201200290/1/A2. Datum uitspraak: 21 november 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar, 2. Monumentenstichting Kasteel Oud-Wassenaar (hierna: de Stichting), gevestigd te Wassenaar, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 november 2011 in zaken nrs. 08/1401 en 08/3657 in het geding tussen: de Stichting, en het college. Procesverloop Bij besluit van 17 januari 2008 heeft het college aan de vereniging Vereniging van Eigenaren Park Oud Wassenaar (hierna: VvE Park Oud Wassenaar) een monumentenvergunning verleend voor het wijzigen van de toegangspoorten en het plaatsen van een hekwerk, alsmede voor het hierbij aanleggen van een hellingbaan op monument Buitenplaats Oud Wassenaar te Wassenaar. Bij uitspraak van 30 november 2011, verzonden op dezelfde dag heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door de Stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 januari 2008 vernietigd en het beroep van de Stichting tegen de van rechtswege verleende monumentenvergunning ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben het college en de Stichting hoger beroep ingesteld. Het college en de Stichting hebben een verweerschrift ingediend. Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de VvE Park Oud Wassenaar een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Stichting en de VvE Park Oud Wassenaar hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. I.M. van der Heijden, advocaat te Den Haag, en de Stichting, vertegenwoordigd door mr. D.J. van Schravendijk, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts zijn [voorzitter] van de Stichting Flatpark Oud Wassenaar, bestuurder van de VvE Park Oud Wassenaar, en [belanghebbende A] ter zitting gehoord. Bij tussenuitspraak van 13 juni 2012 heeft de Afdeling het college opgedragen de van rechtswege verleende monumentenvergunning voor het wijzigen van de toegangspoorten en het plaatsen van een hekwerk, alsmede voor het hierbij aanleggen van een hellingbaan op monument Buitenplaats Oud Wassenaar te Wassenaar te herstellen op een wijze als bedoeld in rechtsoverweging 2.5.1 van die uitspraak, het in voorkomend geval te nemen besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en de uitkomst aan de Afdeling mede te delen. Bij besluit van 10 juli 2012 heeft het college de van rechtswege verleende vergunning gewijzigd in die zin dat deze alsnog wordt geweigerd voor wat betreft het aanbrengen van het zwaailicht op de pijlers en aan de vergunning, voor zover deze is verleend, een voorschrift toegevoegd. De Stichting, de VvE Park Oud Wassenaar en [belanghebbende A] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de vernietiging van het besluit van 17 januari 2008 tot gevolg heeft dat de daarin vervatte weigering van de monumentenvergunning voor de zwaailichten op de pijlers van de toegangshekken ongedaan is gemaakt en dat, nu de van rechtswege verleende monumentenvergunning een motivering ontbeert, niet nader is onderbouwd waarom daarvoor in afwijking van het advies van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (hierna: RCAM) van 13 februari 2007 vergunning is verleend. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling voorts overwogen dat, anders dan de rechtbank heeft verondersteld, het kasteel Oud Wassenaar, evenals de als Kasteellaan aangeduide toegangsweg, deel uitmaakt van het monument "Historische Buitenplaats "Oud Wassenaar"" en dat de wijziging van de toegangspoorten en de plaatsing van een hekwerk op de Kasteellaan een wijziging van het monument als geheel inhouden. De Afdeling heeft vervolgens geoordeeld dat gelet op artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 ook de gebruiksmogelijkheden van het kasteel bij de beoordeling van de aanvraag dienden te worden betrokken. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na de tussenuitspraak de hiervoor genoemde motiveringsgebreken te herstellen door aan het besluit van rechtswege een gemotiveerd standpunt toe te voegen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. 2. Het college heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding. 3. Bij uitspraak van 6 maart 2012 in zaak nr. 201200290/2/A2 heeft de Afdeling het hoger beroep van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] niet-onvankelijk verklaard. Nu ten tijde van het besluit van 10 juli 2012 reeds op dit hoger beroep was beslist, heeft de toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb niet tot gevolg dat er een beroep van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] aanhangig is tegen dit besluit. De Afdeling zal de reactie van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] derhalve buiten beschouwing laten. 4. De weigering van de vergunning voor het plaatsen van een zwaailicht op de pijlers van de toegangshekken is niet bestreden. Derhalve zijn alleen nog de vergunning, voor zover deze is verleend, en het aan die vergunning verbonden voorschrift aan de orde. 5. Het aan de vergunning verbonden voorschrift luidt als volgt: "- Aan de toegangshekken in de Noordpoort zal geen handmatig of automatisch te bedienen slot worden aangebracht. - Aan de toegangshekken in de Zuidpoort mag een automatisch te bedienen slot worden aangebracht en in stand gehouden, mits de eigenaar en/of (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.