(39c)en het nazorgplan (39d en 39e) niet. Wanneer op dat moment nog sprake is van een evaluatiefase blijven daarop de betreffende verplichtingen van toepassing die ten tijde van de inwerkingtreding van de Wijzigingswet in provinciale verordeningen waren neergelegd (Kamerstukken II 2003/04, 29 462, nr. 3, blz. 49).
- [appellant] heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat uit artikel II van de Wijzigingswet niet volgt dat de artikelen 39c en 39d van de Wet bodembescherming in dit geval niet van toepassing zijn. Volgens [appellant] was de sanering van de verontreiniging op de locatie ‘voormalige stortplaats De Koog’ ten tijde van de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel I, van de Wijzigingswet op 1 januari 2006 nog niet afgerond, omdat op dat moment nog geen evaluatieverslag van de sanering was opgesteld en niet in overeenstemming met het saneringsplan is gesaneerd. 4.
- Een sanering is uitgevoerd in de zin van artikel II, tweede lid, van de Wijzigingswet wanneer de saneringswerkzaamheden zijn afgerond. Dit uitgangspunt vindt steun in het gegeven dat uit artikel II, tweede lid, van de Wijzigingswet en de memorie van toelichting hierbij blijkt dat de verplichtingen tot het opstellen van een evaluatieverslag en de instemming hiermee los staan van het uitvoeren van een sanering. Niet in geschil is dat de sanering van de verontreiniging ter plaatse van de ‘voormalige stortplaats de Koog’ fysiek reeds in 2001 was afgerond. Dit betekent dat de sanering is uitgevoerd voor de inwerkingtreding op 1 januari 2006 van artikel I, onderdeel I, van de Wijzigingswet. Gelet op artikel II, tweede lid, van de Wijzigingswet zijn de artikelen 39c en 39d van de Wet bodembescherming daarom niet van toepassing op de bij brief van 27 februari 2013 verleende instemming met het evaluatieverslag en het nazorgplan.
- Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
- Voor inwerkingtreding van de artikelen 39c en 39d van de Wet bodembescherming op 1 januari 2006 waren in de Wet bodembescherming geen bepalingen opgenomen die voorzagen in het opstellen van en het instemmen met een evaluatieverslag of een nazorgplan. Dit betekent dat een publiekrechtelijke grondslag voor de instemming met het evaluatieverslag en het nazorgplan bij brief van 27 februari 2013 ontbreekt. De brief van 27 februari 2013 is daarom niet op rechtsgevolg gericht. Die brief is derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat hiertegen geen beroep kan worden ingesteld. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2002 in zaak nr. 200105410/
- Het beroep is niet-ontvankelijk.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Schoppers, ambtenaar van staat. w.g. Van Kreveld w.g. Schoppers voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013 578.