201202915/1/V6. Datum uitspraak: 28 november 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], vennoot van [de vennootschap], gevestigd te [plaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 februari 2012 in zaak nr. 11/682 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister). Procesverloop Bij besluit van 13 oktober 2010 heeft de minister [appellant] een boete van € 64.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav). Bij besluit van 26 mei 2011 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 februari 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. G. Meijer, advocaat te Veendam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.J.A. Huisman, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen. Overwegingen 1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 265) op 1 juli 2009. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1˚, van de Wav, wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd. Ingevolge artikel 18 wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt. Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit. Ingevolge het tweede lid gelden de ter zake van deze wet gestelde beboetbare feiten ten opzichte van elke persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder a, is de hoogte van de boete die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00. Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld. Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2008 (hierna: de beleidsregels) wordt bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd. Volgens artikel 5 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen. Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 persoon per beboetbaar feit gesteld. Ingevolge artikel 45, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU), is het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap vrij. Ingevolge artikel 49, eerste alinea, van het VWEU, zijn in het kader van de volgende bepalingen beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Ingevolge de tweede alinea, voor zover thans van belang, omvat de vrijheid van vestiging de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en uitoefening daarvan. Ingevolge Bijlage VII "Lijst bedoeld in artikel 23 van de Toetredingsakte: overgangsmaatregelen, Roemenië", onderdeel 1, punt 1, is wat betreft het vrij verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten dat gepaard gaat met tijdelijk verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 96/71/EG tussen, voor zover thans van belang, Roemenië en Nederland (PB 1997 L 18), artikel 45 van het VWEU slechts volledig van toepassing onder voorbehoud van de overgangsregelingen van de punten 2 tot en met 14. Ingevolge punt 2, voor zover thans van belang, zullen de huidige lidstaten, in afwijking van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot het einde van het tweede jaar na de datum van toetreding van Roemenië, nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen toepassen om de toegang van Roemeense onderdanen tot hun arbeidsmarkten te regelen. Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ingevolge voormelde Bijlage VII het recht op het vrij verkeer van werknemers, zoals neergelegd in artikel 45 van het VWEU, tijdelijk te beperken en heeft door voortzetting van de overgangsperiode de vergunningplicht ingevolge de Wav tot 1 januari 2014 gehandhaafd (Kamerstukken II 2011/12, 29 407, nr. 132). 2. Het door inspecteurs van de Arbeidsinspectie (thans: de Inspectie SZW) op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 27 augustus 2010 houdt in dat acht vreemdelingen van Roemeense nationaliteit (hierna: de vreemdelingen) in de periode van 21 april 2009 tot en met 4 mei 2009, althans gedeelten daarvan, in de [onderneming]) te [plaats], gemeente […], arbeid hebben verricht, bestaande uit het inplanten en snoeien van gewassen onderscheidenlijk het wieden van onkruid. Het boeterapport houdt voorts in dat [onderneming] de vreemdelingen heeft ingeleend van de vennootschap en dat voor de door de vreemdelingen in voormelde periode verrichte arbeid aan de vennootschap noch [onderneming] tewerkstellingsvergunningen zijn afgegeven. 3. [appellant] betoogt dat, zakelijk weergegeven, de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van de bij het boeterapport gevoegde verklaringen van de vreemdelingen [vreemdeling A], [vreemdeling B], [vreemdeling C] en [vreemdeling D] (hierna: de gehoorde vreemdelingen) en de verklaring van [vertegenwoordiger], wettelijk vertegenwoordiger van [onderneming]. [appellant] voert daartoe aan dat tussen hem en [vertegenwoordiger] een geschil is ontstaan over de te verrichten betalingen, waarna [vertegenwoordiger] hem ten overstaan van de vreemdelingen heeft afgeschilderd als een profiteur en oplichter. Gelet hierop en omdat de vreemdelingen wilden voorkomen dat zij als gevolg van het door de Arbeidsinspectie ingestelde onderzoek zelf problemen zouden ondervinden, hebben [vertegenwoordiger] en de gehoorde vreemdelingen alle reden gehad om in strijd met de waarheid te verklaren, aldus [appellant]. 3.1. [appellant] heeft niet geconcretiseerd over welke voor de boeteoplegging relevante aspecten [vertegenwoordiger] en de gehoorde vreemdelingen niet de waarheid zouden hebben gesproken. Voorts heeft de gemachtigde van [appellant] ter zitting van de Afdeling niet de juistheid betwist van de bij het boeterapport gevoegde verklaringen die zien op de vraag of de vreemdelingen de onder 2 omschreven arbeid als zelfstandigen hebben verricht. Dat [appellant], naar zijn gemachtigde ter zitting heeft bevestigd, zich distantieert van de negatieve wijze waarop de gehoorde vreemdelingen zich over hem hebben uitgelaten, leidt in het licht van het vorenstaande niet tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van deze verklaringen en die van [vertegenwoordiger]. Het betoog faalt. 4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdelingen de onder 2 omschreven arbeid als zelfstandigen hebben verricht. Hij voert daartoe aan dat de vreemdelingen hebben gefactureerd aan de vennootschap, die op haar beurt heeft gefactureerd aan [onderneming]. De vreemdelingen hebben volgens [appellant] zelf afspraken gemaakt over de prijs en de omstandigheden waaronder zij de arbeid zouden verrichten. Zij hebben de arbeid voorts zonder gezagsverhouding en voor eigen rekening en risico verricht, aldus [appellant]. 4.1. In het arrest van 15 december 2005, C-151/04 en C-152/04, Nadin en Durré, (www.curia.europa.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.