(2)personen voornoemd zou zijn: (…) Naar aanleiding van bovenstaande heb ik mij, (…), derwaarts begeven. Ter plaatse zag ik op de dijk welke aan de Ringdijk is gevestigd een tweetal personen op een bankje zitten. Ik zag dat beide personen voldeden aan het signalement voornoemd. Derhalve heb ik, (…), beide personen staande gehouden. Teneinde diens identiteit te controleren heb ik aan beide heren hun identiteitsbewijs gevorderd. (…) Op de vraag of zij een geldig en op hun naam gesteld identiteitsbewijs hadden, hoorden ik hen nee verklaren. (…) Daar ter plaatse de identiteit en nationaliteit van beide heren (lees: niet) kon worden aangetoond en beide heren mij op eerste vordering geen geldig identiteitsbewijs kon overhandigen, heb ik, (…), na aanleiding van bovenstaande, beide heren aangehouden. (…)" Het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van aanhouding van 31 oktober 2012 vermeldt dat de vreemdeling op heterdaad is aangehouden als verdachte van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: het WvSr). 4.
- Anders dan de vreemdeling betoogt, blijkt uit voormelde processen-verbaal genoegzaam dat de verbalisant de vreemdeling strafrechtelijk heeft staande gehouden en gevraagd zich te legitimeren en dat hij, toen bleek dat hij dat niet kon, is aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 447e van het WvSr. Het is derhalve niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van deze bevoegdheden. De beroepsgrond faalt.
- De vreemdeling heeft in beroep voorts aangevoerd dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, nu sinds de inbewaringstelling twee weken zijn verstreken en uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt dat de staatssecretaris nog moet beoordelen of een Dublinclaim zal worden ingediend bij het Verenigd Koninkrijk dan wel bij Italië. 5.
- De vreemdeling is op 1 november 2012 in bewaring gesteld. Het zogenoemde Model M120 van 13 november 2012 met voortgangsgegevens van de uitzetting vermeldt dat uit onderzoek in het Eurodac-systeem is gebleken dat de vreemdeling eerder een asielaanvraag in het Verenigd Koninkrijk heeft ingediend en dat Bureau Dublin het claimverzoek voor het Verenigd Koninkrijk op 2 november 2012 heeft ontvangen en in behandeling heeft genomen. Tijdens het gehoor als bedoeld in artikel 5.2 van het Vb 2000 en het vertrekgesprek van 8 november 2012 heeft de vreemdeling verklaard dat de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hem hebben uitgezet naar Italië. Ter zitting bij de rechtbank heeft de staatssecretaris toegelicht dat hij nader onderzoek heeft verricht en dat hij de claim, gelet op de door de vreemdeling afgelegde verklaring, bij de Italiaanse autoriteiten zal indienen. Uit voormeld Model M120 blijkt dat de staatssecretaris dit laatste uiterlijk op 14 november 2012 zal doen. 5.
- Het betoog van de vreemdeling dat de staatssecretaris nog niet heeft beoordeeld bij welk land hij de Dublinclaim zal indienen, kan gelet op hetgeen onder 5.1 is overwogen niet worden gevolgd. Nu de staatssecretaris op de achtste dag van de bewaring een vertrekgesprek heeft gevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat hij onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Dat de Dublinclaim pas uiterlijk op de veertiende dag van de bewaring bij de Italiaanse autoriteiten zal worden ingediend, leidt voorts niet tot een ander oordeel. Nu de vreemdeling ongedocumenteerd is en er op het moment van inbewaringstelling geen claimakkoord voorhanden was, behoefde de staatssecretaris, anders dan de vreemdeling lijkt te betogen, bij de handelingen ter voorbereiding van zijn uitzetting niet een meer dan gebruikelijke voortvarendheid te betrachten. De beroepsgrond faalt.
- De Afdeling zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 1 november 2012 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 15 november 2012 in zaak nr. 12/34716; III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond; IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E. Steendijk, en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink voorzitter w.g. Nienhuis ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012 466-
- Verzonden: 27 december 2012 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, mr. H.H.C. Visser