201209615/2/V
- Datum uitspraak: 9 november 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van: [verzoekster], gevestigd te [plaats, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Tilburg, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 13 september 2012 in zaak nr. 12/3819 in het geding tussen: [verzoekster] en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Procesverloop Bij besluit van 16 januari 2012 heeft de minister [verzoekster] een boete opgelegd van € 24.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav). Bij besluit van 13 juni 2012 heeft de minister het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 september 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld. Tevens heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [verzoekster] heeft nadere stukken ingediend. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 oktober 2012, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door haar [vennoot A], bijgestaan door mr. R. Bormans, advocaat te Leusden, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.E. van der Kamp, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen. Overwegingen
- Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit tot het opleggen van de boete worden opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist. 1.
- Aan het verzoek heeft [verzoekster] ten grondslag gelegd dat in het geval de boete hangende het hoger beroep wordt ingevorderd, dit zal leiden tot haar faillissement. Zij voert hiertoe aan dat zij de boete niet kan betalen en tevergeefs heeft geprobeerd daartoe financiële middelen te verkrijgen. Zij verwijst in dit verband naar het door haar financieel adviseur opgestelde rapport inzake de jaarrekening van 2012 (1 januari 2012 tot en met 30 september 2012). Tevens voert zij aan dat het executietraject zal worden ingezet indien de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. 1.
- De voorzitter is van oordeel dat het verzoek het voor inwilliging daarvan noodzakelijke spoedeisende belang ontbeert. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het door [verzoekster] overgelegde financieel rapport is samengesteld op basis van door [verzoekster] verstrekte gegevens en daarin is vermeld dat deze gegevens niet kunnen resulteren in zekerheid omtrent de getrouwheid van de bevindingen van het rapport. [verzoekster] heeft niet met voldoende objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat zij indien de rechtsgevolgen van het boetebesluit niet worden opgeschort, in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. Dat [verzoekster] ter zitting heeft aangevoerd dat zij thans geen betalingsregeling kan treffen, vormt geen grond om haar daarin te volgen, nu zij sinds het besluit van 16 januari 2012 daartoe geen poging heeft ondernomen.
- Het verzoek wordt afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat. w.g. Bijloos w.g. Groenendijk voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2012 164-766.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.