201112348/1/R
- Datum uitspraak: 13 november 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- [appellant sub 1], wonend te Hoeven, gemeente Halderberge,
- [appellanten sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Oudenbosch, gemeente Halderberge,
- [appellante sub 3], gevestigd te Oud-Gastel, gemeente Halderberge,
- [appellanten sub 4] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), beiden wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,
- [appellant sub 5], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,
- [appellant sub 6], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,
- [appellanten sub 7] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 7]), beiden wonend te Hoeven, gemeente Halderberge,
- [appellant sub 8], wonend te Bosschenhoofd, gemeente Halderberge,
- [appellant sub 9], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,
- [appellant sub 10], wonend te Roosendaal,
- [appellanten sub 11] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 11]), gevestigd respectievelijk wonend te Hoeven, gemeente Halderberge,
- de stichting Brabantse Milieufederatie en de vereniging IVN Vogel- en Natuurbescherming Etten-Leur en omstreken (hierna: de BMF en de IVN), gevestigd te Tilburg respectievelijk Etten-Leur,
- [appellanten sub 13] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 13]), wonend te Oudenbosch, gemeente Halderberge,
- [appellant sub 14], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,
- [appellant sub 15], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,
- [appellanten sub 16] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 16]), beiden wonend te Halderberge,
- [appellanten sub 17], wonend te Hoeven, gemeente Halderberge,
- [appellanten sub 18] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 18]), beiden wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Autobedrijf Succes B.V., gevestigd te Oud Gastel, gemeente Halderberge,
- [appellant sub 20], wonend te Hoeven, gemeente Halderberge,
- [appellant sub 21], wonend te Hoeven,
- [appellanten sub 22] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 22]), wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,
- [appellante sub 23], gevestigd te Hoeven, gemeente Halderberge,
- [appellant sub 24], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,
- [appellant sub 25], wonend te Hoeven, gemeente Halderberge,
- [appellant sub 26], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,
- [appellante sub 27], gevestigd te Oud Gastel, gemeente Halderberge,
- [appellante sub 28], gevestigd te Hoeven, gemeente Halderberge,
- [appellante sub 29], gevestigd te Stampersgat, gemeente Halderberge,
- de minister van Defensie (hierna: de minister),
- [appellant sub 31], wonend te Hoeven, gemeente Halderberge,
- de vereniging Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, afdeling Halderberge, (hierna: de ZLTO), gevestigd te Hoeven, gemeente Halderberge,
- [appellant sub 33], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,
- [appellant sub 34], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,
- [appellanten sub 35] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 35]), wonend te Oud-Gastel, gemeente Halderberge, en de raad van de gemeente Halderberge, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 22 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Halderberge 2011" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellante sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellante sub 11], BMF en IVN, [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellanten sub 17], [appellant sub 18], Autobedrijf Succes B.V., [appellant sub 20], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellante sub 23], [appellant sub 24], [appellant sub 25], [appellant sub 26], [appellante sub 27], [appellante sub 28], [appellante sub 29], de minister, [appellant sub 31], de ZLTO, [appellant sub 33], [appellant sub 34] en [appellant sub 35] beroep ingesteld. Een aantal van hen heeft de gronden van het beroep schriftelijk aangevuld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal partijen heeft daarop een zienswijze naar voren gebracht. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10, 11 en 12 juni 2013, waar een aantal appellanten zich heeft doen vertegenwoordigen of in persoon, al dan niet bijgestaan door een raadsman, is verschenen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn verscheidene belanghebbenden gehoord die op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn toegelaten tot het geding. Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht. Overwegingen
- Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Beroepen tegen plandelen waarvoor een reactieve aanwijzing is gegeven
- Bij besluit van 1 november 2011 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant de raad enige reactieve aanwijzingen gegeven die er toe strekken dat de plandelen waarop de aanwijzingen betrekking hebben geen onderdeel blijven uitmaken van het plan zoals dat is vastgesteld.
- Het beroep van [appellante sub 23] heeft betrekking op de bestemmingsregeling voor haar perceel aan de [locatie 1] te Hoeven. Die regeling is niet in werking getreden ten gevolge van een reactieve aanwijzing. Het beroep van [appellanten sub 17] heeft betrekking op de bestemmingsregeling voor het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van hun perceel aan de [locatie 2] te Hoeven. Nu dit plandeel een omvang heeft van meer dan 1500 m2 is het plandeel, zoals volgt uit hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 24 van de uitspraak van heden in zaak nr. 201112843/1/R3, ten gevolge van een reactieve aanwijzing niet in werking getreden.
- In artikel 6:10, eerste lid, onder a, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan de behandeling van het bezwaar of beroep in dat geval worden aangehouden tot het begin van die termijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 december 2011, zaak nr. 201002914/1/R3) moet het er gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling voor worden gehouden dat deze uitsluitend betrekking heeft op de situatie dat de bekendmaking van het besluit nog niet heeft plaatsgevonden, maar zeker is dat de bekendmaking op afzienbare termijn zal plaatsvinden, waarmee de termijn voor het instellen van het beroep een aanvang zal nemen (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 129). Deze situatie doet zich in dit geval niet voor. Overigens heeft de Afdeling bij de uitspraak van heden in zaak nr. 201112843/1/R3, de beroepen tegen de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel [locatie 1] en tegen de reactieve aanwijzing met betrekking tot de percelen met de bestemming "Wonen" van groter dan 1500 m2 ongegrond verklaard.
- De beroepen van [appellante sub 23] en [appellanten sub 17] zijn niet-ontvankelijk.
- Ten overvloede overweegt de Afdeling naar aanleiding van het betoog van [appellanten sub 17] het volgende. 6.
- Ingevolge artikel 24, lid 24.2, onder 24.2.1, onder a, van de planregels mag per bestemmingsvlak het aantal woningen niet meer bedragen dan één (…). Ingevolge het bepaalde onder 24.2.2 gelden voor het bouwen van woningen de volgende regels: a. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m. b. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m. c. De inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m³ (…). Ingevolge artikel 34, lid 34.1, gelden met betrekking tot bestaande maten de volgende regels: a. De op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden. (…). 6.
- De raad heeft ter zitting heeft verklaard dat de woonboerderij van [appellanten sub 17], die een inhoud heeft van meer dan 750 m3, in zijn geheel moet worden aangemerkt als woning als bedoeld in artikel 24, lid 24.2, onder 24.2.1, onder a, van de planregels waarvoor ingevolge artikel 34, lid 34.1, onder a, niet de onder 24.2.2 opgenomen maten gelden, maar de ten tijde van de vaststelling van het plan bestaande maten. Voorts heeft de raad verklaard dat het plan geen verschillende regels kent voor het gebruik van woningen en bijgebouwen. Het beroep van [appellant sub 1]
- [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met het plan voor zover de bestemming "Agrarisch" is toegekend aan zijn perceel ten westen van [locatie 3] te Hoeven. Hij voert aan dat een woonbestemming had moeten worden toegekend aan dit perceel. Hij wijst er op dat hoewel het perceel niet is aangewezen als zoekgebied in de "Gebiedsvisie voor bebouwingsconcentraties gemeente Halderberge" (hierna: de Gebiedsvisie), er voor dit perceel volgens de Gebiedsvisie mogelijkheden zijn voor herstructurering en voor het toevoegen van een nieuwe zogeheten ruimte-voor-ruimte-woning. Verder voert [appellant sub 1] aan dat zijn perceel niet in de Gebiedsvisie als zoeklocatie is aangemerkt, omdat op het perceel tot 14 februari 2010 een voorkeursrecht lag. Voorts wijst hij er op dat er geen ruimtelijke bezwaren bestaan tegen een woonbestemming en dat een woning past in de omgeving. Hij wijst er op dat de percelen direct aan weerskanten van zijn perceel een woonbestemming hebben en bebouwd zijn met een woning. Verder hebben de vijf nabijgelegen percelen Achter 't Hof 15 tot en met 17c een woonbestemming en ligt tegenover zijn perceel de kern van Hoeven. Tot slot wijst hij er op dat zijn perceel binnen de bebouwde kom ligt en dat met een woning de rafelige bebouwingsstructuur aan de Achter 't Hof kan worden weggenomen. Voorts voert [appellant sub 1] aan dat onder het hiervoor geldende plan een wijzigingsbevoegdheid was opgenomen voor toepassing van de ruimte-voor-ruimte-regeling. 7.
- De raad stelt zich op het standpunt dat volgens het gemeentelijk en provinciaal beleid verstening van het buitengebied moet worden tegengegaan. Volgens het gemeentelijk beleid kunnen enkel nieuwe burgerwoningen aan het buitengebied worden toegevoegd indien gebruik wordt gemaakt van de ruimte-voor-ruimte-regeling. Om te kunnen voldoen aan deze regeling is het noodzakelijk dat het betreffende perceel is opgenomen in de Gebiedsvisie. De raad stelt dat bij het al dan niet opnemen van locaties in de Gebiedsvisie niet van belang is geweest wat de eigendomssituatie is. Dat een voorkeursrecht op het perceel lag, heeft volgens de raad derhalve niet meegespeeld in de vraag of het perceel moest worden opgenomen in de Gebiedsvisie. Enkel planologische en stedenbouwkundige aspecten zijn hierbij meegewogen. De raad stelt verder dat het perceel volgens de Gebiedsvisie valt binnen een bebouwingsconcentratie. Binnen dergelijke gebieden is volgens de Gebiedsvisie wel herstructurering mogelijk. Bij herstructurering is toevoeging van een woning toegestaan indien op het perceel zelf bebouwing eerst wordt gesloopt. Aangezien op het perceel geen bebouwing aanwezig is, is herstructurering en toevoeging van een nieuwe woning niet mogelijk. Volgens de raad doen zich verder geen omstandigheden voor op grond waarvan van het beleid in de Gebiedsvisie zou moeten worden afgeweken en is om die reden geen woonbestemming aan het perceel toegekend. 7.
- Aan het perceel van [appellant sub 1] is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn deze gronden bestemd voor agrarisch gebruik en grondgebonden agrarische bedrijven. Verder kent artikel 38.8 een algemene wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van een ruimte-voor-ruimte woning. Daarbij mag onder andere de bestemming "Agrarisch" in "Wonen" worden gewijzigd, maar alleen binnen een zoeklocatie ruimte-voor-ruimte. In het hiervoor geldende plan "Buitengebied Deelgebieden Hoeven - Oudenbosch" was aan het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend. Ingevolge artikel 8 van de planvoorschriften van dit plan was op dit perceel geen woningbouw mogelijk. 7.
- Blijkens de Gebiedsvisie ligt het perceel van [appellant sub 1] in een bebouwingsconcentratie als bedoeld in die visie. Het perceel is niet aangewezen als zoeklocatie, maar wel als gebied met mogelijkheden voor herstructurering. In paragraaf 3.3.3 van de Gebiedsvisie zijn de mogelijkheden voor herstructurering als volgt omschreven: "Herstructurering is het herschikken van bestaande bebouwing op een bestaand erfperceel bijvoorbeeld door het toepassen van een sloop-bonus regeling. Het toevoegen van extra bebouwing, bijvoorbeeld via een ruimte-voor-ruimte-bouwrecht, is ook mogelijk binnen deze aanduiding. Er is hiervoor op de bestaande bebouwing geen specifieke aanduiding opgenomen." Vast staat dat het perceel van [appellant sub 1] in een bebouwingsconcentratie ligt. Uit de Gebiedsvisie volgt dat nieuwe burgerwoningen hier in beginsel niet zijn toegestaan omdat verstening van het buitengebied moet worden tegengegaan. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de Gebiedsvisie in dit opzicht kennelijk onredelijk is. [appellant sub 1] heeft geen omstandigheden aangedragen op grond waarvan de raad in afwijking van zijn beleid het betreffende perceel een woonbestemming had moeten toekennen dan wel als zoeklocatie voor een ruimte-voor-ruimte woning had moeten aanwijzen. Het betoog faalt. 7.
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2]
- Het beroep van [appellant sub 2], voor zover dat ziet op de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch" die zijn toegekend aan het deel van zijn perceel waarop thans een mestsilo staat, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.
- [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen - statische opslag", die is toegekend aan het perceel [locatie 4] te Oudenbosch. Volgens hem had een agrarische bestemming moeten worden toegekend in samenhang met een aanduiding voor de statische opslag. Hij vreest dat gezien de bestemming "Wonen" in de toekomst het gebruik voor statische opslag in de toekomst niet meer is toegestaan. 9.
