201106349/1/R4. Datum uitspraak: 14 november 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Gasunie, gevestigd te Groningen, 2. [appellant sub 2], wonend te Ridderkerk, en de raad van de gemeente Ridderkerk, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 24 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Donckse Velden" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben Gasunie en [appellant sub 2] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Gasunie en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2012, waar [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. E. Dans, advocaat te Rotterdam, en drs. ing. M.R. van Winsen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.L. van Pagee, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord Stichting Het Huys ten Donck, vertegenwoordigd door C. Groeninx van Zoelen. Overwegingen 1. Het plan voorziet in een actualisering van het bestaande bestemmingsplan voor het gebied dat globaal begrensd wordt door de bebouwde kom van Slikkerveer, de bebouwde kom van Bolnes, de Rotterdamseweg en de Nieuwe Maas. Het plan is in hoofdzaak consoliderend van aard en voorziet op beperkte schaal in nieuwe ontwikkelingen. Het beroep van Gasunie 2. Gasunie richt zich in beroep tegen de vaststelling van artikel 18, lid 18.3 van de planregels, voor zover daarin niet is opgenomen dat voorafgaand aan verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen op de gronden binnen de bestemming "Leiding-Gas" schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij de leidingbeheerder. 2.1. De raad heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat hij ermee instemt dat aan artikel 18, lid 18.3 van de planregels de gevraagde zinsnede wordt toegevoegd. Daarbij verzoekt de raad de Afdeling om op dit punt zo mogelijk zelf in de zaak te voorzien. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover in artikel 18, lid 18.3 van de planregels niet is opgenomen dat voorafgaand aan verlening van de omgevingsvergunning schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij de leidingbeheerder, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Conclusie 3. Het beroep van Gasunie is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien. Proceskosten 4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Het beroep van [appellant sub 2] Goede procesorde 5. Ter zitting heeft [appellant sub 2] aangevoerd dat de nummering van milieucategorieën zoals opgenomen in artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels niet correspondeert met de categorie-indeling in de bij deze planregel horende Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging'. Dit betoog is niet opgenomen in het door [appellant sub 2] ingediende beroepschrift. 5.1. Geen rechtsregel verbiedt dat na afloop van de voor het indienen van beroepsgronden gestelde termijn alsnog nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer. Hetgeen [appellant sub 2] ter zitting over artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, en de bijbehorende Staat van Bedrijfsactiviteiten heeft aangevoerd, is van een geheel andere aard dan hetgeen hij heeft aangevoerd in de zienswijze over het ontwerpplan en het beroepschrift. Gelet op de aard van de beroepsgrond en het tijdstip waarop [appellant sub 2] deze beroepsgrond naar voren heeft gebracht heeft de raad niet de mogelijkheid gehad adequaat op dit betoog te reageren. Voorts heeft [appellant sub 2] geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het redelijkerwijs niet mogelijk was deze beroepsgrond in een eerder stadium naar voren te brengen. Daarom verzet de goede procesorde zich ertegen dat deze beroepsgrond bij de beoordeling van het beroep wordt betrokken. Omvang van het geschil 6. [appellant sub 2] heeft beoogd de omvang van het geschil uit te breiden door na afloop van de hem gegeven termijn voor het aanvullen van de gronden op te komen tegen het ontbreken van de aanduiding "detailhandel grootschalig (dhg)" op het terrein rond het hoofdgebouw ter plaatse van het perceel [locatie]. Binnen de beroepstermijn of, als een nadere termijn voor het aanvullen van de gronden is gegeven, uiterlijk binnen die termijn, dient vast te staan waartegen de beroepsgronden zijn gericht. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat de omvang van het geschil na afloop van die termijn wordt uitgebreid. Hetgeen alsnog met betrekking tot het ontbreken van de aanduiding "detailhandel grootschalig (dhg)" op het terrein rond het hoofdgebouw ter plaatse van het perceel [locatie] naar voren is gebracht, moet daarom in deze procedure buiten beschouwing worden gelaten. Beperking grootschalige detailhandel 7. Het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft artikel 4, lid 4.1, onder f, van de planregels. De grootschalige detailhandel die deze bepaling mogelijk maakt op een gedeelte van zijn perceel [locatie], is volgens hem ten onrechte beperkt tot meubelverkoop. 