201201524/1/A3. Datum uitspraak: 3 juli 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 29 december 2011 in zaak nr. 11/831 in het geding tussen: [wederpartij], gevestigd te [plaats], en de minister. Procesverloop Bij besluit van 17 december 2010 heeft de minister aan [wederpartij] een boete opgelegd van € 900,00 wegens overtreding van artikel 20, eerste lid, van de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW), omdat in haar onderneming bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank werd verstrekt aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt. Bij besluit van 24 februari 2011 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 december 2011 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het door [wederpartij] tegen het besluit van 17 december 2010 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. [wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2013, waar de minister, vertegenwoordigd door R.N. Ramsoedh, werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, is verschenen. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de DHW is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt. Onder verstrekken als bedoeld in de eerste volzin wordt eveneens begrepen het verstrekken van alcoholhoudende drank aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, welke drank echter kennelijk bestemd is voor een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt. Ingevolge het vierde lid, zoals dat luidde ten tijde van belang, blijft de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, achterwege, indien het een persoon betreft die onmiskenbaar de vereiste leeftijd heeft bereikt. De vaststelling geschiedt aan de hand van een document, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht, dan wel een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen document. Ingevolge artikel 44a, eerste lid, kan de minister ter zake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 12 tot en met 20, vierde lid, een bestuurlijke boete opleggen. Ingevolge het tweede lid wordt de hoogte van de bestuurlijke boete bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de wegens een afzonderlijke overtreding te betalen geldsom ten hoogste € 100.000 bedraagt. Ingevolge artikel 44b, eerste lid, wordt bij algemene maatregel van bestuur een bijlage vastgesteld, die bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen bestuurlijke boete bepaalt. Ingevolge artikel 2 van het Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet (hierna: het Besluit DHW) bepaalt het in de kolommen I en II van de bijlage opgenomen bedrag de bestuurlijke boete die opgelegd kan worden voor in de bijlage omschreven overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de DHW. Ingevolge artikel 3, eerste lid, gelezen in verbinding met kolom I van de bijlage, geldt een bedrag van € 900,00 voor de natuurlijke persoon of rechtspersoon die op de dag waarop een overtreding van artikel 20, eerste lid, van de DHW is begaan, minder dan vijftig werknemers telde. 1.1. De minister heeft over de wijze waarop het toezicht wordt uitgeoefend en de maatregelen, waaronder het opleggen van een boete, die naar aanleiding van geconstateerde overtredingen worden getroffen, het Interventiebeleid Alcohol Drank- en Horecawet vastgesteld. De maatregelen zijn zwaarder naarmate de overtreding ernstiger is; ze zijn ook zwaarder indien het een herhaalde overtreding betreft. Bij een overtreding wordt eerst een schriftelijke waarschuwing gegeven, eventueel gevolgd door een boeterapport. Bij een ernstige overtreding wordt direct een boeterapport en een proces-verbaal opgemaakt. Overtreding van het verbod neergelegd in artikel 20, eerste lid, van de DHW is een ernstige overtreding. 2. Bij besluit van 17 december 2010 heeft de minister aan [wederpartij] een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 20, eerste lid, van de DHW. Daarbij heeft de minister uitdrukkelijk verwezen naar de eerste en tweede volzin van deze bepaling. Aan dit in bezwaar gehandhaafde besluit is een door een senior controleur bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: de verbalisant) op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 26 augustus 2010 (hierna: het boeterapport) ten grondslag gelegd. Het boeterapport is gebaseerd op een relaas van bevindingen van twee assistent-controleurs bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: de controleambtenaren). De controleambtenaren zijn jongeren die dit werk in de avonduren verrichten, maar verder geen functie of kantoorplek bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit hebben. Voorts is het boeterapport gebaseerd op een door de verbalisant op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [directeur] van [wederpartij]. De controleambtanaren hebben in het relaas van bevindingen vermeld dat een barmedewerkster op 9 augustus 2010 in een café van [wederpartij] gelegen aan de [locatie] te [plaats] alcoholhoudende drank heeft verstrekt aan personen die niet onmiskenbaar 16 jaar of ouder waren, zonder vast te stellen of deze de vereiste leeftijd hadden bereikt. 3. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet, althans niet in voldoende mate, is komen vast te staan dat het relaas van bevindingen van de controleambtenaren is ondertekend, gedagtekend en op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, zodat daaraan volgens haar geen betekenis toekomt. Hoewel het boeterapport wel is ondertekend en gedagtekend, alsmede op ambtsbelofte is opgemaakt, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet als basis dienen voor de conclusie dat [wederpartij] het verbod van artikel 20, eerste lid, eerste volzin, van de DHW heeft overtreden. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de verklaring van [getuige] in het proces-verbaal van verhoor de conclusie dat de overtreding is begaan niet ondersteunt. Voorts acht de rechtbank van belang dat de verbalisant niet in het café is geweest waar de overtreding zou zijn begaan en dat hij hetgeen hij in het boeterapport heeft verklaard uitsluitend heeft "van horen zeggen". Nu aan het relaas van bevindingen geen betekenis toekomt, kan dientengevolge ook geen betekenis worden toegekend aan de verklaring van de verbalisant, aldus de rechtbank. Het boeterapport biedt derhalve onvoldoende grondslag voor het boetebesluit. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat [wederpartij] het verbod zoals neergelegd in artikel 20, eerste lid, eerste volzin, van de DHW heeft overtreden. Overtreding van de tweede volzin van dat artikel is [wederpartij] eerst ter zitting tegengeworpen, wat de rechtbank niet in overeenstemming acht met de strenge eisen die worden gesteld aan de motivering van een bestraffend besluit alsook in strijd met de goede procesorde. De rechtbank is ook overigens van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [wederpartij] het verbod zoals neergelegd in artikel 20, eerste lid, tweede volzin, van de DHW heeft overtreden. 4. De minister bestrijdt dat aan het relaas van bevindingen van de controleambtenaren geen betekenis toekomt. Er bestaat zijns inziens namelijk geen werkelijke, materiële twijfel aan de correctheid van het relaas en de waarheidsgetrouwheid van de erin neergelegde bevindingen. De overtreding van artikel 20, eerste lid, van de DHW staat daarom wel vast, aldus de minister. De minister bestrijdt voorts dat overtreding van de tweede volzin eerst ter zitting aan [wederpartij] is tegengeworpen, nu hierop in de boetebeschikking van 17 december 2010 al is gewezen. 4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 5 december 2007 en 7 oktober 2009 in zaak nrs. 200702146/1 en 200901089/1/H3), is, gelet op artikel 20, eerste lid, eerste volzin, van de DHW, uitgangspunt van de aan de orde zijnde regeling dat de leeftijd moet worden vastgesteld voordat bedrijfsmatig of anders dan om niet tot verstrekking van alcoholhoudende drank mag worden overgegaan. Een uitzondering op dit uitgangspunt kan ingevolge het vierde lid, eerste volzin, worden gemaakt, indien het een persoon betreft die onmiskenbaar de vereiste leeftijd heeft bereikt. Het woord onmiskenbaar houdt blijkens de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1997/98, 25 969, nr. 3, blz. 28) in dat overduidelijk moet zijn dat die persoon de vereiste leeftijd heeft bereikt. Voor het antwoord op de vraag of artikel 20, eerste lid, van de DHW is overtreden, mag het bestuursorgaan zich baseren op ter zake opgemaakte processen-verbaal van controleambtenaren. In het op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van de verbalisant heeft hij beschreven wat de controleambtenaren op 9 augustus 2010 in een café van [wederpartij] hebben waargenomen. De Afdeling stelt met de rechtbank vast dat de verbalisant niet in het café is geweest waar de overtreding zou zijn begaan en dat hij hetgeen hij heeft verklaard uitsluitend heeft ontleend aan het relaas van de controleambtanaren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de door de verbalisant opgetekende verklaringen in het boeterapport derhalve geen zelfstandige betekenis hebben. 4.2. In het relaas van bevindingen hebben de controleambtenaren vermeld dat een barmedewerkster op 9 augustus 2010 in een café van [wederpartij] alcoholhoudende drank heeft verstrekt aan drie meisjes die niet onmiskenbaar 16 jaar of ouder waren, zonder vast te stellen of deze de vereiste leeftijd hadden bereikt. De controleambtenaren hebben in het relaas van bevindingen vermeld waarop de constatering dat deze meisjes niet onmiskenbaar de leeftijd van 16 jaar hadden bereikt, is gebaseerd. Zij hebben dit onder meer opgemaakt uit uiterlijke kenmerken zoals lichaamsbouw, gelaat, kleding en gedrag van de meisjes. Voorts hebben de controleambtanaren de meisjes in kwestie gehoord. Zij verklaarden tegenover de controleambtenaren 13, 14 en 16 jaar oud te zijn. Verder verklaarden zij dat hun in het café niet naar leeftijd of naar identiteit is gevraagd en dat zij geen identiteitsbewijs bij zich hadden. De door de meisjes opgegeven persoonsgegevens zijn nadien geverifieerd en kwamen overeen met de opgegeven gegevens, aldus het relaas van bevindingen. 4.3. [wederpartij] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft de juistheid van de verklaringen van de betrokken personen steeds betwist en heeft reeds in haar zienswijze gevraagd om hun persoonsgegevens. [wederpartij] betoogt dat er effectieve toegangscontrole plaatsvindt door een portier of garderobemedewerker. Zij vermoedt dat de meisjes met valse identificatie naar binnen zijn gekomen en daarom tegenover de controleambtanaren hebben verklaard dat zij geen identiteitsbewijs bij zich hadden. Anderzijds is in het relaas van bevindingen niet beschreven of de controleambtenaren bij binnenkomst in het café zijn gecontroleerd op hun leeftijd. Bovendien zijn de portier noch de garderobemedewerker die de betrokken avond in het café aanwezig waren gehoord over de gang van zaken tijdens die avond. De minister is aan het door [wederpartij] gemotiveerd gevoerde verweer voorbijgegaan en heeft de identiteit van de controleambtenaren en de meisjes niet aan haar dan wel aan de rechtbank bekend gemaakt, aldus [wederpartij]. 4.4. Ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld in het bijzonder het recht de getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge. 4.5. In het arrest van 20 november 1989 in zaak nr. 11454/85, Kostovski tegen Nederland (www.echr.coe.int; hierna: het Kostovski-arrest), overweegt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) onder meer als volgt: "40. The Court notes that only one of the authors of the statements — namely the person whose statements were read out at the trial — was, under Netherlands law, regarded as a ‘witness’ (see paragraph 18 above). However, in view of the autonomous interpretation to be given to this term (see the Bönisch judgment of 6 May 1985, Series A no. 92, p. 15, par. 31-32), both authors should be so regarded for the purposes of Art. 6 par. 3 (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.