- Aan het perceel is de bestemming "Wonen" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen - statische opslag" toegekend. Ingevolge artikel 24, lid 24.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor onder andere statische (binnen)opslag ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - statische opslag". In artikel 1 is statische (binnen)opslag omschreven als binnenopslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf. Het betreft bijvoorbeeld (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke. 9.
- Niet in geschil is dat [appellant sub 2] zich kan verenigen met de mogelijkheden die het ter beoordeling staande plan biedt voor statische opslag op zijn perceel. De Afdeling ziet in de enkele stelling dat in een toekomstig bestemmingsplan wellicht de statische opslag niet langer mogelijk wordt gemaakt geen grond voor het oordeel dat de raad niet de bestemming "Wonen" had mogen toekennen aan het perceel, maar een agrarische bestemming had moeten toekennen. Daarbij betrekt de Afdeling dat het toekennen van een agrarische bestemming evenmin de door [appellant sub 2] gewenste zekerheid biedt dat statische opslag mogelijk blijft, aangezien de raad zich, indien hij in de toekomst een nieuw bestemmingsplan vaststelt, opnieuw een oordeel dient te vormen over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de bestemming en de daarbij behorende mogelijkheden. 9.
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2], voor het overige, ongegrond. Het beroep van [appellante sub 3]
- De raad stelt dat [appellante sub 3] geen belanghebbende is, omdat zij ten tijde van het indienen van het beroepschrift geen eigenaar was van het perceel [locatie 5]. Verder stelt hij dat het beroep van [appellante sub 3] niet-ontvankelijk is, nu zij geen zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerp van het plan. Verder heeft voor het perceel [locatie 5], waarop het beroep betrekking heeft, geen wijziging ten opzichte van het ontwerp van het plan plaatsgevonden. 10.
- Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 10.
- Over de belanghebbendheid van [appellante sub 3] overweegt de Afdeling dat, zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 december 2011 in zaak nr. 200909566/1) dat de hoedanigheid van belanghebbendheid in beginsel uiterlijk kan worden verkregen op de dag waarop de beroepstermijn eindigt. Uit de stukken kan worden afgeleid dat [appellante sub 3] vóór het eind van de beroepstermijn eigenaar is geworden van het bovengenoemde perceel. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat [appellante sub 3] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. 10.
- Het beroep van [appellante sub 3], voor zover gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding " specifieke vorm van bedrijf - machinefabriek", voor het perceel [locatie 5], steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Uit de stukken is gebleken dat [appellante sub 3] eerst na ommekomst van de termijn voor het indienen van zienswijzen eigenaar is geworden van het perceel [locatie 5]. Om die reden kan haar redelijkerwijs niet worden verweten dat zij geen zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerp van het besluit. 10.
- Het beroep is derhalve in zoverre ontvankelijk.
- [appellante sub 3], die op het perceel [locatie 6] een kantoor en bedrijfshal heeft ten behoeve van haar bedrijf voor asbestverwijdering en sloopwerk, kan zich niet verenigen met het plan voor zover de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - machinefabriek" is toegekend aan het perceel [locatie 5]. Zij betoogt dat dit perceel bij haar perceel zal worden betrokken en dat het plan nu ten onrechte niet toelaat dat de kantoorruimte op het perceel [locatie 5] voor haar bedrijfsvoering wordt gebruikt. 11.
- De raad stelt zich op het standpunt dat tijdens de bouwvlakinventarisatie voor het bestemmingsplan geen verzoek tot wijziging van de bestemming of aanduiding voor het perceel [locatie 5] is gedaan. Om die reden is niet de door [appellante sub 3] gewenste aanduiding opgenomen. De bestemming kan evenwel onder voorwaarden worden gewijzigd, maar hiervoor is nog geen onderbouwd plan ingediend. 11.
- Aan het perceel [locatie 5] is de bestemming "Bedrijf" toegekend en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - machinefabriek". Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - machine reparatiefabriek" bestemd voor een machinereparatiefabriek. Ingevolge lid 6.6, onder 6.6.1 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming te wijzigen ten behoeve van een ander soort bedrijf dan in lid 6.1, onder a, is genoemd (...). 11.
- In het deskundigenbericht staat dat ten tijde van het vaststellen van het plan het pand op het perceel [locatie 5] in gebruik was als kantoor ten behoeve van de machinefabriek. Er is geen concrete aanwijzing voor de raad geweest dat het kantoor voor een andere bedrijfsvoering zou worden gebruikt. In hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bovengenoemde bestemming en aanduiding heeft kunnen toekennen aan het perceel. Daarbij wijst de Afdeling er nog op dat [appellante sub 3] de raad kan verzoeken om met toepassing van artikel 6, lid 6.6., onder 6.6.1, van de planregels de bestemming te wijzingen. 11.
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 3] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 4]
- [appellant sub 4] kan zich niet verenigen met het plan voor zover daarbij niet is voorzien in de aanduiding "paardenhouderij" op het perceel [locatie 7] te Oud Gastel. Hij voert aan dat in het ontwerp van het plan de aanduiding "paardenhouderij" was toegekend aan de gronden binnen het bouwvlak en dat die aanduiding bij de vaststelling van het plan ten onrechte is verwijderd. Aangezien een concreet bouwplan bestond voor een nieuwe ponystal diende voor een deel van het bouwvlak de aanduiding in stand te blijven. Door het ontbreken van de aanduiding is het hobbymatig houden van paarden niet mogelijk, aldus [appellant sub 4]. 12.
- Aan het perceel [locatie 7] is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder b, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "paardenhouderij" tevens gebruiksgerichte en/of productiegerichte paardenhouderijen zijn toegestaan". Ingevolge het bepaalde onder bb, zijn deze gronden bestemd voor recreatief medegebruik. Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en onder a, mogen gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. In artikel 1 van de planregels is een paardenhouderij omschreven als een agrarisch bedrijf gericht op het fokken van (sport)paarden, het houden, stallen of africhten van paarden ten behoeve van de vlees- en/of melkproductie, handel en/of de gebruiksgerichte paardenhouderij. 12.
- Ter zitting is gebleken dat [appellant sub 4] hobbymatig drie paarden en zeven pony's houdt. De raad heeft verklaard dat deze vorm van het houden van paarden niet als een paardenhouderij als bedoeld in artikel 1 van de planregels kan worden aangemerkt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. Het betoog dat de aanduiding "paardenhouderij" had moeten worden toegekend toegekend, faalt daarom. Het betoog dat het plan het hobbymatig houden van paarden niet mogelijk maakt, mist feitelijke grondslag, omdat de bovengenoemde planregeling hieraan niet in de weg staat.
- [appellant sub 4] stelt dat in zowel artikel 3, lid 3.5.3 als in lid 3.5.7 een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen voor het toestaan van een gebruiksgerichte paardenhouderij als nevenfunctie bij het agrarisch bedrijf, mits de totale oppervlakte niet meer bedraagt dan 400 m
- Aangezien de voorwaarden van beide afwijkingsbevoegdheden verschillen, leiden deze planregels tot rechtsonzekerheid. Verder betoogt [appellant sub 4] dat uit zowel lid 3.5.3 als lid 3.5.7 voortvloeit dat de totale oppervlakte die voor een paardenhouderij wordt gebruikt, niet meer mag bedragen dan 400 m
- Ervan uitgaande dat een paardenhouderij ook een paardenbak omvat, is volgens [appellant sub 4] onvoldoende ruimte aanwezig om een gebouw voor het stallen van pony's en het opslaan van paardenbenodigdheden zoals zadels, tuig en voer op te richten. Volgens hem is de bedoeling van de raad niet goed in het plan vertaald. Hij wijst in dit verband op een e-mail van een ambtenaar van de gemeente Halderberge van 5 december 2011, waarin is bevestigd dat de 400 m2 enkel betrekking heeft op bouwwerken ten behoeve van een paardenhouderij en niet op de paardenbak zelf. 13.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet onduidelijk is voor zover het betreft de verhouding tussen artikel 3, lid 3.5.3 en lid 3.5.
- De 400 m2 ten behoeve van een paardenhouderij ziet volgens hem duidelijk alleen op bouwwerken en niet tevens op de paardenbak. 13.
- In lid 3.5.3 is bepaald dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.1 voor nevenfuncties binnen het bouwvlak bij agrarische bedrijven, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De agrarische functie op het perceel dient als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar te blijven. b. Het agrarisch bouwvlak mag ten behoeve van de nevenactiviteit niet worden uitgebreid. c. De volgende nevenfuncties bij het agrarische bedrijf zijn toegestaan:
- agrarisch technisch hulpbedrijven en agrarische verwante bedrijven, waarbij de totale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 400 m
- Ter plaatse van de aanduiding ‘bebouwingsconcentratie’ geldt een maximale totale oppervlakte van 600 m². d. Bij cumulatie van meerdere vormen van nevenfuncties en/of verbrede landbouw mag de totale omvang niet meer bedragen dan 1.000 m². Ter plaatse van de aanduiding ‘bebouwingsconcentratie’ geldt een maximale totale omvang van 2.000 m². e. Buitenopslag ten behoeve van de nevenfunctie is niet toegestaan. f. De nevenfunctie mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben. g. De nevenfunctie mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering/bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven. h. Er dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing. i. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. In artikel 1 is een agrarisch verwant bedrijf omschreven als een bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking. In lid 3.5.7 is bepaald dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.1 voor het toestaan van een gebruiksgerichte paardenhouderij als nevenfunctie bij het agrarisch bedrijf, met inachtneming van de volgende regels: a. Afwijking is uitsluitend toegestaan ter plaatse van het bouwvlak. b. De totale oppervlakte mag niet meer bedragen dan 400 m
- Ter plaatse van de aanduiding "bebouwingsconcentratie" geldt een maximale totale oppervlakte van 600 m
- c. De vestiging van de paardenhouderij mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering/bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven. d. De vestiging van de paardenhouderij mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben. e. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bebouwing. In artikel 1 is een paardenhouderij omschreven als een agrarisch bedrijf gericht op het fokken van (sport)paarden, het houden, stallen of africhten van paarden ten behoeve van de vlees- en/of melkproductie, handel en/of de gebruiksgerichte paardenhouderij. Een gebruiksgerichte paardenhouderij is omschreven als een paardenhouderij waar het rijden met paarden primair gericht is op de ruiter/amazone. Een productiegerichte paardenhouderij is omschreven als een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan/met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten en trainen en verhandelen van paarden. 13.
- De Afdeling overweegt dat artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.7 ziet op de nevenactiviteit gebruiksgerichte paardenhouderij. Voor andere soorten paardenhouderijen geldt derhalve het bepaalde in lid 3.5.
- De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre rechtsonzeker is. De Afdeling acht verder de uitleg van de raad dat het maximum van 400 m2 ten behoeve van een paardenhouderij geen betrekking heeft op de mogleijkheid van een paardenbak, juist.
- [appellant sub 4] betoogt voorts dat ten onrechte ingevolge artikel 29, lid 29.2 van de planregels geen bouwwerken met een oppervlak groter dan 500 m2 op zijn perceel zijn toegestaan en dat zijn bedrijfsgebouw aanzienlijk groter is dan 500 m
- Aangezien er geen concreet zicht is op de verwijdering van het bedrijfsgebouw binnen de planperiode, is het gebouw ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht. Volgens hem had de raad een uitzondering moeten maken voor bestaande gebouwen of gebouwen die reeds vergund zijn. [appellant sub 4] betoogt verder dat het plan ten onrechte niet voorziet in een uitzondering op het verbod om bouwwerken binnen het bouwvlak te realiseren op gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie 2". Hij wijst er op dat deze uitzondering wel is gemaakt voor werken en werkzaamheden, zodat niet valt in te zien waarom dit niet zou gelden voor bouwwerken. Hij wijst in dit verband op een e-mail van een ambtenaar van de gemeente van 6 december 2011, waaruit volgens hem blijkt dat dit ook de bedoeling is geweest. 14.
- Ingevolge artikel 29, lid 29.1, zijn de voor "Waarde - Archeologie 2" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming van de ter plaatse aanwezige hoge archeologische verwachtingswaarden. Ingevolge lid 29.2, aanhef en onder d, is het, voor zover hier van belang, verboden op de gronden met deze bestemming te bouwen, met uitzondering van een bouwwerk van maximaal 500 m
- Ingevolge lid 29.3 kan een omgevingsvergunning worden verleend voor afwijking van het bepaalde in lid 29.
- Ingevolge lid 29.4, onder 29.4.1 is het, voor zover hier van belang, verboden zonder omgevingsvergunning enkele in dat lid genoemde werken en werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, uit te voeren. Ingevolge lid 29.4, onder 29.4.2, aanhef en onder j, geldt dit verbod niet voor werken en werkzaamheden binnen het bouwvlak. 14.
