201206076/1/V4 en 201206829/1/V
- Datum uitspraak: 17 oktober 2012 Raad van State AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: (de vreemdeling), appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 12 juni 2012 in zaak nr. 12/17159 en zaak nr. 12/17291 in de gedingen tussen: de vreemdeling en de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. Procesverloop Bij besluit van 16 mei 2012 heeft de minister de vreemdeling opgedragen de Europese Unie te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en heeft hij tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Bij besluit van dezelfde datum is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Deze besluiten zijn aangehecht. Bij uitspraak van 12 juni 2012 heeft de rechtbank de door de vreemdeling tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht. De minister heeft een verweerschrift ingezonden. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen
- Hetgeen als grieven 1 tot en met 5 met betrekking tot het terugkeerbesluit en het inreisverbod is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
- In grief 6 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister, in strijd met artikel 11, tweede lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; de Terugkeerrichtlijn), bij het bepalen van de duur van het inreisverbod heeft nagelaten alle omstandigheden van het geval te betrekken en ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hem een inreisverbod van vijf jaar is opgelegd. 2.
- Uit de dossierstukken, waaronder het proces-verbaal van gehoor van 16 mei 2012 blijkt dat in de bestuurlijke fase aan de vreemdeling kenbaar is gemaakt dat individuele omstandigheden aanleiding kunnen geven tot afzien van het opleggen van een inreisverbod. Blijkens voormeld proces verbaal zijn tijdens dat gehoor specifieke hierop gerichte vragen gesteld, waaronder de vraag of sprake is van gezins- of familieleden in Nederland. De vreemdeling heeft daarop verklaard dat hij in Bilzen in België een vriendin heeft. Voorts heeft hij verklaard dat hij bij zijn vriendin in Bilzen woont en met haar wil gaan trouwen. De minister heeft overwogen dat uit het gehoor van betrokkene niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van de uitvaardiging van een inreisverbod. Nu een inreisverbod blijkens de definitie daarvan in artikel 1, aanhef en onder t, van de Vw 2000 betrekking heeft op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie, heeft de minister ten onrechte nagelaten te motiveren waarom aan de omstandigheid dat de vreemdeling een vriendin in België heeft geen gewicht is toegekend. Dit besluit is daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht genomen. De grief slaagt. Hetgeen de vreemdeling in dit kader verder nog heeft aangevoerd kan buiten bespreking blijven.
- Het hoger beroep in zaak nr. 201206829/1/V4 is kennelijk gegrond voor zover dit betrekking heeft op de ongegrondverklaring van het beroep tegen het inreisverbod. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Het hoger beroep in die zaak is voor het overige kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.
- Hetgeen als grieven 1 tot en met 3 met betrekking tot de vreemdelingenbewaring is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
- Het hoger beroep in zaak nr. 201206076/1/V4 is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.
- Het verzoek om schadevergoeding dient hierom te worden afgewezen.
- De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het inreisverbod in zaak nr. 201206829/1/V4 gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 12 juni 2012 in zaak nr. 12/17291, voor zover hierin het beroep tegen het inreisverbod van 16 mei 2012 ongegrond is verklaard; III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep in zoverre gegrond; IV. vernietigt het inreisverbod van 16 mei 2012; V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; VI. wijst het verzoek om schadevergoeding af; VII. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink voorzitter w.g. Bakker ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2012
- Verzonden: 17 oktober 2012 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, mr. H.H.C. Visser
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.