7.1. De raad wijst er in zijn verweerschrift op dat naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 2] in het plan een bedrijfsbestemming aan het perceel is toegekend, terwijl in het ontwerpplan, overeenkomstig de bestaande situatie, aan het perceel een woonbestemming en aan een deel ervan de functieaanduiding "grootschalige detailhandel" waren toegekend. 7.2. Op het perceel [locatie] bevindt zich een voormalige boerderij. Hierop rust de bestemming "Bedrijf". In een gedeelte van de boerderij wordt een meubelzaak geëxploiteerd. Op dit gedeelte rust de aanduiding: "detailhandel grootschalig (dhg)". Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a en f, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor: a. bedrijven behorende tot ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging'; f. ter plaatse van de aanduiding "detailhandel grootschalig": een meubelverkoop. 7.3. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voor het hoofdgebouw aan de [locatie] voorziene aanduiding "detailhandel grootschalig (dhg)", waarbij de toegelaten detailhandel is beperkt tot meubelverkoop, passender is dan een aanduiding die elke soort grootschalige detailhandel toelaat. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ter zitting heeft uiteengezet dat, hoewel hij voor het hoofdgebouw een bedrijfsbestemming en de aanduiding "detailhandel grootschalig (dhg)" ruimtelijk gezien onwenselijk acht en van mening is dat een woonbestemming passender is, hij ervoor heeft gekozen het bestaande gebruik als zodanig te bestemmen. Hierbij betrekt de Afdeling verder dat niet is gebleken dat [appellant sub 2] ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan concrete plannen had om andere grootschalige activiteiten ter plaatse te ontplooien, waarmee de raad rekening had moeten houden. Goothoogte 8. Het beroep van [appellant sub 2] richt zich voorts tegen de regeling in het plan voor de maximale goothoogte voor de boerderij op zijn perceel [locatie]. [appellant sub 2] stelt dat de werkelijke goothoogte, anders dan de raad stelt, niet in overeenstemming is met de maximaal toegelaten goothoogte van 4 m in het plan. Uit in opdracht van hem uitgevoerde metingen door Van Vliet Bedrijfsmakelaars BV, waarvan [appellant sub 2] de resultaten bij brief van 9 maart 2011 aan de gemeenteraad heeft overgelegd, blijkt volgens hem dat de hoogste werkelijke goothoogte van het pand 6,22 meter is. In dit verband stelt [appellant sub 2] dat zijn pand deels, in strijd met de rechtszekerheid, onder het overgangsrecht in artikel 32 van de planregels valt. 8.1. De raad stelt dat terecht een goothoogte van 4 m is opgenomen. Hierbij heeft hij aangesloten bij de maximaal toegestane goothoogte van 4 m in het vorige plan. Daarnaast heeft de raad gewezen op artikel 27 van de planregels waarin is geregeld dat bestaande hoogten als toelaatbaar mogen worden aangehouden. 8.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.2, van de planregels, voor zover hier van belang, mag op de gronden met de bestemming "Bedrijf" worden gebouwd en bedraagt de goothoogte van gebouwen ten hoogste de met de maatvoeringaanduiding aangegeven goothoogte. Blijkens de verbeelding voorziet het plan op het perceel in een goothoogte van maximaal 4 m. Ingevolge artikel 27, lid 27.1, voor zover van belang, mogen, indien hoogten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan meer bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is geregeld, deze maten als maximaal toelaatbaar worden aangehouden. Ingevolge lid 27.3, is in het geval van (her)oprichting van gebouwen het bepaalde in lid 27.1 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats. 8.3. Niet in geschil is dat op het perceel [locatie] een pand is opgericht waarvoor bouwvergunning is verleend conform de destijds geldende wet- en regelgeving. [appellant sub 2] en de raad verschillen van mening over de feitelijke hoogte van het pand. De Afdeling overweegt dat, wat daar ook van zij, en al aangenomen dat de feitelijke goothoogte van het gebouw de op grond van artikel 4, lid 4.2, van de planregels geldende maximale hoogte overschrijdt, uit artikel 27, lid 27.1, van de planregels volgt dat de bestaande feitelijke hoogte als maximaal toelaatbaar mag worden aangehouden, zodat deze in zoverre in de plaats treedt van de hoogte die zou gelden op grond van artikel 4, lid 4.2, van de planregels. Anders dan [appellant sub 2] veronderstelt is het gebouw niet deels onder het overgangsrecht gebracht. Wijzigingsbevoegdheid naar "Recreatie" 9. