201007329/1/V4. Datum uitspraak: 30 november 2012 Raad van State AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 30 juni 2010 in zaak nrs. 10/7196 en 10/7197 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Justitie. Procesverloop Bij besluit van 23 februari 2010 heeft de staatssecretaris van Justitie (lees: de minister van Justitie) een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 30 juni 2010 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht. De minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers. 2. Hetgeen de vreemdeling als tweede grief heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan. 3. De vreemdeling klaagt in de eerste grief dat de voorzieningenrechter het in paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) neergelegde beleid dat hereniging van gezinsleden en andere afhankelijke familieleden op de voet van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van de Europese Unie van 18 februari 2003 tot vaststelling van criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening) alleen van toepassing is op asielzoekers, ten onrechte niet kennelijk onredelijk heeft geacht. De vreemdeling voert daartoe aan dat de voorzieningenrechter, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat de staatssecretaris met voormeld beleid een te beperkte uitleg geeft aan artikel 15 van de Verordening, omdat dit artikel niet alleen ziet op asielzoekers. 3.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening, voor zover thans van belang, kan elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Verordening kan iedere lidstaat, ook wanneer hij met toepassing van de in de verordening vastgestelde criteria niet verantwoordelijk is voor de behandeling, gezinsleden en andere afhankelijke familieleden herenigen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden. In dat geval behandelt deze lidstaat op verzoek van een andere lidstaat het asielverzoek van de betrokkene. De beide betrokkenen moeten hun instemming geven. Ingevolge artikel 15, tweede lid, zorgen de lidstaten er normaliter voor dat, wanneer de ene betrokkene afhankelijk is van de hulp van de andere wegens een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd, de asielzoeker kan blijven bij of wordt herenigd met een familielid dat zich op het grondgebied van een van de lidstaten bevindt, op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden. Ingevolge artikel 15, vierde lid, wordt, indien de aangezochte lidstaat zo'n verzoek inwilligt, de verantwoordelijkheid voor de behandeling aan deze staat overgedragen. 3.2. Ingevolge artikel 11, derde lid, van Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003, houdende Uitvoeringsbepalingen van Verordening nr. 343/2003 (hierna: de Uitvoeringsverordening), voor zover thans van belang, wordt, teneinde te beoordelen of hereniging van de betrokken personen op de voet van artikel 15, tweede lid, van de Verordening nodig en wenselijk is rekening gehouden met, onder andere, de stand van de verschillende in de lidstaten lopende asielprocedures of procedures inzake het vreemdelingenrecht. 3.3. Het door de staatssecretaris ter zake gevoerde beleid is neergelegd in paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vc 2000. Hierin is onder meer het volgende opgenomen: "Overigens wordt opgemerkt dat hereniging van gezinsleden en andere afhankelijke familieleden in de zin van de Verordening 343/2003 alleen van toepassing is op asielzoekers. Alle gezinsleden en/of familieleden moeten dus een asielverzoek hebben ingediend. Er wordt in elk geval geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid van artikel 3, tweede lid juncto artikel 15 Verordening 343/2003 bij: – gezinsleden en/of familieleden die een asielverzoek indienen nadat zij een afwijzing hebben gekregen op een reguliere aanvraag of een aanvraag om een mvv; – situaties waarin een gezinslid en/of afhankelijke familieleden een asielverzoek indien(t)(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.