(2020)". Op basis van dit beleidskader dient, om het benodigd aantal parkeerplaatsen bij een nieuwe ontwikkeling te bepalen, gewerkt te worden met de landelijke CROW-kerncijfers. Het gemeentelijke beleid gaat er van uit dat bij ontwikkelingen de bovengrens van deze kerncijfers wordt gehanteerd als bedoeld in CROW-publicatie
- Dat is, zoals desgevraagd door de raad is bevestigd ter zitting, ook in het voorliggende geval gebeurd. Voorts moet blijkens de plantoelichting volgens dit beleid bij het gebruik van parkeercijfers per functie rekening worden gehouden met de invloeden van de soort functie, van de bereikbaarheidskenmerken, de stedelijkheidsgraad en specifieke eigenschappen van die locatie alsmede met aanwezigheidspercentages. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de CROW-publicatie 182 onjuist heeft toegepast of dat de parkeervraag is onderschat. Voorts heeft [appellante sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de omvang van het bestemmingsvlak onvoldoende is om in de benodigde parkeerplaatsen te voorzien. De Afdeling overweegt in dit verband dat het bestemmingsvlak bepalend is voor de beschikbare ruimte en niet het bouwplan waar in het beroepschrift naar wordt verwezen. Voor zover [appellante sub 2] heeft betoogd dat bestaande parkeerplaatsen binnen de bestemming "Groen" bij haar perceel niet als zodanig zijn bestemd overweegt de Afdeling dat het hier illegale parkeerplaatsen betreft die, zo is ter zitting door de raad onweersproken gesteld, ook in het vorige plan niet als zodanig waren bestemd en daarom ook niet onder het overgangsrecht vallen. Er bestaat dan ook geen aanspraak om deze parkeerplaatsen wel als zodanig te bestemmen. Voor zover [appellante sub 2] wijst op de situering van gehandicaptenparkeerplaatsen stelt de raad terecht dat dit een inrichtingsaspect betreft dat in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het betoog faalt.
- Voorts betoogt [appellante sub 2] dat binnen de bestemming "Gemengd" ten onrechte is voorzien in de mogelijkheid om een reclamemast te realiseren met reclame-uitingen van 12 m bij 12 m en een hoogte van 35 m. Zij stelt dat een reclamemast met een dergelijke omvang volgens de welstandseisen van de gemeente Oosterhout niet thuishoort op een bedrijventerrein. De raad had voorts de lichthinder van deze reclamemast voor nabijgelegen bedrijfswoningen moeten onderzoeken. 9.
- De raad stelt zich op het standpunt dat bij de welstandstoets de bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan gerespecteerd moeten worden en wijst erop dat de Commissie voor Welstand en Monumenten al positief geadviseerd heeft over reclamemasten van deze omvang langs verbindingsassen van wegen als de onderhavige. Wat betreft lichthinder stelt de raad zich op het standpunt dat dit nauwelijks aan de orde is op het bedrijventerrein waar ’s avonds en ’s nachts bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid kunnen voorzien in een reclamemast met deze omvang.
- Het beroep van [appellante sub 2] is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van het beroep van [appellante sub 2] bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen van [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] en [appellante 3A] en Oosterhoutse Betoncentrale II B.V. gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Oosterhout van 23 oktober 2012, kenmerk BI.0120078, wat betreft de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" voor de percelen [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] te Oosterhout; III. draagt de raad van de gemeente Oosterhout op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen, voor zover dit is vernietigd, en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; IV. treft de voorlopige voorziening dat voor de percelen, vermeld onder II., de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie", blijft gelden; V. bepaalt dat de onder IV. getroffen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit zoals bedoeld onder III.; VI. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 2] ongegrond; VII. veroordeelt de raad van de gemeente Oosterhout tot vergoeding van: a. bij [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; b. bij [appellante sub 3A] en Oosterhoutse Betoncentrale II B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; VIII. gelast dat de raad van de gemeente Oosterhout aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van: a. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B], met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; b. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor [appellante sub 3A] en Oosterhoutse Betoncentrale II B.V. vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander. Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat. w.g. Mondt-Schouten w.g. Boermans lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2013 429-605.