201111865/1/V3. Datum uitspraak: 4 oktober 2012 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister voor Immigratie en Asiel, thans de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 13 oktober 2011 in zaak nr. 11/31740 in het geding tussen: (de vreemdeling) en de minister. Procesverloop Bij besluit van 18 augustus 2011 heeft de minister de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit). Bij besluit van 29 september 2011 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 13 oktober 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het terugkeerbesluit herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger. 2. Volgens artikel 3, aanhef en onder 4, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) wordt voor de toepassing van deze richtlijn onder een 'terugkeerbesluit' verstaan: de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld. Volgens artikel 6, eerste lid, voor zover thans van belang, vaardigen de lidstaten een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied verblijft. Volgens artikel 7, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt in een terugkeerbesluit een passende termijn voor vrijwillig vertrek van zeven tot dertig dagen vastgesteld, onverminderd de in de leden 2 en 4 bedoelde uitzonderingen. Volgens het tweede lid, voor zover thans van belang, verlengen de lidstaten zo nodig de termijn voor het vrijwillig vertrek met een passende periode, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het individuele geval. Volgens het vierde lid kunnen de lidstaten afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek, of een termijn toekennen die korter is dan zeven dagen indien er een risico op onderduiken bestaat, of een aanvraag voor een verblijfsvergunning als kennelijk ongegrond dan wel frauduleus is afgewezen, dan wel indien de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Volgens artikel 12, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt het terugkeerbesluit schriftelijk uitgevaardigd. 3. De vreemdeling is op 27 september 2010 in het bezit van een visum voor kort verblijf, met een geldigheidsduur van 26 september 2010 tot 10 november 2010, Nederland binnengekomen. Hij heeft na afloop van deze termijn (hierna: de vrije termijn) Nederland niet verlaten. 4. In grief 1 klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling vanaf 10 november 2010 geen rechtmatig verblijf had, zodat de minister eerst vanaf die datum een vertrektermijn had dienen te geven. Hiertoe voert de minister aan dat de vrije termijn een vertrektermijn is en dat de verplichting tot terugkeer van de vreemdeling na het verstrijken van de vrije termijn is ontstaan. 4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 augustus 2012 in zaak nr. 201207627/1/V3, www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.