(17)". Gelet op artikel 12, eerste lid, van de planregels is ter plaatse een hoveniersbedrijf toegelaten. Een aannemersbedrijf, zoals hoofdzakelijk op dit perceel wordt uitgeoefend, is niet toegestaan. 2.17.
- In het bestemmingsplan "Landelijk gebied" was op het perceel van [appellant sub 4] slechts een hoveniersbedrijf toegelaten en geen bouw- en servicemontagebedrijf. [appellant sub 4] was hier ten tijde van de aankoop van zijn perceel van op de hoogte dan wel had hiervan op de hoogte kunnen zijn. Het planologisch mogelijk maken van een bouw- en servicemontagebedrijf is voorts niet in overeenstemming met het beleid van de raad dat erop is gericht de nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied tegen te gaan. Wat betreft de door [appellant sub 4] gemaakte vergelijking met het aannemersbedrijf aan de Werkhovenseweg 26 overweegt de Afdeling dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat dit bedrijf in het bestemmingsplan "Landelijk gebied" reeds als zodanig was bestemd. Gelet op het voorgaande heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om in dit plan slechts een hoveniersbedrijf toe te staan. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond." 6.
- Uit de hierboven vermelde uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2011 en de daaraan ten grondslag liggende stukken volgt dat de thans door [appellant sub 4] aangevoerde beroepsgronden over het soort bedrijf dat is toegestaan op het perceel [locatie sub 4] grotendeels overeenkomen met de toentertijd aangevoerde beroepsgronden. Deze beroepsgronden zijn door de Afdeling beoordeeld en hebben niet geleid tot het slagen van het beroep van [appellant sub 4] tegen het bestemmingsplan. Niet is gebleken dat de feiten en omstandigheden ten tijde van het thans bestreden besluit in relevante mate zijn gewijzigd. De Afdeling ziet gelet op het vorenstaande geen aanleiding thans anders te oordelen over hetgeen [appellant sub 4] op dit punt in zijn beroep heeft aangevoerd. Ten aanzien van het betoog ter zitting van [appellant sub 4] dat de sloopregeling aan het plan is toegevoegd, overweegt de Afdeling dat de inhoudelijke bezwaren van [appellant sub 4] daartegen zoals in 5.4 is overwogen niet slagen. Voorts is gebleken dat de raad het door [appellant sub 4] in zijn zienswijze gedane voorstel heeft aangemerkt als een aanvraag om het bouw- en montageservicebedrijf als zodanig te bestemmen, maar dat de raad deze aanvraag heeft afgewezen, omdat niet bleek te zijn voldaan aan de voorwaarden van de in artikel 6, lid 6.5, van de planregels opgenomen afwijkingsbepaling. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij, naar aanleiding van het genoemde voorstel, het bedrijf niet heeft toegestaan in het plan. Wat betreft de door [appellant sub 4] gemaakte vergelijking met een andere aanvraag waaraan de raad wel gevolg heeft gegeven overweegt de Afdeling dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, nu deze aanvraag betrekking had op de vormwijziging van een agrarisch bouwperceel. Wat betreft de gemaakte vergelijking met de uitbreidingsmogelijkheden die het plan biedt voor andere bedrijven is de Afdeling gebleken dat de situatie bij deze bedrijven verschilt van de situatie bij het bedrijf van [appellant sub 4]. Dit betoog faalt eveneens. Verwijzing zienswijze
- Verder heeft [appellant sub 4] zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 4] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Conclusie
- In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, voor zover het betreft de letter "g" in artikel 6, lid 6.5, sub e, van de planregels. Het beroep is in zoverre gegrond. Voormelde letter dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De Afdeling bepaalt daartoe dat aan artikel 6, lid 6.5, sub e, van de planregels, na het woord "onder" de letter "d" wordt toegevoegd en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd. Hierbij betrekt de Afdeling dat uit de onderlinge samenhang tussen sub d en e van artikel 6, lid 6.5, van de planregels, volgt dat is beoogd in sub e te verwijzen naar sub d. De Afdeling acht het voorts uitgesloten dat de belangen van derden hierdoor worden geschaad. 8.