- De raad heeft toegelicht dat het de bedoeling was dat bestaande gebouwen binnen het bouwvlak die meer dan 500 m2 groot zijn als zodanig zouden worden bestemd en dat de uitzondering genoemd in lid 29.4, onder 29.4.2, aanhef en onder j, ook voor bouwwerken binnen het bouwvlak zou gelden. 14.
- Omdat lid 29.2 geen bouwwerken groter dan 500 m2 toestaat, is het bedrijfsgebouw van [appellant sub 4] niet als zodanig bestemd. Verder is in lid 29.2 niet de uitzondering gemaakt voor het bouwen van een bouwwerk binnen het bouwvlak. Op beide punten is het plan niet in overeenstemming met de bedoeling van de raad, zodat het plan in zoverre in strijd is met de vereiste zorgvuldigheid. 14.
- In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij het bedrijfsgebouw op het perceel [locatie 7] te Oud-Gastel niet als zodanig is bestemd en daarbij in lid 29.2, geen uitzondering is opgenomen voor dat bouwwerk, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 5]
- [appellant sub 5], die een manege exploiteert op een perceel dat is gelegen tussen [locatie 8] en [locatie 9] te Oud Gastel, voert aan dat de raad aan de uitrit van zijn perceel die uitkomt op [locatie 9] ten onrechte de bestemming "Agrarisch" met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - zoekgebied ruimte voor ruimte" heeft toegekend. Hij voert aan dat het amendement dat bij de vaststelling van het besluit is aangenomen en dat behelst dat zijn perceel wordt aangemerkt als zoeklocatie voor een Ruimte-voor-ruimtewoning, op de verbeelding niet juist is verwerkt. Hierdoor is de bestemmingsregeling voor de bij de manege horende uitrit bij de vaststelling van het plan veranderd, hetgeen mogelijk belemmeringen voor het gebruik van die grond ten behoeve van de manege meebrengt. 15.
- In het ontwerpplan is aan het gehele perceel van [appellant sub 5] de bestemming "Sport" met de gebiedsaanduiding "bebouwingsconcentraties" en de functieaanduiding "manege" toegekend. 15.
- Bij amendement 33 heeft de raad, voor zover hier van belang, besloten op de verbeelding een zoeklocatie voor een nieuwe Ruimte-voor-ruimtewoning toe te voegen voor de [locatie] tussen de uitrit van de manege op [locatie 9] en de rijtjeswoningen aan [locatie 9]. 15.
- Blijkens de verbeelding is het plan op dit punt gewijzigd vastgesteld in die zin dat aan het deel van het perceel van [appellant sub 5], waar dat grenst aan [locatie 9], over de gehele breedte de bestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - zoekgebied ruimte voor ruimte" is toegekend. 15.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" bestemde gronden bestemd voor: a. agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen; (…) z. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen; (…). Ingevolge artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder b, zijn de voor "Sport" aangewezen gronden bestemd voor: a. sportdoeleinden met bijbehorende voorzieningen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van sport - sportpark"; b. een manege uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "manege"; c. aan de in sub a en b genoemde functies ondergeschikte horeca; d. parkeer- en groenvoorzieningen; e. speelvoorzieningen; f. terras, erven en terreinen; g. nutsvoorzieningen; h. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen; i. water, waterhuishoudkundige en nutsvoorzieningen. Ingevolge artikel 38, lid 38.8, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ruimte-voor-ruimte woning" met in achtneming van de in de bepaling opgenomen regels. 15.
- De Afdeling stelt vast dat de wijziging zoals die in het amendement is weergegeven niet correct is verwerkt op de verbeelding nu in het amendement staat dat een zoeklocatie voor een nieuwe ruimte-voor-ruimtewoning moet worden toegevoegd op de [locatie] tussen de uitrit van de manege op [locatie 9] en de [rijtjeswoningen], en op de verbeelding ook de uitrit deel uitmaakt van de zoeklocatie. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingsbesluit. Het betoog van [appellant sub 5] slaagt.
- In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op het deel van het bestemmingsvlak aan [locatie 9] met de bestemming "Agrarisch" dat is aangegeven op een bij deze uitspraak behorende kaart is genomen in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 6]
- [appellant sub 6] kan zich niet verenigen met de aanduiding "groenblauwe mantel" die is toegekend aan zijn gronden aan de [locatie 10] te Oud Gastel. Hij betoogt dat de aanduiding "groenblauwe mantel" onevenredig bezwarend is en beperkingen voor zijn bedrijfsvoering op het perceel met zich zal brengen. Verder is volgens hem de aanduiding niet nodig, omdat de gronden worden gebruikt voor akkerbouw en er geen waterberging aanwezig is. Voorts vreest hij dat de aanduiding tot gevolg zal hebben dat in de toekomst een natuurbestemming aan de gronden wordt toegekend. 17.
- De raad betoogt dat de aanduiding "groenblauwe mantel" een vertaling in het bestemmingsplan is van artikel 6.3 van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening). Hij wijst er op dat in de groenblauwe mantel nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn als ecologische en landschappelijke waarden behouden worden en kwaliteitsverbetering plaatsvindt. 17.
- Aan de door [appellant sub 6] bedoelde gronden zijn de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de aanduiding "groenblauwe mantel" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder a en b, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, en voor grondgebonden agrarische bedrijven. Ingevolge het bepaalde onder s, onder 1, zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapswaarden in het algemeen, en ter plaatse van de aanduiding "groenblauwe mantel" in het bijzonder voor het watersysteem en de ecologische en landschappelijk waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. In artikel 1 van de planregels is de groenblauwe mantel omschreven als: "gebieden die grenzen aan de ecologische hoofdstructuur, de ecologische verbindingszone of het zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen, en deze verbinden, zijnde gebieden met overwegend grondgebonden agrarisch gebruik en belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, onder a, van de Verordening strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheidene gebieden. Ingevolge het bepaalde onder b, stelt een dergelijk bestemmingsplan regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. 17.
- Vast staat dat de door [appellant sub 6] bedoelde gronden in de groenblauwe mantel liggen zoals aangewezen in de Verordening. De raad heeft ter uitvoering van artikel 6.3 van de Verordening de gronden van [appellant sub 6] de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de gebiedsaanduiding "groenblauwe mantel" toegekend. [appellant sub 6] heeft niet nader onderbouwd op welke wijze de bovengenoemde planregels ter bescherming van de groenblauwe mantel beperkingen opleveren voor zijn bedrijfsvoering. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in afwijking van artikel 6.3 van de Verordening Ruimte 2011 niet de aanduiding "groenblauwe mantel" had mogen toekennen aan zijn gronden. 17.
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 6] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 15], [appellant sub 14] en [appellant sub 9]
- [appellant sub 15], [appellant sub 14] en [appellant sub 9] (hierna: [appellant sub 15] en anderen) kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover daarin aan het perceel tegenover [locatie 11] (hierna: het perceel) de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - zoekgebied ruimte voor ruimte" is toegekend. Het perceel is eigendom van [appellant sub 18], die er een ruimte-voor-ruimtewoning wil bouwen. 18.
- Aan het perceel is in het plan de bestemming "Agrarisch" met de functieaanduidingen "bebouwingsconcentraties" en "specifieke vorm van agrarisch - zoekgebied ruimte voor ruimte" toegekend. 18.
- Ingevolge artikel 38, lid 38.8, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ruimte-voor-ruimte woning" met in achtneming van de volgende regels: a. De wijziging is uitsluitend mogelijk ter plaatse van de aanduiding "bebouwingsconcentratie" en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - zoeklocatie ruimte-voor-ruimte". b. Er mag een woning worden opgericht waarbij er geen sprake hoeft te zijn van het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning. c. Er dient sprake te zijn van het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit door in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of waren voor de intensieve veehouderij in combinatie met realisering van milieuwinst ter plaatse de bouw van een woning op passende locaties toe te staan. Hierbij geldt dat voldaan moet zijn aan de Beleidsregel ruimte-voor-ruimte 2006, zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant in 2005 (hierna: de Beleidsregel ruimte-voor-ruimte). d. Er wordt voldaan aan de Gebiedsvisie. e. Er dient aannemelijk te zijn dat de woning past in de omgeving en bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit gelet op de ligging en situering, de goot- en bouwhoogte, kapvorm en richting, vormgeving en materiaal gebruik, de onderlinge afstanden tot naastgelegen bebouwing in relatie tot doorzichten naar het achterliggende gebied en de grootte van het perceel. f. De woning dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn. g. De aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap en/of cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. h. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bebouwing. 18.
- Volgens het deskundigenbericht heeft het perceel een omvang van 3 ha. Het deel waarop de nieuwe woning is geprojecteerd sluit aan op de bestaande woningbouw aan die zijde van de Vierschaarstraat en heeft langs de straat een beukenhaag, die te zijner tijd het woonperceel zal afschermen van de weg. De Vierschaarstraat is volgens het deskundigenbericht een weg met een breedte van 10 meter met aan weerszijde een smalle grasberm. Aan beide zijden van de straat bevindt zich bebouwing, hoofdzakelijk burgerwoningen en enkele voormalige agrarische bedrijfswoningen. Aangezien de percelen waarop de woningen staan aan elkaar grenzen, biedt het geheel de aanblik van een bebouwingslint. Volgens het deskundigenbericht exploiteert [appellant sub 15] aan de [locatie 12], schuin tegenover het perceel, een gemengd agrarisch bedrijf. Hij heeft rundvee gehuisvest in drie stallen, en schapen in een stal, terwijl de schapen ook veel op het land staan. Daarnaast beschikt [appellant sub 15] over 30 ha agrarisch bouwland, grenzend aan zijn woonkavel. [appellant sub 15] heeft een milieuvergunning van 2 maart 2007, die is verleend op het moment dat [appellant sub 15] zijn bedrijf heeft uitgebreid met een nieuwe stal. [appellant sub 14] woont op het adres [locatie 11], recht tegenover het perceel, en heeft daar vanuit zijn woning zicht op. [appellant sub 9] woont op [locatie 13], schuin tegenover het perceel en heeft daar, vanwege de aanwezige beplanting op zijn eigen perceel, alleen vanuit de noordwestelijke hoek van de woning zicht op, aldus het deskundigenbericht.
- [appellant sub 15] en anderen voeren aan dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat op het perceel op grond van de Gebiedsvisie de bouw van een woning mogelijk is. Onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzitter van 22 april 2011, zaak nr. 201103432/1/H1 en 201103432/2/H1, voeren zij aan dat aan de Vierschaarstraat geen sprake is van een bebouwingsconcentratie of bebouwingslint en dat de Gebiedsvisie niet is geaccordeerd door de provincie, zodat die geen basis kan bieden voor toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling. Daarbij is het plan in strijd met artikel 2.2 van de Verordening omdat het niet voorziet in een aantoonbare en uitvoerbare kwaliteitsverbetering van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of recreatiemogelijkheden, en is het ook in strijd met artikel 11.2 en 11.3 van de Verordening omdat geen sloop met te realiseren milieuwinst planologisch is verzekerd. 19.
- De raad betoogt dat de in de Gebiedsvisie als bebouwingsconcentratie aangewezen gebieden ook in het plan als zodanig zijn aangemerkt en dat het plan op dit punt in werking is getreden zonder dat daarvoor een reactieve aanwijzing is gegeven, zodat het betoog dat de Gebiedsvisie niet is geaccordeerd, geen doel treft. Voorts heeft het college de reactieve aanwijzing die voor het perceel was gegeven ingetrokken, zodat er vanuit moet worden gegaan dat het college instemt met de bestemmingsregeling voor het perceel. 19.
- Ingevolge artikel 11.2, eerste lid, van de Verordening kan in afwijking van artikel 11.1, eerste lid, een bestemmingsplan dat is gelegen in een bebouwingsconcentratie binnen de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen waarbij er geen sprake behoeft te zijn van het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat. Ingevolge het tweede lid blijkt uit de verantwoording, bedoeld in het eerste lid, dat: a. het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen te verzekeren waarbij de bepaling inzake de kwaliteitsverbetering van het landschap, bedoeld in artikel 2.2, niet van toepassing is; b. is verzekerd dat is voldaan aan de op grond van artikel 11.3 gestelde nadere regels; (…). Ingevolge artikel 11.3, eerste lid, stelt het college van gedeputeerde staten nadere regels ten aanzien van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 11.2, in verband met het beleid om ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of waren voor de intensieve veehouderij in combinatie met realisering van milieuwinst ter plaatse de bouw van woningen op passende locaties toe te staan. Ingevolge het tweede lid wordt, zolang nadere regels, als bedoeld in het eerste lid, nog niet zijn vastgesteld en in werking zijn getreden, de Beleidsregel ruimte-voor-ruimte aangemerkt als nadere regels, als bedoeld in het eerste lid. 19.
