201204927/1/V3. Datum uitspraak: 20 september 2012 Raad van State AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: (de vreemdeling), appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 3 mei 2012 in zaak nr. 12/12989 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. Procesverloop Bij besluit van 18 april 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 3 mei 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is opgelegd. De vreemdeling heeft zich weliswaar zelf gemeld bij het politiebureau in Goes om asiel aan te vragen en is in het bezit van documenten, maar op het moment van inbewaringstelling waren deze nog niet echt bevonden. Dat het onderzoek naar de echtheid van de documenten twee dagen in beslag heeft genomen is niet onredelijk lang. De bewaring van de vreemdeling heeft dus een aantal dagen onrechtmatig voortgeduurd, maar niet eerder dan vanaf 20 april 2012, aldus de rechtbank. In de eerste en derde grief, in onderlinge samenhang gelezen, klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat aan de maatregel ten grondslag is gelegd dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan. De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze gronden ten onrechte niet, althans niet gemotiveerd, getoetst en ten onrechte zelf een grond toegevoegd. Het onderzoek naar de echtheid van de overgelegde documenten kan niet als grondslag voor de bewaring dienen, aldus de vreemdeling. 1.1. Aan de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat er een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, omdat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan. In de toelichting op deze maatregel heeft de minister, samengevat weergegeven, vermeld dat de vreemdeling te kennen heeft gegeven dakloos te zijn en niet te beschikken over geld. De vreemdeling wil asiel aanvragen terwijl hij al sinds 2009 in Europa verblijft. Hij wil niet terugkeren naar Spanje, alwaar hij een verblijfsvergunning heeft. Volgens de minister kan derhalve worden gesteld dat de vreemdeling niet in staat is om op eigen gelegenheid en middelen terug te keren naar Ghana. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt niet dat de minister de voormelde bewaringsgronden ter zitting van de rechtbank nog nader heeft toegelicht. 1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 juli 2012 in zaak nr. 201205969/1/V3; www.raadvanstate.nl), dient bij de beoordeling van de bewaringsgronden te worden uitgegaan van de omstandigheden die in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld, maar doet dit er niet aan af dat de minister, ter zitting van de rechtbank dan wel anderszins, kan toelichten waarom de in de maatregel vermelde gronden hem aanleiding hebben gegeven de vreemdeling in bewaring te stellen. Deze toelichting dient vervolgens te worden betrokken bij de beoordeling of, voor zover thans van belang, er een risico bestaat dat de betrokken vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 juni 2012 in zaak nr. 201204991/1/V3; www.raadvanstate.nl), mag een door de minister bij de rechtbank gegeven toelichting geen nieuwe bewaringsgronden behelzen die niet in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld en moet een zodanige toelichting bovendien zijn te relateren aan de in de maatregel vermelde gronden. 1.3. Gelet op de voormelde uitspraak van 2 juli 2012, had de rechtbank, naar aanleiding van hetgeen in beroep door de vreemdeling naar voren was gebracht en aan de hand van de door de minister op de bewaringsgronden gegeven toelichting, dienen te beoordelen of uit de bewaringsgronden volgt dat een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank dit niet heeft gedaan. De rechtbank heeft haar oordeel dat de maatregel van bewaring rechtmatig is opgelegd gemotiveerd door te verwijzen naar de omstandigheid dat de door de vreemdeling overgelegde documenten op het moment van de inbewaringstelling nog niet echt waren bevonden. Voor zover zij daarmee heeft beoogd deze omstandigheid aan te merken als grond voor de inbewaringstelling, heeft zij niet onderkend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2002 in zaak nr. 200106166/1 (www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.