- In hetgeen [appellant sub 4] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellant sub 5] Sloopregeling
- Ook [appellant sub 5] richt zich tegen de in sub d en e van artikel 6, lid 6.5, van de planregels, opgenomen sloopregeling. Zij wijst er in de eerste plaats op dat in sub e van dit artikel wordt verwezen naar het niet bestaande sub g. [appellant sub 5] voert voorts aan dat het plan financieel niet uitvoerbaar is, omdat de sloopregeling zal leiden tot planschadeclaims. Zij betoogt dat de sloopregeling onevenredig bezwarend is voor haar, nu bij toepassing daarvan bedrijfsbebouwing zal moeten worden gesloopt die na de bestemmingswijziging van haar perceel is gebouwd. Tot slot voert zij aan dat de sloopregeling ten onrechte geen grondslag vindt in de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Utrecht (hierna: de PRV). 9.
- Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 5] dat in artikel 6, lid 6.5, sub e, van de planregels, wordt verwezen naar sub g en haar bezwaar dat het plan financieel niet uitvoerbaar is ten gevolge van de sloopregeling, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij hieromtrent in 5.2 respectievelijk 5.4 heeft overwogen. Voorts overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat [appellant sub 5] vreest dat zij bij toepassing van de in 5.1 weergegeven sloopregeling bepaalde relatief recent en bij het tuincentrum behorende bebouwing - in het bijzonder een plantenkas van 1245 m² - dient te slopen. Niet in geschil is dat deze plantenkas geen deel uitmaakt van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing op het perceel waar [appellant sub 5] is gevestigd. Deze behoort dan ook niet tot de 50% van de aanwezige gezamenlijke oppervlakte aan voormalige bedrijfsbebouwing die bij een eventuele wijziging van het soort bedrijf op het perceel alsnog zou moeten worden gesloopt. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bestreden sloopregeling onevenredig bezwarend zou zijn voor het bedrijf. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 5] dat de sloopregeling geen grondslag vindt in de PRV, overweegt de Afdeling dat, wat hiervan ook zij, de verplichting hiertoe niet bestaat op grond van de PRV of enige andere wettelijke bepaling. Bestemming [appellant sub 5]
- [appellant sub 5] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een uitbreidingsruimte van 10% ter plaatse van haar perceel [locatie sub 5] te Werkhoven. Daartoe voert zij aan dat uitbreiding nodig is voor een doelmatige voortzetting van de bedrijfsactiviteiten op dit perceel. In dit verband wijst [appellant sub 5] erop dat materialen en machines, van het hoveniersbedrijf dat zij tevens op dit perceel exploiteert, nu in de buitenlucht moeten worden gestald. Voorts voert [appellant sub 5] aan dat het nog niet vergund zijn van een deel van de bebouwing op het perceel te wijten is aan de gemeente Bunnik en dat het voorgaande planologische regime onvoldoende mogelijkheden bood. Zij stelt dat de raad in ieder geval in het plan in een uitbreidingsruimte van 10% van de wel vergunde bebouwing had moeten voorzien. [appellant sub 5] betoogt voorts dat het tuincentrum ten onrechte niet in de bij het plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten is opgenomen. Dit is volgens haar in strijd met de rechtszekerheid, nu hierdoor bij en ten tijde van een eventuele toepassing van artikel 31, onder b, van de planregels, dient te worden bepaald tot welke categorie van bedrijven het tuincentrum behoort. 10.
- De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat in verband met de ontstaansgeschiedenis van het tuincentrum geen aanleiding bestaat om in een uitbreidingsruimte van 10% te voorzien. 10.
- Aan het perceel [locatie sub 5] zijn de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 3" toegekend. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 3" bestemd voor een tuincentrum met een bestaande en maximale oppervlakte aan gebouwen van 3800 m². Ingevolge artikel 31, aanhef en onder b, kan het bevoegd gezag door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in deze regels of de aanwijzingen op de verbeelding voor het toestaan van een bedrijf dat niet is genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, of daarin is genoemd in een hogere categorie, maar dat naar zijn aard en invloed op de omgeving kan worden geacht te behoren tot een groep van rechtstreeks toegelaten gelijkwaardige bedrijven. 10.