- Op grond van het plan maakt het perceel, in overeenstemming met de Gebiedsvisie, deel uit van een langs de Vierschaarstraat gelegen bebouwingsconcentratie. Tevens is het perceel in de Gebiedsvisie aangemerkt als zoeklocatie voor de toevoeging van extra bebouwing. Dat de toekenning van de gebiedsaanduiding "bebouwingsconcentraties" ter plaatse van het perceel in strijd moet worden geacht met de Verordening hebben [appellant sub 15] en anderen niet aannemelijk gemaakt. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2011 is daartoe onvoldoende, reeds omdat die uitspraak betrekking heeft op een ander perceel aan de oostzijde van de Vierschaarstraat. De beoogde woning - die eerst gerealiseerd kan worden met gebruikmaking van een wijzigingsbevoegdheid - gaat deel uitmaken van een bebouwingslint aan de westzijde van de straat. Voorts is niet relevant dat de Gebiedsvisie niet is geaccordeerd door de provincie omdat de beleidsnota Buitengebied in Ontwikkeling, waarin het vereiste van accordering was opgenomen, inmiddels is ingetrokken. Wat betreft het betoog dat de planregeling in strijd is met artikel 2.2 van de Verordening overweegt de Afdeling dat die bepaling ingevolge artikel 11.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening niet van toepassing is op de bestreden planregeling. Voor zover [appellant sub 15] en anderen betogen dat de planregeling in strijd is met artikel 11.3 van de Verordening omdat op het perceel geen agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig zijn die kunnen worden gesloopt overweegt de Afdeling dat, zoals de raad ter zitting heeft toegelicht, op grond van de Beleidsregel ruimte-voor-ruimte niet vereist is dat bedrijfsgebouwen worden gesloopt op dezelfde locatie als die waar de ruimte-voor-ruimtewoning mogelijk wordt gemaakt. Dit is tevens tot uitdrukking gebracht in artikel 11.3 van de Verordening, waarin staat dat de bouw van woningen kan worden toegestaan op een passende locatie en niet dat die dient plaats te vinden ter plaatse van de gesloopte bedrijfsgebouwen. Wat betreft de door [appellant sub 9] geuite twijfel of [appellant sub 18] al over de benodigde bouwtitel beschikt overweegt de Afdeling dat eerst bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid aan de gestelde voorwaarde dient te worden voldaan.
- [appellant sub 15] en anderen voeren aan dat op grond van de vergunde situatie de geurcontour van het bedrijf van [appellant sub 15] over het perceel loopt, zodat daar niet wordt voldaan aan de wettelijke norm van 8 ou/m
- Hierdoor moet er vanuit worden gegaan dat ter plaatse in beginsel geen goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd, tenzij is gemotiveerd dat dat wel het geval is. Een dergelijke motivering ontbreekt. Ook is het perceel gelegen op kortere afstand van de in zijn vergunning voorgeschreven 50 meter, zodat het plan de bedrijfsvoering van [appellant sub 15] zal schaden omdat de nieuwe bewoners zullen gaan klagen over stank. 20.
- De raad betoogt onder verwijzing naar het rapport "Geuraspect veehouderij i.v.m. woningbouwplannen Vierschaarstraat Oud Gastel" van 20 maart 2008 van de Regionale Milieudienst (hierna: het RMD-rapport) dat de bestaande woningen in de nabijheid van het bedrijf van [appellant sub 15] de mogelijkheden van de veehouderij al zodanig beperken dat nieuwbouw op het perceel geen verdere beperking meebrengt. Voorts stelt de raad dat voor het realiseren van de ruimte-voor-ruimtewoning nog een wijzigingsprocedure zal moeten worden gevolgd, waarbij zo nodig nadere eisen kunnen worden gesteld aan de locatie van de nieuw te bouwen woning. 20.
- In het RMD-rapport staat dat er, gerekend met de emissiepunten die zijn vergund, geen overbelaste situatie op het perceel zal ontstaan. Indien wordt gerekend vanaf de relevante hoekpunten van het bouwvlak van [appellant sub 15] ligt de bepalende geurcontour van 8 ou/m3 volgens het rapport over een deel van het perceel. Deze contour komt dan blijkens figuur 4 van het rapport echter ook over de bestaande woningen Lange Dreef 2 en [locatie 11] te liggen. Dit brengt mee dat de raad zich met juistheid op het standpunt stelt dat uitbreidingsmogelijkheden van [appellant sub 15] op het deel van zijn bouwvlak dat het dichtst bij het perceel ligt al worden beperkt door de bestaande woningen. Uit figuur 5 van het rapport blijkt voorts dat bij een zogenoemde reële benadering, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande woningen, de 8 ou/m3 contour bij een eventuele uitbreiding van het bedrijf van [appellant sub 15] slechts over een klein deel van het perceel komt te liggen. Voorts ligt, gemeten vanaf het relevante hoekpunt, de 50 meter contour die geldt voor dieren waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld over een klein deel van het perceel. Nu het grootste deel van het perceel buiten laatstgenoemde contouren ligt valt niet in te zien dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid de nieuwe woning niet zo kan worden gesitueerd dat de uitbreidingsmogelijkheden van [appellant sub 15] daardoor niet verder worden belemmerd dan in de bestaande situatie reeds het geval is. Dit blijkt ook uit de situatietekening bij de notitie van de RMD van 19 november 2008 waarop de nieuwe woning op grotere afstand van de Vierschaarstraat staat geprojecteerd. Dit brengt tevens mee dat niet aannemelijk is dat op het perceel geen woning kan worden gebouwd waarvoor wat het aspect geur betreft geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Het betoog slaagt niet.
- [appellant sub 15] voert verder aan dat hij in zijn bedrijfsvoering zal worden belemmerd omdat hij als gevolg van de woonbestemming niet meer de hem vergunde hoeveelheid geluid zal mogen produceren. Het plan tast de hem vergunde rechten ten onrechte aan. 21.
- De raad betoogt dat de afstand van het bedrijf van [appellant sub 15] tot de omliggende burgerwoningen vanwege het aspect geluid 30 meter dient te zijn, en dat het perceel op grotere afstand ligt, zodat zich op het punt geluid geen problemen zullen voordoen. 21.
- Blijkens de verbeelding is de kortste afstand van de rand van het bouwvlak van [appellant sub 15] en het perceel ongeveer 25 meter. Nu ingevolge artikel 24, lid 24.2, onder 24.2.1, onder b, de afstand van gebouwen tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder dan 15 meter mag bedragen en de weg volgens het deskundigenbericht ter plaatse 10 meter breed is, zal de afstand van het bouwvlak van [appellant sub 15] en de woning minimaal 35 meter bedragen. Blijkens de verbeelding bevindt de woning aan de [locatie 11] zich op ongeveer 40 meter van het bouwvlak van [appellant sub 15]. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat, zoals volgt uit 20.2, niet aannemelijk is dat de woning op een afstand van 35 meter van het bouwvlak van [appellant sub 15] mogelijk gemaakt zal worden, is er geen grond voor het oordeel dat het plan met het oog op het aspect geluid een belemmering zal vormen voor (mogelijke uitbreiding van) de bedrijfsvoering van [appellant sub 15].
- [appellant sub 15] en anderen voeren aan dat het bestemmingsplan de open structuur tegenover hun woningen aantast door een nieuwe woning mogelijk te maken die 9 meter hoog mag worden. Dit tast tevens hun uitzicht en privacy en de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden aan. [appellant sub 9] voert daarbij aan dat het gaat om een zeer omstreden planregeling, waarover veel zienswijzen zijn ingediend, door velen is ingesproken en een door 55 omwonenden ondertekende petitie is ingediend waarin wordt gevraagd de locatie onaangetast te laten. Juist daarom had de raad goed moeten motiveren waarom hij vindt dat deze locatie met cultuurhistorische en landschappelijke waarden mag worden aangetast door woningbouw. 22.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de nieuwe woning voor het bestaande bos zal worden gesitueerd - een meer noordelijke situering is niet mogelijk in verband met milieucontouren - zodat de zichtlijn naar het open gebied niet zal worden aangetast. Gelet op de afstand van de nieuwe woning tot de woningen van [appellant sub 15] en anderen valt niet in te zien dat de nieuwe woning de privacy van [appellant sub 15] en anderen onevenredig zal schaden. Voorts heeft het gebied geen bijzondere cultuurhistorische waarden en een lage archeologische verwachtingswaarde en wordt door het vrijhouden van de hoek Lange Dreef/Vierschaarstraat voldoende rekening gehouden met de kwaliteiten van het gebied. Daarbij zal de woning architectonisch worden afgestemd op het stedenbouwkundige beeld ter plaatse en zal te zijner tijd in het beeldkwaliteitsplan ingegaan worden op onder meer de situering van de woning en de landschappelijke inpassing, aldus de raad. 22.
- De woningen van [appellant sub 14] en [appellant sub 9] staan op ongeveer 20 meter en de woning van [appellant sub 15] staat op ongeveer 30 meter van de Vierschaarstraat. Nu het perceel aan de andere kant van de Vierschaarstraat ligt en de afstand van gebouwen tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder dan 15 meter mag bedragen en de weg volgens het deskundigenbericht ter plaatse 10 meter breed is, zal de afstand van de nieuwe woning tot de woningen van [appellant sub 14] en [appellant sub 9] minimaal 40 meter en tot de woning van [appellant sub 15] minimaal 50 meter bedragen. Gelet daarop en mede in aanmerking genomen dat de woningen van [appellant sub 15] en anderen op een onderlinge afstand van 20 tot 40 meter van elkaar liggen, kan niet worden staande gehouden dat het plan een zodanige aantasting van de privacy van [appellant sub 15] en anderen meebrengt dat de raad het niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Hetzelfde geldt voor de mogelijke aantasting van het uitzicht van [appellant sub 15] en anderen. Mede gelet op de omvang van het perceel is niet aannemelijk dat geen toepassing van de wijzigingsbevoegdheid mogelijk is die niet tot een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht van [appellant sub 15] en anderen zal leiden. Blijkens de als bijlage bij het deskundigenbericht gevoegde Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie is de beplanting langs de Lange Dreef aangemerkt als historisch groen. Tevens zijn op de kaart twee aanduidingen met betrekking tot zichtrelaties opgenomen. Het perceel ligt echter ongeveer 50 meter ten zuiden van de Lange Dreef en niet ter plaatse van de aangeduide zichtrelaties. Nu voorts niet aannemelijk is gemaakt dat het perceel zelf, dat bestaat uit grasland, bijzondere kwaliteiten heeft, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het plan voldoende rekening wordt gehouden met de kwaliteiten van het gebied en is er geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Voorts wijst de Afdeling er in dit verband op dat in artikel 38, lid 38.8, aanhef en onder g, is bepaald dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid de aanwezige of potentiële waarden van bodem, water, natuur, landschap en/of cultuurhistorische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast.
- Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het betoog van [appellant sub 15] en anderen dat de planregeling voor het perceel zal leiden tot een zodanige waardedaling van de omringende onroerende zaken dat het plan niet uitvoerbaar zal blijken, geen doel treft.
- De beroepen van [appellant sub 15] en anderen zijn ongegrond. Het beroep van [appellant sub 7]
- [appellant sub 7] betoogt dat het plan onzorgvuldig is voorbereid, nu eerst bij brief van 25 november 2011, en dus na vaststelling van het plan, op zijn zienswijze is gereageerd. 25.
- De raad is in de Nota zienswijzen, die samen met het bestreden besluit is vastgesteld, ingegaan op de zienswijze van [appellant sub 7]. Het betoog mist derhalve feitelijke grondslag.
- [appellant sub 7], die woont op het perceel [locatie 14] te Hoeven, kan zich niet verenigen met het plan, voor zover daarbij de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "maatschappelijk - orthopedagogiepraktijk" is toegekend aan het perceel [locatie 15]. [appellant sub 7] voert aan dat de raad er ten onrechte van is uitgegaan dat de activiteiten op het perceel, die bestaan uit orthopedagogische paardrijlessen en paardrijlessen voor kinderen zonder beperking, als bedrijfsmatig moeten worden aangemerkt. Volgens hem zijn de paardrijlessen hobbymatig en is een bestemmingswijziging dus niet gerechtvaardigd. Volgens hem is het plan in strijd met het verbod op détournement de procedure, nu de bestemming enkel is toegekend om een overkapping van de paardenbak mogelijk te maken. 26.