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de bestemming "Recreatie" en het gebruik van de gronden als volkstuin die mogelijk worden gemaakt na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid die rust op een deel van zijn perceel. [appellant sub 2] voert aan dat het door hem gewenste gebruik van het terrein voor opslag beter in de omgeving past. In de nabije omgeving bevindt zich immers al een caravanstalling en bovendien kan het zicht op de opslaglocatie worden weggenomen door het neerleggen van een groene buffer. Daarnaast brengt het geschikt maken van de grond als volkstuin hoge kosten met zich. De aanwezige zandlaag dient volgens [appellant sub 2] te worden afgegraven en te worden vervangen door goede aarde en dit vereist bovendien kostbaar archeologisch onderzoek, terwijl dit voor het realiseren van een opslagbestemming niet nodig is. Verder betoogt Groenendijk dat de raad de uitvoerbaarheid van de wijzigingsbevoegdheid ten onrechte niet heeft onderzocht. Gelet op voornoemde kosten is de exploitatie van volkstuinen volgens hem niet rendabel, en is de wijzigingsbevoegdheid derhalve op dat punt niet uitvoerbaar. Daarnaast lag, gelet op de aanwezige bodemvervuiling, een onderzoek in de rede. Hierbij verwijst [appellant sub 2] naar een aanvullend saneringsonderzoek van mei 2010 dat in opdracht van de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (hierna: NAM) is opgesteld. 9.1. De raad is van mening dat, gelet op de recreatieve ontwikkeling van het aangrenzende gebied, de beste invulling van het gebied is om het groen in te richten en dit niet verder te belasten met de stalling van caravans. Verder stelt de raad dat de economische uitvoerbaarheid aan de orde komt wanneer een wijzigingsplan wordt opgesteld. 9.2. Op de gronden waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft, heeft winning van aardolie en aardgas plaatsgevonden door de NAM. Hierop rust de bestemming "Bedrijf-Nutsbedrijf". Ingevolge artikel 5, lid 5.3, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming van de gronden voor zover deze zijn aangeduid met de aanduiding "Wro-zone-wijzigingsgebied 1" wijzigen in de bestemming "Recreatie" met de nadere aanduiding "volkstuin". 9.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de mijnbouwactiviteiten, die op het perceel plaatsvonden, reeds zijn gestaakt. De raad mocht op basis van een overeenkomst tussen [appellant sub 2] en de NAM in redelijkheid aannemen dat de gronden na het beëindigen van de mijnbouwactiviteiten in de oude staat worden opgeleverd, zodat geen restverontreiniging meer zal achterblijven. Gezien het vorenstaande ligt het overigens voor de hand dat, anders dan [appellant sub 2] meent, het herstel in oude staat niet door het aanbrengen van een laag zand wordt bewerkstelligd. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat een opslagbestemming niet gewenst is vanwege verrommeling van het gebied niet onredelijk. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat, omdat de bestemming volkstuinen zal leiden tot minder goede exploitatiemogelijkheden dan de door hem gewenste opslagbestemming, de raad niet in redelijkheid tot het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid heeft kunnen besluiten. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat die nadelige invloed zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Overigens gaat het bij het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid om een bevoegdheid en niet om een plicht. De Afdeling merkt nog op dat [appellant sub 2] ook niet verplicht is om mee te werken aan de verwezenlijking van de met de wijzigingsbevoegdheid mogelijk gemaakte bestemming. Bebouwingsmogelijkheden volkstuinen en het beheergebouw 10. [appellant sub 2] richt zich voorts tegen de bestemming "Recreatie" en de functieaanduiding "volkstuin" die rust op (delen van) zijn percelen. Het op de gronden met functieaanduiding "volkstuin" maximaal toegestane gezamenlijk vloeroppervlak van 8 m² per volkstuin voor bergingen is volgens [appellant sub 2] te beperkt, nu tegenwoordig de standaardafmeting van een berging 9, dan wel 12 m² is. Daarnaast stelt [appellant sub 2] dat het toegestane maximale vloeroppervlak van 50 m² voor het oprichten van een beheergebouw te beperkt is. Een vloeroppervlak van 200 m² is volgens hem noodzakelijk. 10.1. Volgens de raad bestaat geen aanleiding om het door [appellant sub 2] gewenste vloeroppervlak voor bergingen in het plan mogelijk te maken. Hoewel de raad, gelet op de ligging daarvan in een cultuurhistorisch waardevolle context en grenzend aan een extensief ingericht recreatiegebied, verdere verdichting van bebouwing op de volkstuinen niet wenselijk acht, is de regeling voor bebouwing per volkstuin naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 2] verruimd, waarmee deze overeenkomt met de regeling voor het volkstuinencomplex in Rijsoord. Daarnaast is extra bebouwing in de vorm van een beheergebouw ten behoeve van de volkstuinen mogelijk gemaakt. Ten aanzien van dit beheergebouw stelt de raad dat de toegestane omvang van maximaal 50 m² voldoende is voor het opslaan van de voor het directe beheer van het volkstuinencomplex benodigde materialen. 