerk. Artikel 5, lid 5.8.11, van de planregels voorziet voorts, onder bepaalde voorwaarden, in de mogelijkheid voor het college van burgemeester en wethouders om de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur en landschap" ter plaatse van de aanduiding "robuuste ecologische verbinding" te wijzigen in de bestemming "Natuur". 2.15.6. Een redelijke uitleg van artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder d, van de planregels brengt naar het oordeel van de Afdeling met zich dat deze bepaling niet alleen de realisatie, maar ook de instandhouding van een robuuste ecologische verbindingszone mogelijk maakt. De enkele omstandigheid dat een ecologische verbindingszone is aangelegd, maakt dus niet dat geen aanleiding meer bestaat om de gebiedsaanduiding "robuuste ecologische verbindingszone" niet in het plan op te nemen. Voorts beperkt de aanduiding "robuuste ecologische verbinding" de toegelaten bedrijvigheid ter plaatse van gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur en landschap" niet. Gelet op het vorenstaande geeft hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ervan had moeten afzien om de gebiedsaanduiding op te nemen voor zijn gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur en landschap". 2.16. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op het overwogene onder 2.15.4, aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Natuur" dat betrekking heeft op gronden aan de [locatie 8]. Het beroep van [appellant sub 10] 2.17. [appellant sub 10] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een bouwvlak van 1,5 hectare op zijn perceel [locatie 35]. Volgens hem is dit in strijd met een besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 7 september 2004, en een brief van het college van burgemeester en wethouders van Oirschot van 29 september 2004. Verder zullen volgens hem de mestopslag en de kuilplaten buiten het thans toegekende bouwvlak van 0,35 hectare vallen. 2.17.1. De raad heeft een bouwvlak van 1,5 hectare niet toegekend, omdat het college van gedeputeerde staten goedkeuring heeft onthouden aan het hiervoor geldende plan "Buitengebied, Correctieve herziening 2003", voor zover daarin een bouwvlak van 1,5 hectare voor dit perceel was opgenomen, behoudens de delen waarop bestaande en vergunde bebouwing aanwezig was. Bij het goedkeuringsbesluit is het bouwvlak teruggebracht tot 1,2 hectare. [appellant sub 10] heeft tegen dit goedkeuringsbesluit geen beroep ingesteld. Verder heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat enkel kan worden overgegaan tot het toekennen van een groter bouwvlak indien een concreet uitbreidingsplan wordt ingediend, hetgeen in dit geval niet is gebeurd. Een dergelijk verzoek kan alsnog worden meegenomen bij het vaststelling van de zogeheten fase 2 van het bestemmingsplan, aldus de raad. 2.17.2. De Afdeling stelt vast dat onder het hiervoor geldende plan een bouwvlak van 1,2 hectare was toegekend aan het perceel, en dat de bedrijfsgebouwen hier alle binnen vielen. De raad heeft ter zitting erkend dat een bouwvlak van in ieder geval 1,2 hectare groot had moeten worden opgenomen, aangezien het zijn bedoeling was dat de bestaande bouwwerken binnen de grenzen van het bouwvlak staan. Nu de raad zich op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is genomen met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond. Voor zover [appellant sub 10] heeft betoogd dat een bouwvlak van 1,5 hectare had moeten worden, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een bouwvlak van deze omvang niet had hoeven worden toegekend zolang geen concreet uitbreidingsplan aanwezig was. Het beroep slaagt in zoverre niet. 2.18. [appellant sub 10] kan zich niet verenigen met de bestemming "Waarde - Natte natuurparel" die aan zijn percelen aan de Meierijse Baan en Vinkendonken is gegeven. Hierdoor is het volgens hem niet mogelijk om zonder vergunning enige activiteit uit te voeren die invloed heeft op de waterhuishouding. Verder keert hij zich tegen de bestemming "Natuur" die aan zijn agrarische percelen aan de Meierijse Baan, Vinkendonken en Oude Grintweg is gegeven. Deze bestemming leidt tot beperkingen in zijn bedrijfsvoering. 