- Aan het perceel [locatie 15] is de bestemming "Maatschappelijk" toegekend en de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - orthopedagogiepraktijk". Ingevolge artikel 14, lid 14.1, onder c, van de planregels zijn de gronden met deze bestemming en aanduiding bestemd voor een orthopedagogiepraktijk. Ingevolge lid 14.2 in samenhang met de verbeelding is de maximum bouwhoogte 6 meter en de maximum oppervlakte 880 m
- Ingevolge lid 14.2, onder 14.2.5, aanhef en onder c, geldt voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat paardenbakken niet zijn toegestaan. In artikel 1 is "bedrijfsmatig" omschreven als "in uitoefening van een bedrijf". Een bedrijf is omschreven als een onderneming gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen. 26.
- Anders dan waarvan partijen uitgaan, voorziet het plan gelet op artikel 14, lid 14.2, onder 14.2.5, aanhef en onder c, van de planregels niet in een paardenbak ter plaatse van het perceel [locatie 15] te Hoeven. Nu het plan niet voorziet in de door [appellant sub 7] betwiste ontwikkeling, mist het betoog feitelijke grondslag. Daarbij merkt de Afdeling op dat voor een overkapping van de reeds bestaande paardenbak een nieuw plan dient te worden opgesteld dan wel een vergunning voor het afwijken van het plan moet worden verleend en dat [appellant sub 7] hiertegen desgewenst rechtsmiddelen kan aanwenden. 26.
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 7] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 13]
- [appellant sub 13] kan zich niet verenigen met het plan voor zover daarbij de bestemming "Kantoor" is toegekend aan zijn perceel [locatie 16] te Oudenbosch. Aangezien op dit perceel zijn woning met garage staat, had volgens hem een woonbestemming moeten worden toegekend. 27.
- De raad stelt zich op het standpunt dat in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om de bestemming "kantoor" te wijzigen in de bestemming "Wonen". Een verzoek om van deze wijzigingsbevoegdheid gebruik te maken is evenwel nog niet ontvangen. 27.
- Aan het perceel van [appellant sub 13] is de bestemming "Kantoor" toegekend. Ingevolge artikel 13, lid 13.1, van de planregels zijn de voor "Kantoor" aangewezen gronden bestemd voor: a. kantoren; b. één bedrijfswoning per bestemmingsvlak waarbij geldt dat ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" het aantal bedrijfswoningen niet meer mag bedragen dan is aangegeven; c. aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven; (...). Ingevolge lid 13.6, onder 13.6.2 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd onder voorwaarden deze bestemming te wijzigen in de bestemming "Wonen" voor zover het de voormalige bedrijfswoning betreft. In artikel 1 is een bedrijfswoning omschreven als een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is. 27.
- In het hiervoor geldende plan "Buitengebied, deelgebieden Hoeven en Oudenbosch" was aan het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding B21 toegekend. Ingevolge artikel 18, lid 1, aanhef en onder B21, waren deze gronden bestemd voor kantoren. In lid 2 is bepaald dat op deze gronden in verband met de bestemming zijn toegelaten: a. bedrijfsgebouwen b. één bedrijfswoning (...). In artikel 1, onder 19, van dat plan is een bedrijfswoning/dienstwoning omschreven als een woning in of bij een gebouw of op een terrein, te bewonen door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op het feitelijk gebruik van het gebouw en/of het terrein in overeenstemming met de bestemming. 27.
- Niet gebleken is dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan voor de raad een indicatie bestond dat aan het perceel niet een kantoorbestemming maar een woonbestemming had moeten worden toegekend. Mede gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, nu het plan in overwegende mate conserverend van aard is, een kantoorbestemming aan het perceel kon worden toegekend. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat [appellant sub 13] kan verzoeken om de bestemming te wijzigen naar een woonbestemming. 27.
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 13] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 8] en [appellant sub 31]
- [appellant sub 8] en [appellant sub 31] kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover de dubbelbestemming "Leiding" en de aanduiding "hartlijn leiding - gas" zijn toegekend aan hun percelen aan de Roosendaalsebaan in Bosschenhoofd. Zij voeren aan dat het tracé van de leiding niet overeenkomt met de voorgenomen plaatsing van de gasleiding door de Gasunie. 28.
- De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het tracé van de leiding is gewijzigd. Voor het gewijzigde tracé is inmiddels een omgevingsvergunning verleend en onherroepelijk geworden. Volgens hem is het plan in zoverre niet correct vastgesteld en kan het beroep gegrond worden verklaard. 28.
- Aan de door [appellant sub 8] en [appellant sub 31] bedoelde gronden is onder meer de dubbelbestemming "Leiding" en de aanduiding "hartlijn leiding - gas" toegekend. Ingevolge artikel 25, lid 25.1, aanhef en onder b zijn de voor "Leiding" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een gasleiding, ter plaatse van de aanduiding "hartlijn leiding - gas". 28.
- Nu de raad zich op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat deze onderdelen betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. 28.
- In hetgeen [appellant sub 8] en [appellant sub 31] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Leiding" en de aanduiding "hartlijn leiding - gas" ter plaatse van het perceel [locatie 17] te Bosschenhoofd is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van de BMF en de IVN
- De BMF en de IVN betogen dat het plan voorziet in ruime uitbreidings- en omschakelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven en intensieve veehouderijen. Zij wijzen er verder op dat het plan het mogelijk maakt dat bouwruimte, die tot dusver onbenut is gebleven, wordt opgevuld. Voorts betogen de BMF en de IVN dat het plan voorziet in de bouw van grote oppervlaktes aan teeltondersteunende voorzieningen (hierna: TOV), hetgeen negatieve gevolgen kan hebben voor het watersysteem en de waterkwaliteit in het plangebied, de leefgebieden van beschermde dier- en plantensoorten en landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Gelet hierop hadden een passende beoordeling en een milieueffectrapport (hierna: MER) moeten worden gemaakt. 29.
- De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontwikkelingsmogelijkheden van het plan beperkt zijn en dat om die reden geen MER is opgesteld of voortoets op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998). Hij stelt zich op het standpunt dat op het gebied van water, bodem, landschap, cultuurhistorie, geur, geluid, luchtkwaliteit, archeologie en externe veiligheid niet zodanig negatieve effecten zijn te verwachten dat een MER noodzakelijk is. Ten aanzien van de emissie van ammoniak stelt de raad dat ten opzichte van de vigerende planologische mogelijkheden alleen de ontwikkelingsmogelijkheden voor grondgebonden bedrijven enigszins toenemen. Er worden geen nieuwe agrarische bedrijven direct bij recht mogelijk gemaakt en een groot aantal voormalige agrarische bedrijven is niet meer als zodanig bestemd wegens bedrijfsbeëindiging. Van de overgebleven agrarische bedrijven mogen alleen bestaande intensieve veehouderijen onder voorwaarden uitbreiden tot 1,5 hectare. Daarnaast zijn nieuwe intensieve veehouderijen alleen nog als neventak mogelijk op locaties van reeds bestaande agrarische bedrijven. Deze mogelijkheid bestaat enkel in het agrarisch gebied, is mogelijk tot een omvang van maximaal 1 hectare, en kan enkel op zogeheten duurzame locaties. Ook zal volgens de raad het aantal veehouderijen dat feitelijk nog kan uitbreiden gering zijn, omdat enerzijds de behoefte niet meer bestaat en anderzijds de financiële en milieukundige mogelijkheden ontbreken. Hoewel enkele relatief grootschalige agrarische bedrijven en bedrijven die intensieve veehouderij als hoofd- of neventak hebben naar verwachting zullen groeien, zal gezien de huidige landelijke trends, die ook in Halderberge gelden, op termijn een groot aantal bedrijven op termijn afbouwen. Over de ammoniakdepositie op Natura 2000-gebieden heeft de raad gesteld dat drie van dergelijke gebieden in de omgeving van het plan liggen, te weten Brabantse Wal, Krammer Volkerak en Hollands Diep. Wat betreft de toerekenbaarheid van de effecten van de deposities vanwege een agrarisch bedrijf, kan een afstand van 10 km tussen de bron en het gebied worden aangehouden. De afstand tussen Brabantse Wal en het plangebied is volgens de raad minimaal 10 km, zodat de effecten van het plan hierop niet zijn beoordeeld. Binnen een afstand van 10 km vanaf Krammer Volkerak liggen vijf agrarische bedrijven. Volgens de raad zijn deze echter relatief kleinschalig en worden zij in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt door de ligging ten opzichte van omliggende gevoelige objecten, zodat op voorhand een toename van de ammoniakdepositie kan worden uitgesloten. Met betrekking tot Hollands Diep heeft de raad gesteld dat binnen een afstand van 10 km zes agrarische bedrijven voorkomen, die een grote omvang hebben en niet worden beperkt door omliggende gevoelige objecten. Vanwege de lage achtergrondconcentratie voor dit gebied en de trend dat de ammoniakdepositie in Nederland afneemt, zal volgens de raad de uitbreiding van deze zes agrarische bedrijven evenwel geen bezwaar zijn. 29.
- Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied. Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Ingevolge het vierde lid maakt de passende beoordeling van deze plannen deel uit van de ter zake van die plannen voorgeschreven milieueffectrapportage. Ingevolge artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt een milieueffectrapport gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet
- 29.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen. Ingevolge het bepaalde onder b zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding: (...)
- "intensieve veehouderij" tevens intensieve veehouderijen zijn toegestaan;
- "specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij" tevens een neventak intensieve veehouderij bij een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen. Ingevolge het bepaalde onder b, zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding: (...)
- "intensieve veehouderij" tevens intensieve veehouderijen zijn toegestaan. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen. Ingevolge het bepaalde onder b zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding: (...)
- "intensieve veehouderij" tevens intensieve veehouderijen zijn toegestaan. In artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.3, aanhef en onder c, van de planregels is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die betrekking heeft op het vergroten van bouwvlakken van intensieve veehouderijen op gronden met de bestemming "Agrarisch" die kleiner zijn dan 1,5 hectare, onder diverse voorwaarden, waaronder dat de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar dient te zijn vanuit milieuoogpunt en ruimtelijk oogpunt, tot 1,5 hectare. In artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.3, aanhef en onder b, is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om eenmalig bouwvlakken van intensieve veehouderijen op gronden met de bestemming "Agrarisch - Natuur- en landschapswaarden" tot 1,5 hectare of meer en die geheel zijn benut te vergroten, uitsluitend ten einde te kunnen voldoen aan de huisvestingseisen voortvloeiend uit het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en uit de op grond van de Gezondsheids- en welzijnswet voor dieren gestelde eisen. Deze eenmalige vergroting is tot 1 januari 2013 toegestaan en onder diverse voorwaarden, waaronder dat er geen sprake mag zijn van milieuhygiënische belemmeringen. In artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.6, artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.