10.2. Ingevolge artikel 12, lid 12.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Recreatie" aangewezen gronden bestemd voor volkstuinen ter plaatse van de aanduiding "volkstuin". Ingevolge lid 12.2 en 12.2.1 mag op de gronden met de bestemming "Recreatie" worden gebouwd en gelden onder meer de volgende regels: b. ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin': per volkstuin hobbykassen en bergingen met een gezamenlijke vloeroppervlak van ten hoogste 10% van de oppervlakte van de volkstuin met een maximum van 16 m² zijn toegestaan, met dien verstande dat het gezamenlijk vloeroppervlak van bergingen ten hoogste 8 m2 mag bedragen; d. binnen het bouwvlak is een beheergebouw ten behoeve van de volkstuinen toegestaan, met een maximale vloeroppervlakte van 50 m². 10.3. De gronden van [appellant sub 2] liggen blijkens de verbeelding naast een extensief ingericht recreatiegebied en nabij een landgoed. In paragraaf 3.3 van de plantoelichting staat dat in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland, regio Hoeksche Waard, IJsselmonde en Eiland van Dordrecht (hierna: CHS) van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot de nederzettingenstructuur aan dit landgoed een zeer hoge waarde wordt toegekend. Omdat de relatie van het landgoed met het bijbehorende open achterland als waardevol wordt gezien, is een invloedszone aangegeven. Blijkens de in voornoemde paragraaf bijgevoegde kaartuitsnede van de CHS liggen de gronden van [appellant sub 2] binnen de invloedszone. Nu het uitbreiden van de bebouwingsmogelijkheden per volkstuin tot verdere verdichting leidt ten koste van het behoud van de openheid van het omliggende gebied, heeft de raad in redelijkheid deze ontwikkeling, gezien de cultuurhistorische waarden van het gebied, uit ruimtelijk oogpunt onwenselijk mogen achten. Gelet hierop komt het uitgangspunt van de raad om bebouwing in de vorm van een berging met een maximale oppervlakte van 8 m2 en een beheergebouw met een maximale oppervlakte van 50 m2 toe te staan de Afdeling niet onredelijk voor. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor zijn gronden vanwege bijzondere omstandigheden een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. Hierbij betrekt de Afdeling dat [appellant sub 2] met de enkele stelling dat 9 m² een gangbare maat is voor een berging, de noodzaak voor een grotere berging niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat [appellant sub 2] ten behoeve van activiteiten zoals de jaarlijkse barbecue een keuken, sanitaire voorzieningen, een kantoor en een grote opslagruimte wenst, heeft de raad voorts niet bepalend hoeven achten voor de noodzakelijke omvang. Dubbelbestemming "Archeologische waarden" 11. Het beroep van [appellant sub 2] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de medebestemming "Waarde-Archeologie" wat betreft zijn percelen. De bestemming is volgens hem ten onrechte toegekend. In dit verband voert [appellant sub 2] aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan waaruit blijkt dat er aanleiding is voor het toekennen van deze bestemming. De raad kon volgens hem niet volstaan met een verwijzing naar de CHS. De bestemming brengt volgens hem met name voor het mijnbouwperceel vergaande beperkingen met zich, nu een aanlegvergunning voor deze gronden alleen wordt verleend indien een duur archeologisch onderzoek wordt verricht voor zijn rekening. Voorts brengt hij naar voren dat de gronden ter plaatse van zijn percelen vaak al tot op grote diepte zijn bewerkt door middel van de aanleg van drainage, waardoor er ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig kunnen zijn. Op het mijnbouwperceel hebben mijnbouwwerkzaamheden plaatsgevonden en is de bodem gesaneerd en opgehoogd met zand. 11.1. Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet), houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. Ingevolge artikel 39, eerste lid, kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) verplicht worden gesteld. Ingevolge artikel 39, tweede lid, kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarden van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen in voldoende mate is vastgesteld. 11.2. Ingevolge artikel 21, lid 21.1, van de planregels zijn de voor "Waarde-Archeologie" aangewezen gronden - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.