2.18.1. Aan de in geding zijnde percelen aan de Meierijse Baan, de Vinkendonken en de Oude Grintweg is in het plan de bestemming "Natuur (N)" toegekend. Tevens zijn aan de percelen aan de Meierijse Baan en de Vinkendonken de dubbelbestemming "Waarde - Natte natuurparel (WR-NN)" toegekend. Ingevolge artikel 28, lid 28.1.1, van de planregels zijn de gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Natte natuurparel", behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor onder meer het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situatie binnen de natte natuurparels met bijbehorende beschermingszones. Ingevolge lid 28.4.1 is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders de in het artikellid omschreven werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren. 2.18.2. De raad heeft blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting zich op het standpunt gesteld dat de bestemming "Natuur" niet behoeft te worden toegekend aan de gronden die agrarisch worden gebruikt. Aangezien [appellant sub 10] de percelen aan de Meierijse Baan, de Vinkendonken en de Oude Grintweg agrarisch gebruikt, had aan deze percelen bij nader inzien de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" moeten worden toegekend, zo stelt de raad. Verder heeft de raad ter zitting verklaard dat de dubbelbestemming "Waarde - Natte natuurparel" op de percelen aan de Meijerijse Baan en Vinkendonken, gezien de regels die daarvoor in het plan zijn gesteld, een te grote beperking oplevert voor het bestaande agrarische gebruik van de gronden. Volgens de raad mogen deze regels niet in de weg staan aan de voortzetting van het normale agrarische gebruik. De raad stelt zich bij nader inzien dan ook op het standpunt dat de regels voor deze dubbelbestemming moeten worden gewijzigd. Nu de raad zich op bovengenoemde punten op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat deze onderdelen betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. 2.19. [appellant sub 10] kan zich niet verenigen met de aanduiding "archeologische waarden" die is toegekend aan zijn percelen aan de Oude Grintweg. Hij betoogt dat zijn percelen moeten worden vrijgesteld van deze aanduiding ten aanzien van werkzaamheden ondieper dan 60 cm. 2.19.1. In artikel 34, lid 34.2.1, van de planregels is bepaald dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'Archeologische waarden', behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd zijn voor de bescherming van hoge/middelhoge archeologische verwachtingswaarden. Ingevolge artikel 34, lid 34.2.2, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: het afgraven, vergraven, ontgronden, ophogen of egaliseren, diepploegen, woelen en mengen van gronden, zodanig dat er een verschil in hoogte, c.q. diepte ten opzichte van het bestaande maaiveld ontstaat van meer dan 0,30 m. 2.19.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de gebieden binnen het plangebied waar een hoge indicatieve verwachtingswaarde geldt, wenst te beschermen. Hij heeft bij het bepalen van de gronden waar deze verwachtingswaarde geldt, in afwachting van de vaststelling van een gemeentelijke archeologische waardenkaart, aansluiting gezocht bij de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant, van maart 2005. Hieruit blijkt dat het grootste deel van het buitengebied van Oirschot, waaronder de door [appellant sub 10] bedoelde gronden, een hoge archeologische verwachtingswaarde heeft. Volgens de raad dienen deze waarden in het plan te worden beschermd en is daarom de aanduiding "archeologische waarden" toegekend. In hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter belang heeft kunnen toekennen aan de bescherming van de archeologische waarden dan aan de belangen van [appellant sub 10]. Het beroep is in zoverre ongegrond. Met betrekking tot de diepte tot waarop de bodem niet mag worden aangetast zonder aanlegvergunning, heeft de raad ter zitting aangegeven dat de diepte van 0,30 m kan worden uitgebreid naar een diepte van 0,50 m. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft artikel 34, lid 34.2.2, van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 11] 2.20. [appellant sub 11] kan zich niet verenigen met de uitbreiding van het bouwvlak op het zuidelijke deel van een tweetal percelen aan de [locatie 9], waarop een boomkwekerij is gevestigd. Bovengenoemd deel van de percelen ligt ten noorden van zijn woning op het perceel [locatie 9]. Hij betoogt dat een uitbreiding zal leiden tot een aantasting van het landschap en de aanwezige flora- en fauna. Voorts zullen het uitzicht vanuit zijn woning en de lichtinval verminderen. Verder vreest hij overlast van afstromend hemel- en sproeiwater en parkeeroverlast en geluidoverlast vanwege vrachtwagens die het bedrijf aandoen. Tot slot vreest hij schadelijke gevolgen van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen en sproeiwater. 