- en artikel 5, lid 5.7, lid 5.7.4 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor gronden met de bestemming "Agrarisch", onderscheidenlijk "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden" om aan de bouwvlakken binnen die bestemmingen zonder de aanduiding "intensieve veehouderij" deze aanduiding toe te voegen. In deze artikelleden zijn diverse voorwaarden opgenomen voordat van deze bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt, waaronder dat de omschakeling naar intensieve veehouderij enkel is toegestaan als het bouwvlak op een duurzame locatie ligt. 29.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder n, mogen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen" permanente TOV worden gerealiseerd. Artikel 4, lid 4.1, onder h, en artikel 5, lid 5.1 onder h, kennen een soortgelijke regeling. Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.8, zijn permanente TOV uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen" mag de oppervlakte niet meer bedragen dan 2,5 hectare en de hoogte niet meer dan 4,5 meter. Lid 4.2, onder 4.2.7 en lid 5.2, onder 5.2.7, kennen een soortgelijke regeling. Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.9, lid 4.2, onder 4.2.8 en lid 5.2, onder 5.2.8, alle onder a, sub 7, geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat binnen het bouwvlak de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan 4,5 meter. Ingevolge het bepaalde onder b, sub 2 en 3 van deze artikelleden mag buiten het bouwvlak de bouwhoogte van tijdelijke TOV niet meer bedragen dan 4,5 meter, waarbij geldt dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 2,5 hectare. De bouwhoogte van overige TOV mag niet meer dan 4,5 meter bedragen. Ingevolge lid 4.3, onder 4.3.8, onder d en e, en lid 5.3, onder 5.3.8, onder d en e, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.2, onder 4.2.8 en lid 5.2, onder 5.2.8, beide onder b, voor het bouwen van tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - aardkundig waardevol gebied" danwel de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - kwetsbare soorten", mits wordt aangetoond dat deze waarden niet onevenredig worden aangetast. Ingevolge lid 3.4, onder 3.4.2, lid 4.4, onder 4.4.2 en lid 5.4, onder 5.4.2, alle aanhef en onder a en b, is bepaald dat het gebruik van de gronden buiten het bouwvlak voor tijdelijke en overige TOV voor zover deze geen bouwwerken zijn, is toegestaan onder de voorwaarden dat de bouwhoogte niet meer is dan 4,5 meter en de oppervlakte van tijdelijke TOV niet meer bedraagt dan 2,5 hectare. Ingevolge lid 4.5, onder 4.5.2 en lid 5.5, onder 5.5.2, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder 4.4.2 en onder lid 5.4.2 voor het bouwen van tijdelijke en/of overige teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - aardkundig waardevol gebied" dan wel de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - kwetsbare soorten", mits wordt aangetoond dat deze waarden niet onevenredig worden aangetast Ingevolge lid 3.7, onder 3.7.7, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen door vergroting van het bouwvlak en het toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorziening", uitsluitend voor de bouw van permanente TOV. Voorwaarde hiervoor is onder andere dat het bestaande bouwvlak geen ruimte meer biedt voor permanente TOV en dat de totale oppervlakte van het bouwvlak niet meer dan 4,5 hectare bedraagt, waarvan minstens 2,5 hectare wordt ingenomen door TOV en dat de wijziging gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap en/of cultuurhistorische en/of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied. Lid 4.7, onder 4.7.5 en lid 5.7, onder 5.7.5 kennen een soortgelijke regeling. 29.
- Niet is in geschil dat binnen de agrarische bouwvlakken in het plan nog niet gerealiseerde bouwmogelijkheden bestaan, waardoor een feitelijke uitbreiding van de agrarische bedrijven ter plaatse niet is uitgesloten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 200906702/1/R3) dient de raad de aanvaardbaarheid van een bestemmingsplan bij het vaststellen (opnieuw) te bezien, mede in relatie tot de op het moment van vaststelling geldende regelgeving. Dat deze bouwvlakken voor agrarische bedrijven overeenkomen met de bouwvlakken in het voorheen geldende plan, leidt derhalve niet tot het oordeel dat het plan op dit punt in overeenstemming is met artikel 19j van de Nbw 1998 en dat inzichtelijk is of voor uitbreiding geen passende beoordeling nodig is. Niet is gebleken dat de raad de mogelijke gevolgen van de genoemde uitbreidingsmogelijkheden voor de Natura 2000-gebieden heeft onderzocht. Het betoog slaagt in zoverre. 29.
- Voorts zijn op de bestreden plandelen wijzigingsbevoegdheden van toepassing voor een vergroting van het bouwvlak van agrarische bedrijven en intensieve veehouderijen en de omschakeling van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij. De toepassing van deze wijzigingsbevoegdheden is in het plan niet begrensd. Nu met de uitbreiding van een bouwvlak en de omschakeling naar een intensieve veehouderij de veestapel en de stikstof- en ammoniakdepositie kan toenemen, kunnen die wijzigingsbevoegdheden leiden tot significante negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden Brabantse Wal, Krammer Volkerak en Hollands Diep. Niet is gebleken dat de raad de mogelijke effecten van deze wijzigingsbevoegdheden heeft onderzocht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 december 2012 in zaak nr. 201109053/1/R2) dient bij de beoordeling van de effecten van het plan op de natuurlijke kenmerken van omliggende Natura 2000-gebieden te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden die het plan biedt. Die verplichting hangt mede samen met het uitgangspunt dat opname van een wijzigingsbevoegdheid inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. Dat volgens de raad in de toekomst agrarische bedrijven hun bedrijfsactiviteiten zullen staken of niet meer kunnen uitbreiden, leidt niet tot het oordeel dat de raad zonder meer van een afname van het veebestand heeft kunnen uitgaan. Daarbij betrekt de Afdeling dat in de plantoelichting weliswaar is vermeld dat de hoeveelheid pluimvee en rundvee en ook de oppervlakte aan agrarische bedrijven afneemt, maar dat het aantal varkens sinds 2000 een stijgende trend kent. De omstandigheid dat voor de wijzigingsbevoegdheden diverse voorwaarden zijn opgenomen, zoals dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen mogen zijn, maakt voorts niet dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan de mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden niet hoeft te beoordelen. Voor zover de raad stelt dat bij specifieke ontwikkelingen te zijner tijd een meer gedetailleerde afweging nodig is, waarbij aandacht aan stikstofdepositie als gevolg van deze ontwikkelingen besteed moet worden, overweegt de Afdeling dat dit de raad niet ontslaat van de verplichting om reeds bij de vaststelling van het plan te beoordelen of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en artikel 19j van de Nbw, zoals de Afdeling eveneens heeft overwogen in de bovengenoemde uitspraak van 5 december
- Het betoog slaagt in zoverre. 29.
- Met betrekking tot de permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen overweegt de Afdeling dat in het deskundigenbericht is vermeld dat door de ligging van de percelen met een agrarische bestemming de planregels het mogelijk maken dat grootschalige aaneengesloten teeltondersteunende voorzieningen worden gerealiseerd. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt of en zo ja in welke mate deze grootschalige teeltondersteunende voorzieningen invloed hebben op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, waaronder de effecten op de waterhuishouding en de waterkwaliteit. Het betoog slaagt in zoverre. 29.
- Gelet op hetgeen is overwogen onder 29.5 tot en met 29.7 heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat het plan in zoverre is vastgesteld in overeenstemming met artikel 19j van de Nbw
- Gelet op artikel 7.2a van de Wet milieubeheer is evenmin inzichtelijk gemaakt of een MER achterwege kon blijven. 29.
- In hetgeen de BMF en de IVN hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de aanduiding "bouwvlak", "intensieve veehouderij" en "neventak intensieve veehouderij" en artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.3, onder c, lid 3.7, onder 3.7.6, artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.4, lid 5.7, onder 5.7.3, onder b, en lid 5.7, onder 5.7.4 en voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Agrarisch, "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen" en lid 3.2, onder 3.2.8 en onder 3.2.9, onder b, sub 2 en 3, lid 3.4, onder 3.4.2, lid 3.7, onder 3.7.7, lid 4.2, onder 4.2.7 en onder 4.2.8, onder b, sub 2 en 3, lid 4.3, onder 4.3.8, onder d en e, lid 4.4, onder 4.4.2, lid 4.5, onder 4.5.2, lid 4.7, onder 4.7.5, lid 5.2, onder 5.2.7 en onder 5.2.8, onder b, sub 2 en 3, lid 5.3, onder 5.3.8, onder d en e, lid 5.4, onder 5.4.2, lid 5.5 onder 5.5.2 en lid 5.7, onder 5.7.
- De BMF en de IVN kunnen zich niet verenigen met de mogelijkheden voor vergroting van en omschakeling naar intensieve veehouderij die in het plan zijn opgenomen. Zij betogen dat in artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.6, artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.4 en artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.4 onder meer als voorwaarde voor omschakeling is opgenomen dat de intensieve veehouderij op een duurzame locatie moet zijn gevestigd. Verder is het begrip duurzame locatie in het plan ruimer omschreven dan in de Verordening Ruimte 2011, zodat binnen vrijwel iedere agrarische bestemming binnen het plangebied een omschakeling naar een intensieve veehouderij mogelijk is. 30.
- In artikel 1 van de planregels is een duurzame locatie gedefinieerd als een "bestaand agrarisch bouwvlak met een zodanige ligging dat het zowel vanuit milieuoogpunt (ammoniak, stank en dergelijke) als vanuit ruimtelijk oogpunt (natuur, landschap en dergelijke) verantwoord is om ter plaatse uit te breiden. In artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.3, onder c, aanhef en onder 1 tot en met 4, zijn de voorwaarden vermeld waaronder bouwvlakken voor intensieve veehouderij kunnen worden vergroot. Deze voorwaarden luiden: (...)
- aanwezig zijn aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn die noodzaken tot uitbreiding ter plaatse;
- zuinig ruimtegebruik wordt toegepast door aan te sluiten bij bestaande bebouwing of, al dan niet door herschikking, optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte;
- de beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in het bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar is. Deze voorwaarden zijn eveneens opgenomen in de hierboven onder 29.3 weergegeven andere wijzigingsbevoegdheden. Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening Ruimte 2011 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied bepalen dat hervestiging van en omschakeling naar intensieve veehouderij is toegestaan op een duurzame locatie tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor goede landschappelijke inpassing. Ingevolge het bepaalde onder d kan een bestemmingsplan voorts op een duurzame locatie voorzien in de uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 hectare tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare. Ingevolge het tweede lid dient ten aanzien van een duurzame locatie uit de toelichting bij een bestemmingsplan te blijken dat: a. aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot hervestiging, omschakeling of uitbreiding ter plaatse; b. zuinig ruimtegebruik wordt toegepast door aan te sluiten bij bestaande bebouwing of, al dan niet door herschikking, optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte; c. de beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijn stof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie aanvaardbaar is. 30.
- De Afdeling constateert dat de in de planregels opgenomen voorwaarden waaronder van de wijzigingsbevoegdheden gebruik kan worden gemaakt overeenstemmen met de in artikel 9.3, tweede lid, van de Verordening Ruimte 2011 weergegeven omschrijving van een duurzame locatie. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen de BMF en de IVN hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat in het plan het begrip "duurzame locatie" onvoldoende concreet is omschreven en dat dit begrip onvoldoende duidelijk is. Evenmin ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat het plan een ruimere omschrijving geeft van het begrip "duurzame locatie" dan de Verordening Ruimte
- Het betoog faalt.
- De BMF en de IVN betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden. Volgens hen berusten de onderzoeken die ten grondslag hebben gelegen aan het plan op verouderde onderzoeken van de provincie Noord-Brabant en onderzoeken die ten grondslag hebben gelegen aan het hiervoor geldende plan. Zij voeren aan dat de onderzoeken op grond waarvan bepaalde gebieden niet zijn bestemd als gebieden met natuur-, landschaps en cultuurhistorische waarden, niet bij de toelichting bij het plan zijn gevoegd, zodat niet is na te gaan of geen te beschermen waarden meer aanwezig zijn. Verder hadden waardevolle gebieden als historische groenstructuren, zichtlijnen en molenbiotopen in het plan als cultuurhistorische en landschappelijke waarden moeten worden bestemd. De BMF en de IVN betogen voorts dat de openheid in het plangebied niet is gewaarborgd. Deze waarde is volgens hen kenmerkend voor het poldergebied rond Oud-Gastel in het westen van het plangebied en het noordelijke en oostelijke deel van het plangebied. De waarde kan door met name teeltondersteunende voorzieningen worden aangetast en had door middel van een aanlegvergunningenstelsel moeten worden beschermd. Verder hadden de ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden elk als zodanig moeten worden bestemd in het plan. Ook specifieke waarden als struweelvogels en weidevogels, onverharde wegen, laanbeplantingen en houtwallen hadden beschermd moeten worden, aldus de BMF. 31.
- Aan de door de BMF en de IVN bedoelde gebieden was in de hiervoor geldende plannen de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijk-cultuurhistorische en/of abiotische waarde" (hierna: ALCA) toegekend. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor de volgende doeleinden: a. instandhouding van de aanwezige landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden. Aan de gronden waar deze waarden voorkomen is in het ter beoordeling staande plan de bestemming "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" of "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" toegekend. 31.
- De raad heeft ter zitting verklaard dat vanwege een wijziging in de systematiek waarin bestemmingen worden toegekend, de bestemming ALCA niet meer voorkomt. Thans is aan de genoemde gebieden een van de drie hierboven genoemde agrarische bestemmingen toegekend en indien noodzakelijk een dubbelbestemming die de ter plaatse aanwezige waarden beschermt. Ter zitting heeft de raad erkend dat gezien de bestemmingsomschrijving in de planregels gronden met deze bestemmingen niet alleen voorzien in behoud van natuur- en landschapswaarden, maar ook in agrarische activiteiten die deze waarden kunnen aantasten. De raad heeft niet gemotiveerd op welke wijze met deze bestemmingen de waarden in de gebieden die in de hiervoor geldende plannen de bestemming "ALCA" hadden, worden beschermd dan wel waarom aan de aanwezige natuur- en landschapswaarden geen bescherming behoeft toe te komen. Het betoog slaagt. 31.
