(2009)313 definitief) is opgenomen dat, om een onderscheid te kunnen maken tussen een gewoon gebruik van het Unierecht en misbruik, moet worden beoordeeld of de uitoefening van communautaire rechten in een lidstaat vanwaar de burgers van de Unie en hun familieleden terugkeren reëel en daadwerkelijk was. Hoewel de Richtsnoeren niet bindend zijn, bieden zij een handvat bij de uitleg van bepalingen van Richtlijn 2004/38/EG. 2.
- De omstandigheid dat de Belgische autoriteiten referent een verklaring van inschrijving hebben afgegeven en overigens ook aan vreemdeling 1 een verblijfskaart hebben verstrekt, waarop is vermeld dat zij een familielid is van een burger van de Unie, laat onverlet dat uit het arrest Eind, punten 24 tot en met 26, voor dit geval kan worden afgeleid dat, onafhankelijk van de vraag of in België door de daartoe bevoegde autoriteiten al dan niet is vastgesteld dat voor een verblijf aldaar is voldaan aan de voorwaarden van Richtlijn 2004/38/EG, het aan de staatssecretaris is om vast te stellen of de vreemdelingen aan Richtlijn 2004/38/EG, analoog toegepast, hier te lande een verblijfsrecht ontlenen nu de vreemdelingen zich daarop tegenover de staatsecretaris hebben beroepen met het oog op verblijf bij referent in Nederland. De vreemdelingen hebben hun stelling dat de Belgische autoriteiten een wooncontrole laten plaatsvinden alvorens een burger van de Unie in België een verklaring van inschrijving krijgt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet onderbouwd. Verder hebben de vreemdelingen de overweging van de rechtbank dat zij niet hebben weersproken dat zij geen verklaring hebben gegeven voor de omstandigheid dat referent in de periode van zijn gestelde verblijf in België tevens in Tilburg een woning huurde en dat de ter zitting gegeven toelichting dat referent de woning in Tilburg heeft onderverhuurd in dit opzicht onvoldoende is nu de vreemdelingen die gestelde onderverhuur niet hebben onderbouwd, niet gemotiveerd bestreden. Evenmin hebben de vreemdelingen de overweging van de rechtbank dat de verwijzing naar de in de bestuurlijke fase ingebrachte stukken niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden, gemotiveerd bestreden. Uit het voorgaande volgt dat het standpunt van de staatssecretaris, dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat referent reëel en daadwerkelijk in België heeft verbleven, de toetsing in rechte kan doorstaan. Reeds daarom bestaat geen aanleiding voor analoge toepassing van Richtlijn 2004/38/EG, zoals bedoeld in de arresten Singh en Eind. Dit betekent dat in deze zaak de beantwoording van de door de Afdeling bij voormelde verwijzingsuitspraak van 5 oktober 2012 gestelde prejudiciële vragen over de analoge toepassing van Richtlijn 2004/38/EG niet hoeft te worden afgewacht. De grief faalt.
- Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink w.g. Van Loo voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2012 418.