(036309), gedeeltelijk ter plaatse van Achthoven, achter nummer 3, percelen kadastraal bekend gemeente Zederik, sectie A, nr. 248 en 575 (hierna: de watergang). Zij stelt dat het college daarom de demping van de watergang niet mocht opnemen in de legger. 3.
- De rechtbank heeft terecht overwogen dat het geding uitsluitend betrekking heeft op de bij het besluit van 9 oktober 2012 vastgestelde wijzigingen van de legger en dat de verlening van de ontheffing voor het dempen van de watergang als zodanig buiten de omvang van het geding valt. De enkele stelling van [appellante] dat de ontheffing nog niet rechtens onaantastbaar is kan reeds hierom niet slagen, nu de bij besluit van 8 april 2008 door het college verleende ontheffing voor de demping van de watergang door de Afdeling in hoger beroep bij uitspraak van 12 juni 2009 in zaak nr. 200903005/3/H2 in stand is gelaten en het daartegen door [appellante] gedane verzet bij uitspraak van 13 januari 2010 in zaak nr. 200903005/5/H2 ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft derhalve in het betoog van [appellante] terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college de demping van de watergang niet in de legger had mogen opnemen. Het betoog faalt.
- Hetgeen [appellante] voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking, omdat dit geen betrekking heeft op het besluit van 9 oktober
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat. w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Roessel lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013 457-784.