- In hetgeen de BMF en de IVN hebben aangevoerd ziet de Afdeling daarom grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. Het bestreden besluit dient voor zover het de plandelen waaraan in het hiervoor geldende plan de bestemming "ALCA" was toegekend wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.
- De BMF en de IVN betogen dat twee archeologische monumenten, respectievelijk liggend bij de hoek Bornhemweg/Oudlandsedijk en bij de hoek Barlauqeseweg/Sint Antoinedijk, ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. Zij wijzen er op dat deze monumenten op de archeologische verwachtings- en beleidskaart staan. Verder betogen de BMF en de IVN dat ten onrechte de diepte voor bodemingrepen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, is verlaagd van 40 cm naar 60 cm en dat een omgevingsvergunningplicht en een onderzoeksplicht voor drainage en het ophogen van gronden ten onrechte niet in het plan is opgenomen. Zij voeren aan dat door middel van archeologisch onderzoek en niet op grond van verklaringen van de grondgebruiker moet zijn aangetoond dat gronden in het recente verleden zodanig zijn geroerd. 32.
- Ingevolge artikel 28, lid 28.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie 1" bestemd voor de bescherming van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden. Ingevolge artikel 29, lid 29.1, zijn de voor "Waarde - Archeologie 2" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming van de ter plaatse aanwezige hoge archeologische verwachtingswaarden. Ingevolge artikel 30, lid 30.1, zijn de voor "Waarde - Archeologie 3" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming van de ter plaatse aanwezige middelhoge archeologische verwachtingswaarden. Ingevolge lid 29.4, onder 29.4.1, aanhef en onder a, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden dieper dan 0,60 meter, waartoe onder meer diepploegen wordt gerekend, uit te voeren of uit te laten voeren. Ingevolge het bepaalde onder 29.4.2, aanhef en onder d, geldt dit verbod niet indien aangetoond kan worden dat in het verleden de gronden zodanig zijn geroerd dat in de laag dieper dan 0,60 m geen archeologische waarden onevenredig geschaad kunnen worden. De bepalingen in lid 30.4, onder 30.4.1 en onder 30.4.2, onder d, zijn identiek aan de bepaling in lid 29.4, onder 29.4.
- en onder 29.4.2, onder d. 32.
- Aan de gronden waar zich de door de BMF en de IVN genoemde archeologische monumenten bevinden is de dubbelbestemming "Waarde Archeologie - 1" toegekend. De BMF en de IVN hebben niet aannemelijk gemaakt dat met deze bestemming de genoemde archeologische monumenten onvoldoende zijn beschermd. Verder hebben de BMF en de IVN niet gemotiveerd waarom het zonder vergunning draineren en ophogen van gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie 1" onaanvaardbare gevolgen voor de archeologische waarden heeft. Het betoog faalt. Over de diepte van bodemingrepen overweegt de Afdeling dat in het amendement waarin deze wijziging is opgenomen is aangegeven dat de gronden in het plangebied vanwege ruilverkaveling al geroerd zijn. Noch in het amendement noch in de plantoelichting is inzichtelijk gemaakt dat op alle gronden, waaraan de bestemming "Waarde - Archeologie 2" of "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, de bodem tot in ieder geval 60 cm diepte is geroerd en dat aantasting van de bodem tot die diepte niet leidt tot een verstoring van de archeologische verwachtingswaarden. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Het betoog slaagt. 32.
- In hetgeen de de BMF en de IVN hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 29, lid 29.4, onder 29.4.1, onder a, en onder 29.4.2, onder d, en artikel 30, lid 30.4, onder 30.4.1, onder a, en onder 30.4.2, onder d, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Omdat niet duidelijk is tot welke diepte de aantasting van de bodem niet leidt tot een verstoring van de archeologische verwachtingswaarden, ziet de Afdeling geen aanleiding op dit punt zelf in de zaak te voorzien. Wel ziet zij aanleiding om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van belang, te treffen, inhoudende dat artikel 29, lid 29.4, onder 29.4.1, onder a, en artikel 30, lid 30.4, onder 30.4.1, onder a, als volgt komen te luiden: "grondwerkzaamheden dieper dan 0,40 m, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren"; en dat artikel 29, lid 29.4, onder 29.4.2, onder d en artikel 30, lid 30.4, onder 30.4.2, onder d, als volgt komen te luiden: "aangetoond kan worden dat in het verleden de gronden zodanig zijn geroerd dat in de laag dieper dan 0,40 m geen archeologische waarden onevenredig geschaad kunnen worden, of;".
- De BMF en de IVN betogen dat de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden in het plan te ruime mogelijkheden bieden voor het aanleggen van permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en dat deze onevenredige effecten op de natuur- en landschapswaarden zullen hebben. Zo is de toegestane oppervlakte voor teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak te ruim en is de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende begrensd. Verder ontbreekt een toetsingskader ten behoeve van het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het plan. 33.
- Over de bouwmogelijkheden van zowel permanente als tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwvlak overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze in de regel minder invloed hebben op de openheid van het landschap dan andere bouwwerken die in de regel binnen een bouwvlak worden gerealiseerd. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat teeltondersteunende voorzieningen binnen een bouwvlak niet tot een onaanvaardbare aantasting van de natuur- en landschapswaarden leiden. Over de teeltondersteunende voorzieningen die binnen een bouwvlak dat met toepassing van artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.7, artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.5 en artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.5 is uitgebreid en de teeltondersteunende voorzieningen buiten de bouwvlakken, overweegt de Afdeling dat deze bij naast elkaar gelegen agrarische bedrijven kunnen leiden tot grote vrijwel aaneengesloten gronden met teeltondersteunende voorzieningen. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre hiermee rekening is gehouden bij het vaststellen van het plan. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende zorgvuldig en daarmee in strijd met artikel 3:2 van de Awb voorbereid. Het betoog slaagt.
- De BMF en de IVN kunnen zich niet verenigen met de afwijkingsmogelijkheden die het plan biedt om buiten het bouwvlak paardenbakken aan te leggen in gebieden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden". Zij betogen dat paardenbakken enkel binnen het bouwvlak mogelijk zouden moeten worden gemaakt voor zover het deze bestemming betreft en dat een relatie dient te bestaan met de bestemming. Verder betogen zij dat het plan ten onrechte eveneens voorziet in afwijkingsmogelijkheden voor paardenbakken voor bestemmingen die geen duidelijke relatie hebben met paarden, paardenbedrijven of paardenbakken, zoals bij de bestemmingen "Bedrijf", "Cultuur en Ontspanning", "Detailhandel", "Horeca", "Kantoor", "Maatschappelijk", "Recreatie", "Sport" en "Wonen". 34.
- Ingevolge artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.8, onder b.6 zijn paardenbakken binnen de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" niet toegestaan. Ingevolge lid 5.3, onder 5.3.6, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in onderdeel 5.2.8, onder b.6 voor het realiseren van paardenbakken buiten het bouwvlak, met inachtneming van de volgende regels: a. De paardenbak grenst direct aan een bouwvlak of een bestemmingsvlak waarbinnen een (bedrijfs)woning is toegestaan. b. De afstand tot de meest nabijgelegen (bedrijfs)woning mag niet minder bedragen dan 25 m. c. De totale oppervlakte van de paardenbak mag niet meer bedragen dan 1.200 m
- d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2 m. e. Lichtmasten zijn niet toegestaan. f. De afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. g. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Ingevolge artikel 6, lid 6.2, onder 6.2.5, onder d, artikel 10, lid 10.2, onder 10.2.5, onder c, artikel 11, lid 11.2, onder 11.2.5, onder c, artikel 12, lid 12.2, onder 12.2.6, onder c, artikel 13, lid 13.2, onder 13.2.5, onder c, artikel 14, lid 14.2, onder 14.2.5, onder c, artikel 16, lid 16.2, onder 16.2.6, onder d, artikel 24, lid 24.2.4, onder c, gelden voor respectievelijk de voor "Bedrijf", "Cultuur en Ontspanning", "Detailhandel", "Horeca", "Kantoor", "Maatschappelijk", "Recreatie" en "Wonen" aangewezen gronden dat paardenbakken niet zijn toegestaan. Ingevolge de onderdelen 6.3.4, 10.3.3, 11.3.3, 12.3.3, 13.3.3, 14.3.3, 16.3.3 en 24.4.4 kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen om van de hierboven genoemde bepalingen af te wijken. Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden zoals die hierboven met betrekking tot onderdeel 5.3.6 zijn weergegeven. 34.
- De Afdeling acht het niet ongebruikelijk dat in het buitengebied op de gronden met de bestemmingen "Wonen" en "Recreatie" paardenbakken voorkomen. De BMF en de IVN hebben niet aannemelijk gemaakt dat op de gronden met deze bestemmingen natuurwaarden voorkomen die er aan in de weg staan dat op deze gronden paardenbakken mogen worden aangelegd. Met betrekking tot de gronden met bestemming "Sport" overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 19, lid 19.2, onder 19.2.3, van de planregels, op gronden met deze bestemming uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "manege" paardenbakken zijn toegestaan en dat geen afwijkingsbevoegdheid is opgenomen om bij andere vormen van sport paardenbakken mogelijk te maken. Het betoog dat het plan ten onrechte een afwijkingsbevoegdheid voor paardenbakken biedt voor de gronden met deze bestemming mist derhalve feitelijke grondslag. Over de gronden met de bestemmingen "Bedrijf", "Detailhandel", "Horeca", "Kantoor" en "Maatschappelijk" overweegt de Afdeling dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom paardenbakken passend zijn bij of een relatie hebben met deze bestemmingen. Voorts heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt welke gevolgen paardenbakken kunnen hebben voor de natuurwaarden op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden". Het bestreden besluit is derhalve in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. Het betoog slaagt. 34.
- In hetgeen de BMF en de IVN hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 6, lid 6.3, onder 6.3.4, artikel 10, lid 10.3, onder 10.3.3, artikel 11, lid 11.3, onder 11.3.3, artikel 12, lid 12.3, onder 12.3.3, artikel 13, lid 13.3, onder 13.3.3, artikel 14, lid 14.3, onder 14.3.3, artikel 16, lid 16.3, onder 16.3.3 en artikel 24, lid 24.4, onder 24.4.4 is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
- De BMF en de IVN betogen dat het waterwingebied en de beschermingszones daaromheen niet zijn gevrijwaard van ruimtelijke ontwikkelingen die een risico voor de drinkwatervoorziening en de kwaliteit van het grondwater kunnen hebben. Volgens hen had in het plan een verbod op proefboringen moeten worden opgenomen en hadden bedrijven niet mogelijk moeten worden gemaakt in dit deel van het plan. 35.
- De raad stelt zich op het standpunt dat voor het waterwingebied specifieke bescherming wordt geboden doordat hieraan de bestemming "Bos" is toegekend en ingevolge de daarvoor geldende planregels geen bouwwerken zijn toegestaan. Verder wordt voldoende bescherming aan het waterwingebied geboden door artikel 36, lid 36.4 en lid 36.
- 35.
- Aan het door de BMF en IVN bedoelde waterwingebied, dat in het zuidoosten van het plangebied ligt, en de beschermingszone daar omheen zijn de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", "Bedrijf", "Bos", "Recreatie", "Verkeer - Luchthaven", "Wonen", en de aanduidingen "milieuzone - grondwaterschermingsgebied" en "milieuzone - waterwingebied" toegekend. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder j, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" bestemde gronden ter plaatse van de aanduiding "milieuzone - waterwingebied" tevens bestemd voor openbare drinkwatervoorziening en de instandhouding van het puttenveld ten behoeve van de waterwinning. Ingevolge artikel 9, lid 9.1, onder h, zijn de gronden met de bestemming "Bos" ter plaatse van de aanduiding "milieuzone - waterwingebied" tevens bestemd voor openbare drinkwatervoorziening en de instandhouding van het puttenveld ten behoeve van de waterwinning. Ingevolge artikel 36, lid 36.4, zijn de voor "milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied" aangewezen gronden mede bestemd voor de bescherming van de grondwaterkwaliteit ten behoeve van de openbare drinkvoorziening. Ingevolge artikel 36.5, lid 36.5, zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "milieuzone - waterwingebied" mede bestemd voor: a. de openbare drinkwatervoorziening; b. instandhouding van het puttenveld ten behoeve van de waterwinning. 35.