2.20.1. Aan het perceel ten noorden van het perceel van [appellant sub 3] is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" gegeven. Ingevolge artikel 4.1.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met uitzondering van intensieve veehouderij en glastuinbouw. Ingevolge artikel 4.2.1, aanhef en onder a, mogen, voor zover hier van belang, de gebouwen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, onder h, bedraagt de maximale bouwhoogte en maximale goothoogte van bedrijfsgebouwen en bedrijfsgebouwen in de vorm van kassen 10 respectievelijk 6 m. Voorts mag de minimale afstand van bedrijfsgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens niet meer dan 5 m bedragen en de minimale afstand van bedrijfsgebouwen in de vorm van kassen niet meer dan 50 m. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.4, dient minimaal 10% van het bouwvlak te worden ingericht ten behoeve van landschappelijke inpassing. Ingevolge artikel 35, aanhef en onder b, kan het college van burgemeester en wethouders, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, ontheffing verlenen van de bestemmingsplanbepalingen voor het bouwen binnen 5 m van of in de zijdelingse perceelsgrens, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet worden aangetast. In het hiervoor geldende bestemmingsplan "Buitengebied, correctieve herziening 2003" was voor het betreffende perceel een bouwvlak vastgelegd dat ongeveer een vierde van het perceel besloeg. Dit bouwvlak lag op een afstand van ongeveer 30 m van de perceelsgrens met [appellant sub 3]. De bouw- en goothoogte en de afstand tot de perceelsgrens waren gelijk aan de regels met betrekking tot de maatvoering en de minimale afstand die in het ter beoordeling staande plan zijn opgenomen. In het ter beoordeling staande plan zijn de grenzen van het bouwvlak gelijk aan de grenzen van het perceel. 2.20.2. Blijkens het deskundigenbericht zijn op het perceel van de kwekerij een containerveld, een loods en een waterbassin aanwezig. Verder blijkt uit het deskundigenbericht dat de omgeving van het perceel grotendeels agrarisch wordt gebruikt, waaronder voor kassen. Voorts staan in het gebied enkele verspreid liggende woningen. De Afdeling ziet gelet hierop geen grond voor het oordeel dat door de in het plan voorziene uitbreiding van het bouwvlak de landschappelijke waarden zo ernstig worden aangetast dat deze uitbreiding niet mogelijk had kunnen worden gemaakt. Voorts heeft [appellant sub 3] niet aangegeven welke flora en fauna nadelig zullen worden beïnvloed door de wijzigingen in het bouwvlak die het plan mogelijk maakt. Het betoog faalt op dit punt. Ten aanzien van de afwatering van het naastgelegen perceel overweegt de Afdeling dat dit perceel blijkens het deskundigenbericht op afschot is uitgevoerd, waarbij het water afloopt naar diverse putten op het perceel die leiden naar het waterbassin. Het is hierdoor niet aannemelijk dat het water dat op het containerveld valt, zal aflopen naar het perceel van [appellant sub 11]. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet om waterhuishoudkundige redenen niet had kunnen worden vastgesteld. Het betoog faalt op dit punt. Met betrekking tot de door [appellant sub 3] gevreesde geluidhinder vanwege vrachtverkeer van en naar de kwekerij, overweegt de Afdeling dat ter zitting aannemelijk is gemaakt dat het aantal vrachtwagenbewegingen, ongeveer één per dag, niet zal toenemen door een uitbreiding van de productie. Gelet op de agrarische omgeving van het bedrijf heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met deze aantallen verkeersbewegingen de uitbreiding van het bouwvlak niet tot onaanvaardbare geluidhinder zal leiden. Voorts is ter zitting aannemelijk geworden dat het aantal verkeersbewegingen vanwege werknemers van het bedrijf niet zal toenemen en heeft [appellant sub 11] niet gemotiveerd bestreden dat op het perceel voldoende parkeerruimte voor bezoekers en werknemers is. Het betoog faalt op dit punt. 2.20.3. Met betrekking tot verminderde lichtinval en het verlies van uitzicht overweegt de Afdeling dat de woning van [appellant sub 11] op ongeveer 8,5 m van de perceelsgrens ligt. De afstand tussen de woning van [appellant sub 3] en de bebouwing die het plan mogelijk maakt is derhalve 13,5 m. In het deskundigenbericht is vermeld dat met deze tussenliggende afstand en een bebouwing met een hoogte van 10 m de lichtinval op en het uitzicht vanaf het perceel van [appellant sub 11] verminderen. Het bestreden besluit geeft er geen blijk van dat rekening is gehouden met de gevolgen van het uitbreiden van het bouwvlak ten opzichte van het hiervoor geldende plan. Voorts heeft de raad ter zitting erkend dat geen verklaring is gegeven voor het verschil tussen bedrijfsgebouwen en bedrijfsgebouwen zijnde kassen wat betreft de aan te houden afstand tot de perceelsgrens. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het betoog slaagt. 2.20.4. Wat betreft de verwaaiing van gewasbeschermingsmiddelen naar de woning van [appellant sub 11] heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat door het gebruik van gesloten wandelkappen geen verwaaiing mogelijk is. In het deskundigenbericht is vermeld dat de wandelkappen minimaal de helft van het jaar open staan, zodat zeker is dat in die periode verwaaiing van bestrijdingsmiddelen optreedt. Ter zitting is dit door de raad beaamd. Voorts maakt het plan weliswaar het gebruik van deze wandelkappen mogelijk, maar niet is uitgesloten dat deze kappen desondanks niet worden gebruikt. Vooropgesteld moet worden dat er geen wettelijke voorschriften zijn over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige objecten, zoals woningen. Dit laat onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen een teeltbedrijf en woningen zodanig gekozen dient te worden dat ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ter zitting heeft de raad beaamd dat, ondanks dat de teeltactiviteiten op korte afstand van de woning van [appellant sub 3] worden uitgevoerd, geen rekening is gehouden met het gebruik van deze middelen op de naaste omgeving. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid is genomen. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. Het beroep van [appellant sub 1] 2.21. [appellant sub 1] heeft zijn beroepsgrond met betrekking tot de ontwikkeling van woningbouw op de percelen Pandgat, ongenummerd, kadastraal bekend gemeente Oirschot, sectie L, nummer 1252, respectievelijk sectie L, nummers 52 en 1251 ingetrokken. 2.21.1. [appellant sub 1], exploitant van een boomkwekerij op een tweetal percelen aan de [locatie 9], kan zich niet vinden in de planregels ten aanzien van de teeltondersteunende voorzieningen. Deze zijn volgens hem onvoldoende duidelijk, waardoor onzeker is welke voorzieningen ten behoeve van de teelt op zijn percelen zijn toegestaan. Het betreft met name de vraag of ter plaatse zogenoemde wandelkappen zijn toegestaan. 2.21.2. In het plan is aan de gronden in kwestie de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn deze gronden onder meer bestemd voor: a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf met uitzondering van intensieve veehouderij en glastuinbouw; c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' moet een glastuinbouwbedrijf worden uitgeoefend; met de bij a tot en met f behorende: p. agrarische bedrijfsgebouwen; t. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 2.21.3. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting bestaan de in het bedrijf van [appellant sub 1] gebruikte wandelkappen uit plastic tunnels voor de tijdelijke bescherming van buitenteelt. De wandelkappen staan op containervelden, op een stenen ondergrond. Het frame is permanent aanwezig. Van november tot uiterlijk half april wordt het frame gedicht door middel van het overspannen van het dak met plastic en het neerlaten van de zijwanden. 2.21.4. In artikel 1, lid 128, zijn teeltondersteunende voorzieningen omschreven als voorzieningen in, op of boven de grond, die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten worden gebruikt om de volgende doelen na te streven: • verbetering van de productie, onder meer door teeltvervroeging en verlating, terugdringing van onkruidgroei en beperking van vraatschade; • verbetering van de arbeidsomstandigheden, onder meer door gewassen verhoogd te telen; • bereiken van positieve effecten op milieu en water (bodembescherming, terugdringen onkruidbestrijding, effectief omgaan met water). Voorbeelden van teeltondersteunende voorzieningen zijn: aardbeientafels, afdekfolies, antiworteldoek, boomteelthekken, hagelnetten, insectengaas, plastic tunnels, ondersteunende kas, schaduwhallen en vraatnetten. Onder teeltondersteunende voorzieningen vallen: a. teeltondersteunende kas: een teeltondersteunende voorziening bestaande uit een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden. Schuurkassen en permanente tunnel- of boogkassen (>1,5
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.