(15)" is toegekend, nu ter plaatse van deze gronden in het verleden legaal een scheepsbouwloods is gerealiseerd met een hoogte van 21 meter. 4.
- De raad stelt zich op het standpunt dat [appellante sub 1] haar gebruiksactiviteiten ter plaatse van het land-deel van de scheepswerf mag voortzetten, nu deze activiteiten vallen onder het overgangsrecht van het plan. Bij de volgende bestemmingsplanwijziging zullen de milieucategorieën zoals die golden op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan worden overgenomen, aldus de raad. In het verleden is een bouwvergunning verleend voor een scheepsbouwloods met een hoogte van 21 meter. Deze bouwhoogte is evenwel abusievelijk niet in het plan opgenomen, waardoor deze valt onder het overgangsrecht van het plan. De bouwhoogte zal worden opgenomen bij de volgende bestemmingsplanwijziging, aldus de raad. 4.
- Ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten die [appellante sub 1] ontplooit ter plaatse van het land-deel van de scheepswerf alsmede de scheepsbouwloods heeft de raad zich op een ander standpunt gesteld dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan. Niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven. Gelet daarop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van de gronden van [appellante sub 1]. Het beroep van [appellante sub 2]
- [appellante sub 2], die een bedrijf voert dat handelt in stalen buizen, buiscomponenten en afsluiters op de percelen [locaties 2], betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de bedrijfsactiviteiten die zij ter plaatse van haar perceel ontplooit, nu deze activiteiten vallen onder hogere milieucategorieën dan die zijn toegestaan ingevolge het plan. Het plan voorziet voorts ten onrechte niet in het bij het bedrijf behorende kantoor op het perceel [locatie 3]. In het plan is verder ten onrechte opgenomen dat per bedrijf één reclamezuil van 2 meter hoogte is toegestaan, nu ter plaatse van het betrokken bedrijf reclame-uitingen, daaronder begrepen bedrijfskunst, aanwezig zijn van veel grotere omvang, aldus [appellante sub 2]. 5.
- De raad stelt zich op het standpunt dat [appellante sub 2] haar gebruiksactiviteiten ter plaatse van de betrokken gronden mag voortzetten, nu deze activiteiten vallen onder het overgangsrecht van het plan. Bij de volgende bestemmingsplanwijziging zullen de milieucategorieën zoals die golden op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan worden overgenomen. Volgens de raad is het kantoorpand op het perceel [locatie 3] niet als zodanig bestemd in het plan, nu met [appellante sub 2] is overeengekomen dat de overige kantoorgebouwen na realisatie van het kantoor op het perceel [locatie 4] zouden worden afgestoten. De raad stelt zich verder op het standpunt dat voor het ter plaatse aanwezige kunstwerk een vergunning is verleend. Dit bouwwerk is abusievelijk onder het overgangsrecht van het plan gebracht en zal bij de volgende bestemmingsplanwijziging als zodanig worden bestemd. De reclame-uiting die is bevestigd aan de perceelafscheiding is evenwel zonder vergunning gerealiseerd. Met het oog op bescherming van de aanblik van de omgeving acht de raad het als zodanig bestemmen van deze reclame-uiting ongewenst. 5.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf ten hoogste categorie 3.2" bestemd voor bedrijven uit ten hoogste categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten "gezoneerd industrieterrein". Ingevolge artikel 3.2.2, onder d, van de planregels is per bedrijfsperceel ten hoogste 1 reclamezuil van ten hoogste 2 meter toegestaan. Ingevolge artikel 3, lid 3.4, aanhef en onder g, van de planregels is per bedrijf een kantoorvloeroppervlakte die meer bedraagt dan 50% van de bedrijfsvloeroppervlakte niet toegestaan en per bedrijf een kantoorvloeroppervlakte van meer dan 2.000 m2 in geen geval toegestaan. Ingevolge artikel 3, lid 3.4, aanhef en onder h, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding "kantoor", in afwijking van het bepaalde onder g, een kantooroppervlakte van 3.000 m2 toegestaan. 5.
- De Afdeling stelt vast dat het plan niet voorziet in de mogelijkheid op het perceel [locatie 3] een kantoor op te richten. In de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de realisatie van een kantoorgebouw aan de [locatie 4] is opgenomen dat [appellante sub 2] over kantoorruimte beschikt op verschillende locaties op industrieterrein Groote Lindt, waarbij het de bedoeling is dat alle kantoorruimte wordt ondergebracht in één nieuw kantoorgebouw. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij het vaststellen van het plan niet mede heeft mogen baseren op deze ruimtelijke onderbouwing. In zoverre heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het betrokken kantoorpand niet als zodanig in het plan behoefde te worden bestemd. Niet in geschil is dat de reclame-uiting die is bevestigd aan de perceelafscheiding is gerealiseerd zonder vergunning. De raad hoeft in beginsel daarvoor geen regeling in het plan op te nemen, nu geen sprake is van verkregen rechten. Een dergelijke regeling is slechts gerechtvaardigd voor zover daartegen vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen bezwaren bestaan. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de desbetreffende reclame-uiting in het plan niet als zodanig is bestemd met het oog op bescherming van de aanblik van de omgeving. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van de bescherming van de aanblik van de omgeving dan aan het belang dat [appellante sub 2] heeft bij het als zodanig bestemmen van de reclame-uiting in het plan. 5.
- Ten aanzien van het toestaan van de bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 2] alsmede de toegestane hoogte van het ter plaatse van de gronden van [appellante sub 2] aanwezige kunstwerk heeft de raad zich op een ander standpunt gesteld dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan. Niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven. Gelet daarop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van de gronden van [appellante sub 2]. Conclusie
- Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 3.5, 4.2 en 5.4 zijn de beroepen gegrond. Het besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Water" en "Bedrijf" die betrekking hebben op de gronden van [appellante sub 1] aan de [locatie 1] alsmede het plandeel met de bestemming "Bedrijf" dat betrekking heeft op de gronden van [appellante sub 2] aan de [locaties 2].
- De Afdeling ziet aanleiding om de raad op te dragen een nieuw besluit te nemen voor de vernietigde plandelen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.
- De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zwijndrecht van 8 januari 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Groote Lindt", voor zover het betreft: a. het plandeel met de bestemming "Water" dat betrekking heeft op de gronden van [appellante sub 1] aan de [locatie 1]; b. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" dat betrekking heeft op de gronden van [appellante sub 1] aan de [locatie 1]; c. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" dat betrekking heeft op de gronden van [appellante sub 2] aan de [locaties 2]; III. draagt de raad van de gemeente Zwijndrecht op om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen; IV. veroordeelt de raad van de gemeente Zwijndrecht tot vergoeding van: a. bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 973,38 (zegge: negenhonderddrieënzeventig euro en achtendertig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; b. bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 984,38 (zegge: negenhonderdvierentachtig euro en achtendertig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; V. gelast dat de raad van de gemeente Zwijndrecht aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van: a. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellanten sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; b. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellanten sub 2], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen. Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat w.g. Van Sloten w.g. Gerkema lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013 568-783.