- De Afdeling overweegt dat de hierboven weergegeven planregels niet uitsluiten dat boringen worden uitgevoerd en dat het aannemelijk is dat boringen een aantasting van het grondwater met zich kunnen brengen. De raad heeft niet gemotiveerd of en zo ja in hoeverre boringen schadelijke gevolgen voor het grondwaterbeschermingsgebied met zich kunnen brengen. In hetgeen de BMF en de IVN hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", "Bedrijf", "Bos", "Horeca","Natuur", "Recreatie", "Recreatie - Recreatiepark 1", "Recreatie - Recreatiepark 2", "Verkeer", "Verkeer - Luchthaven", "Water" en "Wonen", en de aanduidingen "milieuzone - grondwaterschermingsgebied" en "milieuzone - waterwingebied", voor zover daarbij niet is voorzien in een verbod om zonder omgevingsvergunning boringen uit te voeren, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellante sub 11]
- [appellante sub 11] kan zich niet verenigen met het plan voor zover daarbij de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" is toegekend aan haar percelen op en nabij de [locatie 18]. Op deze percelen exploiteert [appellante sub 11] een boomkwekerij. Volgens [appellante sub 11] brengt deze bestemming een beperking met zich voor de bedrijfsvoering, terwijl hiervoor geen rechtvaardiging kan worden gevonden. In dit verband wijst [appellante sub 11] er op dat voor de boomteelt de gronden regelmatig gediepwoeld zijn tot 80 cm diepte en/of afgegraven tot 100 cm diepte en dat derhalve tot die diepte geen archeologische waarden meer te verwachten zijn. Dat het plan in overeenstemming is gebracht met de gemeentelijke archeologische waardenkaart, doet daarom geen recht aan de feitelijke situatie. Verder wijst zij er op dat de gemeentelijke kaart niet op perceelsniveau is bepaald. De raad had daarom een specifiek onderzoek moeten uitvoeren naar de archeologische waarden op het perceel. 36.
- De raad stelt zich op het standpunt dat aannemelijk is dat in ieder geval een deel van de gronden al lange tijd diep geroerd is. Hij stelt dat desondanks van [appellante sub 11] een onderzoek kan worden gevergd waaruit blijkt dat daadwerkelijk geen archeologische waarden aanwezig zijn. Volgens hem weegt de te verkrijgen zekerheid over de aan- of afwezigheid van archeologische waarden zwaarder dan het belang van [appellante sub 11]. Hij wijst er op dat het plan een wijzigingsbevoegdheid kent om deze dubbelbestemming te laten vervallen. Met betrekking tot de archeologische waardenkaart stelt de raad dat deze is opgesteld aan de hand van een bureaustudie en gecontroleerd is met een kleine veldtoets waarbij in het buitengebied een oppervlaktekartering en een booronderzoek heeft plaatsgevonden. 36.
- Aan de percelen van [appellante sub 11] zijn onder meer de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a, en artikel 4, lid 4.1, onder a, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen. Aan deze percelen is deels tevens de bestemming "Waarde - Archeologie 2" toegekend. Ingevolge artikel 29, lid 29.1, zijn de gronden met deze bestemming mede bestemd voor de bescherming van de ter plaatse aanwezige hoge archeologische verwachtingswaarden. In lid 29.4, onder 29.4.1, is bepaald dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. grondwerkzaamheden dieper dan 0,60 m, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; (...). Ingevolge het bepaalde onder 29.4.2, is het in 29.4.1 vervatte verbod niet van toepassing indien: a. mede op basis van onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; b. mede op basis van onderzoek is aangetoond dat archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn; d. aangetoond kan worden dat in het verleden de gronden zodanig zijn geroerd dat in de laag dieper dan 0,60 m geen archeologische waarden onevenredig geschaad kunnen worden; (...) h. voor onder andere de werken die behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden. Ingevolge lid 29.5 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen door de bestemming "Waarde - Archeologie 2" te laten vervallen indien uit onderzoek blijkt dat er op een locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of de waarden die wel aanwezig waren in voldoende mate zijn veilig gesteld. 36.
- Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 29 september 2010 in zaak nr. 200809200/1/R1) rust op het gemeentebestuur de plicht om zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van totstandkoming van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn. In hetgeen [appellante sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart onzorgvuldig tot stand is gekomen. Nu op de kaart het perceel van [appellante sub 11] als verwachtingsvol gebied is aangemerkt, heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Waarde - Archeologie 2" hieraan kunnen toekennen. Verder ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 11] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad niet een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de onderzoeksplicht dan aan het belang van [appellante sub 11]. Het betoog faalt.
- [appellante sub 11] kan zich niet verenigen met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" die is toegekend aan een 37 meter brede strook aan de oostzijde van haar perceel ten noordoosten van het perceel [locatie 18]. Zij betoogt dat deze bestemming een beperking in haar bedrijfsactiviteiten met zich brengt. Zij voert aan dat in het hiervoor geldende plan deze bestemming niet op deze gronden rustte en dat de begrenzing van dit plandeel niet overeenstemt met de feitelijke situatie, omdat de aanwezige dijk een meter smaller is dan de bestemming zoals die op de planverbeelding is ingetekend. 37.
- De raad stelt zich op het standpunt dat in het hiervoor geldende plan "Buitengebied Halderberge Oost" aan dit deel van het perceel de bestemming "Waterstaatkundige doeleinden - Waterkering" was toegekend. Verder heeft het waterschap volgens de raad te kennen gegeven dat de strook 37 meter breed diende te zijn. Verder stelt hij dat voor het oprichten van bouwwerken binnen het bouwvlak op gronden met deze bestemming geen nadere beperkende voorwaarden zijn gesteld en dat weliswaar voor het uitvoeren van werkzaamheden een verbod geldt, maar dat dit niet geldt voor het normale onderhoud of gebruik van de gronden. Volgens hem ondervindt [appellante sub 11] derhalve geen nadelen van de bestemming. 37.
- Aan het door Brugel genoemde deel van het perceel ten noordoosten van het perceel [locatie 18] is de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" toegekend. Ingevolge artikel 32, lid 32.1, zijn deze gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire waterkering. Ingevolge lid 32.4, onder 32.4.1, onder a en b, is het verboden zonder omgevingsvergunning een aantal werken uit te voeren, waaronder het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem en het diepploegen en diepwoelen beide dieper dan 0,60 m onder maaiveld. Ingevolge het bepaalde onder 32.4.2, onder a, geldt dit verbod niet voor normaal onderhoud en/of gebruik. Ingevolge het bepaalde in onder 32.4.3, onder a, kan alleen de omgevingsvergunning worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de functie van de waterkering. 37.
- In het hiervoor geldende plan waren aan het betreffende perceelsdeel onder meer de medebestemming "Waterstaatkundige doeleinden" en de aanduiding "waterkering" toegekend. Ingevolge artikel 11, lid 1, van dat plan zijn gronden met deze bestemming bestemd voor waterstaatkundige doeleinden in het algemeen en een waterkering in het bijzonder. Ingevolge lid 3 mochten op deze gronden alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die noodzakelijk waren voor het beheer en onderhoud van de watergang worden gebouwd. 37.
- Vast staat dat de strook grond met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" op het perceel van [appellante sub 11] breder is dan de thans aanwezige dijk. De raad heeft in de stukken noch ter zitting verklaard waarom een bredere strook met deze bestemming nodig is. Het bestreden besluit berust, gelet hierop, in zoverre niet op een deugdelijke motivering.
- [appellante sub 11] kan zich niet verenigen met de de aanduiding "groenblauwe mantel" en de aanduiding "ecologische verbindingszone" die zijn toegekend aan delen van haar perceel ten noordoosten van het perceel [locatie 18]. Volgens haar wordt met de aanduiding "ecologische verbindingszone" vooruitgelopen op het ontwikkelen van een ecologische verbindingszone, die haar zal beperken in haar bedrijfsvoering. Verder voert zij aan dat er geen noodzaak bestaat om de aanduiding "groenblauwe mantel" op te nemen, nu deze slechts aan een deel van het perceel is toegekend. 38.
- Niet in geschil is dat de gronden van [appellante sub 11] met de aanduiding "groenblauwe mantel" in overeenstemming zijn met de Verordening en dat de gronden met de aanduiding "ecologische verbindingszone" zijn aangewezen als zoekgebied voor ecologische verbindingszone. Verder is de aanduiding "ecologische verbindingszone" toegekend aan de gronden waarop thans de waterkering staat danwel de Laaksche Vaart loopt. [appellante sub 11] heeft niet gemotiveerd waarom deze aanduidingen haar belemmeren in haar bedrijfsvoering. Het betoog faalt.
- In hetgeen [appellante sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" ter plaatse van het perceel ten noordoosten van het perceel [locatie 18] is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep is voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellant sub 16]
- [appellant sub 16] kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch" die is toegekend aan het perceel [locatie 19], te Oud Gastel. Aan dit perceel, dat ten zuiden van zijn woning aan [locatie 20] ligt, had volgens hem een woonbestemming moeten worden toegekend. Hij voert aan dat de agrarische bedrijfsvoering volledig is beëindigd, dat niet duidelijk is of op het perceel een agrarisch hoofd- of nevenbedrijf mag worden uitgeoefend en dat het perceel in een omgeving met burgerwoningen ligt. Verder voert hij aan dat de raad niet enkel vanwege het ontbreken van een verzoek van de eigenaar van het perceel [locatie 19], niet een woonbestemming had kunnen toekennen. [appellant sub 16] betoogt voorts dat artikel 3, lid 3.1, van de planregels het ten onrechte mogelijk maakt dat diverse agrarische nevenfuncties als agrarische hoofdfunctie kunnen worden uitgevoerd. [appellant sub 16] voert aan dat deze nevenactiviteiten tot onaanvaardbare geur-, verkeers- geluid- en stofhinder zullen leiden. Hij wijst er op dat de Zegse Steenweg en de omliggende infrastructuur zich niet lenen voor grootschalig en frequent landbouwverkeer. [appellant sub 16] betoogt verder dat het bouwvlak, dat thans 1 hectare groot is, niet in verhouding staat tot de rest van het perceel, dat 2,5 hectare groot is. Volgens hem had het bouwvlak niet één op één mogen worden overgenomen uit het hiervoor geldende plan zonder de maximale mogelijkheden hiervan te beoordelen en moet het bouwvlak verkleind worden. Hij wijst er verder op dat de bedrijfsactiviteiten vrijwel volledig beëindigd zijn en alleen hobbymatig nog enkele schapen worden gehouden. Het standpunt van de raad dat een bouwvlak van deze grootte nodig is voor fourageactiviteiten kan volgens hem niet opgaan, nu deze activiteiten nooit toegestaan zijn geweest en ook in het voorliggende plan niet zijn toegestaan. Verder voert hij aan dat ook feitelijk nooit een fouragehandel op het perceel gevestigd is geweest. [appellant sub 16] betoogt voorts dat de op het perceel aanwezige landbouwschuur, die op 30 meter van zijn woning staat, niet in overeenstemming met de daarvoor verleende bouwvergunning is gebouwd en daarom niet in het bouwvlak kan worden opgenomen. [appellant sub 16] vreest tot slot een aantasting van zijn uitzicht en een verstoring van het landschap, aangezien de bouwregels aanzienlijk grotere en meer bebouwing toestaan dan thans feitelijk op het perceel aanwezig is. Hij voert aan dat ten onrechte geen maximum is opgenomen ten aanzien van het bebouwingspercentage. Ook de maximale hoogte van de gebouwen is volgens hem te ruim. Hij betoogt dat de bouwregels hadden moeten worden aangepast aan de feitelijke bebouwing. Verder betoogt hij dat een planregeling had moeten worden opgenomen waarin is bepaald dat alleen bebouwing mag worden opgericht die noodzakelijk is voor het bedrijf. 40.
- De raad stelt zich op het standpunt dat afgezien van het feit dat de eigenaar van het perceel niet heeft verzocht om een woonbestemming, deze bestemming eerst aan de orde kan zijn als voldaan is aan bepaalde voorwaarden zoals het slopen van bedrijfsbebouwing. Verder betoogt de raad dat er geen reden is om het bouwvlak te verkleinen omdat het plan conserverend van aard is en dat agrarische bedrijfsvoering op het perceel nog mogelijk is. Tot slot betoogt hij dat de bestemmingsomschrijving en de bouwregels waarborgen dat bebouwing alleen is toegestaan wanneer dat past binnen de agrarische bestemming. Verder betoogt de raad dat gezien de gebruiksregels in artikel 3, lid 3.4 en de afwijkingsbevoegdheden daarvan in lid 3.5 verzekerd is dat de agrarische functie de hoofdfunctie blijft. 40.
- Aan het perceel [locatie 20] is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor: a. agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen; b. grondgebonden agrarische bedrijven (...); (...) t. productiegebonde
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.