- In de plantoelichting is vermeld dat het beleid van de raad erop is gericht om bestaande bedrijven in beginsel een uitbreidingsmogelijkheid van 10% ten opzichte van de huidige situatie te geven. Bij het voorzien in uitbreidingsmogelijkheden wordt rekening gehouden met de ontsluiting en de ontstaansgeschiedenis van bedrijven. In de zienswijzennota staat voorts dat uitsluitend is voorzien in uitbreidingsmogelijkheid voor bedrijven die hun bedrijfsbebouwing met een vergunning hebben opgericht. 10.
- Niet in geschil is dat een deel van de bedrijfsbebouwing op het perceel [locatie sub 5], een plantenkas van 1245 m², in het verleden zonder bouwvergunning is opgericht. Gebleken is dat de raad het tuincentrum in zijn bestaande omvang als zodanig heeft bestemd in het plan, teneinde alsnog voor deze bedrijfsbebouwing een omgevingsvergunning te kunnen verlenen. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het thans nog niet vergund zijn van de bedrijfsbebouwing te wijten is aan het handelen van gemeentewege. Voorts volgt uit de plantoelichting en de zienswijzennota dat het beleid erop is gericht om aan bedrijven een uitbreidingsruimte van 10% toe te kennen, mits de bebouwing van deze bedrijven met een omgevingsvergunning is opgericht. Nu hiervan voor een deel van de bebouwing in het voorliggende geval geen sprake is, heeft de raad in redelijkheid ertoe kunnen besluiten om niet in een uitbreidingsruimte van 10% te voorzien. Daarbij heeft de raad in aanmerking kunnen nemen dat met het plan is beoogd om voor 1245 m² aan bedrijfsbebouwing alsnog een omgevingsvergunning te verlenen. In het betoog van [appellant sub 5] dat de uitbreidingsruimte nodig is voor een doelmatige voortzetting van haar bedrijfsactiviteiten ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad om deze reden niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. In dit verband acht de Afdeling van belang dat het hoveniersbedrijf waarvoor uitbreiding nodig is volgens [appellant sub 5] niet was toegestaan op het desbetreffende perceel op grond van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2009 en evenmin op grond van het voorliggende plan. Voorts is de Afdeling van oordeel dat de enkele omstandigheid dat het tuincentrum niet is opgenomen in de bij het plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, waardoor bij en ten tijde van een eventuele toepassing van artikel 31, onder b, van de planregels, dient te worden bepaald tot welke categorie van bedrijven het tuincentrum behoort, niet met zich brengt dat het plan in zoverre in strijd met rechtszekerheid is vastgesteld. Hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat dit problemen kan opleveren waaraan de raad overwegende betekenis had dienen toe te kennen. Het betoog faalt. Verwijzing zienswijze
- Verder heeft [appellant sub 5] zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 5] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Conclusie
- In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, voor zover het betreft de letter "g" in artikel 6, lid 6.5, sub e, van de planregels. Het beroep is in zoverre gegrond. Zoals in 8 is overwogen, dient voormelde letter wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd en ziet de Afdeling aanleiding om op dit punt zelf in de zaak te voorzien. 12.
- In hetgeen [appellant sub 5] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige ongegrond. Proceskosten
- De raad dient ten aanzien van [appellant sub 4] en [appellant sub 5] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 5] gedeeltelijk gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bunnik van 24 november 2011, nummer 11-094, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Bunnik 2011" voor zover het betreft de letter "g" in artikel 6, lid 6.5, sub e, van de planregels; III. bepaalt dat aan artikel 6, lid 6.5, sub e, van de planregels, na het woord "onder" de letter "d" wordt toegevoegd; IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit; V. verklaart de beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 5] voor het overige ongegrond; VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], waarvan de maten zijn [maat 1] en [maat 2], en [maat 2] en [maat 3], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] geheel ongegrond; VII. veroordeelt de raad van de gemeente Bunnik tot vergoeding van de bij [appellant sub 4] en [appellant sub 5] in verband met de behandeling van hun beroep opgekomen proceskosten elk tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. gelast dat de raad van de gemeente Bunnik aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van: - € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 4]; - € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [appellant sub 5] Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat. w.g. Van Sloten w.g. Broekman lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2012 12-694.