201206073/1/V3. Datum uitspraak: 19 oktober 2012 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 13 juni 2012 in zaak nr. 12/17417 in het geding tussen: (de vreemdeling) en de minister. Procesverloop Bij besluit van 24 mei 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 13 juni 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. F.S. Schoot, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en de vreemdeling, bijgestaan door mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg, zijn verschenen. Overwegingen 1. In de eerste grief klaagt de minister, voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 5.1b, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) niet aan de bewaringsmaatregel ten grondslag kon worden gelegd. De minister voert hiertoe aan dat in artikel 4.21 van het Vb 2000 documenten zijn aangewezen waarover een vreemdeling dient te beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Nu niet in geschil is dat de vreemdeling niet beschikt over een dergelijk document, meent de minister dat terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd dat de vreemdeling zich niet heeft gehouden aan één of meerdere andere voor hem geldende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Vb 2000. Voorts klaagt de minister dat de rechtbank, door te overwegen dat het ontbreken van identiteitsdocumenten – gelet op de feiten en omstandigheden benoemd in artikel 5.1b, eerste lid, aanhef en onder a en g, van het Vb 2000 – niet (ook) onder artikel 5.1b, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, kan worden tegengeworpen, blijk geeft van een onjuiste interpretatie van artikel 5.1b van het Vb 2000. Immers, deze bepaling bevat geen elkaar wederzijds uitsluitende gronden, maar juist complementaire gronden waarbij enige ruimte is voor overlap. Derhalve kon het ontbreken van identiteitsdocumenten aan de vreemdeling worden tegengeworpen op de grondslag van artikel 5.1b, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, aldus de minister. 1.1. Ingevolge artikel 50, eerste lid, laatste volzin, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) worden bij algemene maatregel van bestuur de documenten aangewezen waarover een vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. In artikel 4.21, eerste lid, van het Vb 2000 is voor de verschillende categorieën vreemdelingen aangegeven welke documenten als documenten in de zin van artikel 50, eerste lid, laatste volzin, van de Vw 2000 zijn aangewezen. Ingevolge artikel 5.1a, eerste lid, kan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, in bewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien: a. een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, of b. de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Ingevolge artikel 5.1b, eerste lid, wordt aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, bedoeld in artikel 5.1a, eerste lid, voldaan indien de vreemdeling: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; b. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden; (…); g. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; (…). 1.2. Aan de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling: - zich niet aan één of meerdere voor hem geldende verplichtingen heeft gehouden als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Vb 2000; - eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; - niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; - geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, en - verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld. In de toelichting op de gronden in de maatregel van bewaring is, voor zover thans van belang, opgenomen dat nu de vreemdeling niet beschikt over een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000, hij zijn vertrek en de mogelijkheid om zijn identiteit vast te stellen belemmert. 1.3. Hoewel vaststaat dat artikel 4.21 van het Vb 2000 op zichzelf niet als verplichting is geformuleerd, kan deze bepaling, gelet op de bewoordingen daarvan, niet los worden gezien van artikel 50 van de Vw 2000, waarin die verplichting wel als zodanig is neergelegd. Daartoe zij gewezen op het feit dat artikel 4.21 van het Vb 2000 ter nadere uitwerking van artikel 50, eerste lid, is opgesteld en dat daarin ook een expliciete verwijzing naar laatstgenoemde bepaling is opgenomen. Ook volgt uit de nota van toelichting bij het besluit van 22 december 2011 houdende de wijziging van het Vb 2000 in verband met de implementatie van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Staatsblad 2011, 664, blz. 20 e.v.) dat de wetgever geen verandering heeft beoogd ten opzichte van de situatie voor de inwerkingtreding van de implementatiewetgeving, waarin het ontbreken van documenten als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000 ook aan een bewaringsmaatregel ten grondslag kon worden gelegd. Derhalve betoogt de minister terecht dat het ontbreken van documenten als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000 aldus kan worden begrepen onder het zich niet hebben gehouden aan één of meerdere voor hem geldende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Vb 2000, welke omstandigheid op grond van artikel 5.1b, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 aan een bewaringsmaatregel ten grondslag kan worden gelegd. Dat die omstandigheid in voorkomende gevallen (mede) onder artikel 5.1b, eerste lid, aanhef en onder a of g, van het Vb 2000 aan een bewaringsmaatregel ten grondslag kan worden gelegd, maakt dat niet anders, nu bedoelde gronden, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen elkaar wederzijds uitsluitende gronden betreffen. Gelet op het voorgaande heeft de minister in dit geval artikel 5.1b, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 aan de maatregel ten grondslag kunnen leggen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De grief slaagt. 2. In de tweede grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gronden onvoldoende zijn voor het oordeel dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Hiertoe voert hij aan dat de vreemdeling sinds 1993 onrechtmatig in Nederland verblijft en derhalve niet aan zijn vertrekplicht heeft voldaan. In het kader van de op hem rustende terugkeerverplichting heeft de vreemdeling in 2006 slechts eenmalig contact gezocht met de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: de IOM), hetgeen, met name gelet op de duur van zijn verblijf hier te lande, onvoldoende is. Voorts is de vreemdeling niet in de Gemeentelijke Basisadministratie ingeschreven, noch heeft hij anderszins aannemelijk gemaakt over een vaste woon- of verblijfplaats te beschikken. Ter zitting heeft de minister voorts toegelicht dat de vreemdeling wordt verdacht van het handelen in verdovende middelen, hetgeen volgens hem niet getuigt van het treffen van voorbereidingen in het kader van terugkeer. Gelet hierop, bezien in samenhang met de andere gronden van de maatregel, is voldoende gemotiveerd dat het vermoeden bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, aldus de minister. 2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bij uitspraak van 12 april 2012 in zaak nr. 201200612/1/V3, www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.