(12)" niet meer bedragen dan 12 meter. 6.2. De raad heeft de VNG-brochure tot uitgangspunt genomen om te beoordelen of een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd bij de realisatie van een sportzaal. Bij een sportzaal wordt, uitgaande van een rustige woonwijk, een richtafstand aanbevolen van 30 meter ten opzichte van gevoelige functies. Indien wordt uitgegaan van een gemengd gebied, kan een richtafstand van 10 meter worden gehanteerd ten opzichte van gevoelige functies. Onder een "gemengd gebied" wordt verstaan een gebied met een matige tot sterke functiemenging, waarbij naast woningen andere functies voorkomen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Nu in de nabijheid van het bestreden plandeel naast de woonfunctie ook andere centrumfuncties voorkomen, zoals een basisschool, een beautysalon alsmede een supermarkt, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het betrokken plandeel en de omgeving daarvan is gesitueerd in een "gemengd gebied". Nu de afstand tussen de meest nabijgelegen woning op het perceel De Beurs 45 en de grens van de bestemming "Maatschappelijk" ter plaatse van het betrokken plandeel ongeveer 15 meter bedraagt, is voldaan aan de aanbevolen richtafstand. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich, uitgaande van een sportzaal, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van omliggende woningen een goed woon- en leefklimaat is geborgd. Echter, de aan de betrokken gronden toegekende planregeling biedt tevens ruimte aan andere functies dan enkel een sportzaal. Ter plaatse van betrokken gronden zijn ingevolge de daaraan toegekende bestemming "Maatschappelijk" functies toegestaan ten behoeve van religieuze, educatieve, medische, sociale en culturele doeleinden, (openbare) overheidsinstellingen alsmede voorzieningen ten behoeve van kinderopvang en bejaarden. Voorts zijn ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder c, van de planregels ter plaatse (indoor) sportvoorzieningen toegestaan, waarbij de Afdeling erop wijst dat het begrip "sportvoorziening" niet nader is gedefinieerd in de begripsbepalingen van het plan. Gelet op het voorgaande kan, ondanks hetgeen de raad ter zitting heeft betoogd, op voorhand niet worden uitgesloten dat ter plaatse een sporthal kan worden gerealiseerd. Het enkele feit dat ten behoeve van onderwijslokalen reeds een omgevingsvergunning is verleend die in rechte onaantastbaar is geworden, waardoor gebruik ten behoeve van een sporthal op voorhand kan worden uitgesloten, doet aan het voorgaande niet af, nu bij toetsing van het bestreden besluit dient te worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het plan. In de VNG-brochure wordt voor een sporthal een richtafstand van 50 meter aanbevolen ten opzichte van gevoelige functies. Deze afstand geldt bij het omgevingstype rustige woonwijk. Indien sprake is van een gemengd gebied kan een richtafstand van 30 meter worden gehanteerd. De Afdeling stelt vast dat niet aan deze afstand is voldaan, nu de afstand tussen de meest nabijgelegen woning op het perceel De Beurs 45 en de grens van de bestemming "Maatschappelijk" ter plaatse van het betrokken plandeel ongeveer 15 meter bedraagt. Nu de raad heeft miskend dat het bestreden plandeel tevens voorziet in de mogelijkheid om een sporthal te realiseren, is het besluit in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het betoog slaagt. Ten overvloede overweegt de Afdeling dat, anders dan de raad meent, het uitsluiten van een sporthal in het plan niet enkel mogelijk is door het toekennen van een maatschappelijke bestemming met daaraan gekoppeld de aanduiding "onderwijs". In de "Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012" is de aanduiding "sportzaal" opgenomen, waarmee het door de raad beoogde gebruik ten behoeve van verenigingen kan worden geborgd. 7. [appellant sub 1] betoogt dat de onmiddellijk ten westen van zijn perceel gesitueerde watergang alsmede de daarbij behorende keurstroken in het plan niet zijn opgenomen conform de feitelijke situatie, zoals vervat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Portland I, herziening Bakkerparksweg e.o. 1e wijziging", dat is vastgesteld op 19 juni 2007. 7.1. De raad stelt dat dit plan een wijziging betreft voor de bestemming "Water" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan, nu de grens van het bestemmingsvlak van deze bestemming is opgeschoven in de richting van het perceel van [appellant sub 1]. Ter zitting heeft de raad naar voren gebracht dat hij deze wijziging niet heeft beoogd bij het opstellen van het plan. Volgens de raad heeft de wijziging evenwel geen consequenties voor het perceel van [appellant sub 1]. Daartoe voert hij aan dat de bestemming "Water" mede voorziet in groenvoorzieningen, zodat de bestaande situatie is geborgd door het plan. Nu een watervoorziening reeds was toegestaan op grond van de bestemming "Groenvoorzieningen" uit het voorheen geldende plan, leidt het betrokken plandeel niet tot een wijziging in de planologische mogelijkheden ter plaatse, aldus de raad. De raad stelt verder dat de dubbelbestemming "Waterstaat" evenals in het voorheen geldende plan is gesitueerd tot aan de gemeentegrens, waardoor in zoverre geen sprake is van een planologische wijziging ter plaatse van de betrokken gronden. De dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" is opgenomen naar aanleiding van gegevens van het Waterschap Hollandse Delta, en strekt ertoe de waterkering aan de Bakkersdijk te beschermen, aldus de raad. 7.2. Ingevolge artikel 27, lid 27.2.2, van de planregels mogen ter plaatse van de gronden met de bestemming "Waterstaat" ten behoeve van de andere aan de gronden toegekende bestemming(
- en)geen bouwwerken worden gebouwd. Ingevolge artikel 27, lid 27.3, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 27, lid 27.2.2, van de planregels voor het bouwen ten behoeve van andere daar voorkomende bestemmingen, onder de voorwaarden dat de waterhuishoudkundige belangen dit toelaten en alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend schriftelijk advies wordt ingewonnen bij het waterschap. Ingevolge artikel 28, lid 28.2.2, van de planregels mogen ter plaatse van de gronden met de bestemming "Waterstaat - Waterkering" ten behoeve van de andere aan de gronden toegekende bestemming(
- en)geen bouwwerken worden gebouwd. Ingevolge artikel 28, lid 28.3, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 28, lid 28.2.2, van de planregels voor het bouwen ten behoeve van andere daar voorkomende bestemmingen onder de voorwaarden dat de waterhuishoudkundige belangen dit toelaten en alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend schriftelijk advies wordt ingewonnen bij het waterschap. 7.3. De Afdeling vat het beroep van [appellant sub 1] op als zijnde gericht tegen de plandelen met de bestemmingen "Water", "Groen", "Waterstaat" en "Waterstaat - Waterkering", gesitueerd ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] alsmede onmiddellijk ten westen van dit perceel. De dubbelbestemmingen "Waterstaat" en "Waterstaat - Waterkering" leiden tot een beperking van de bouwmogelijkheden ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1]. Ter zitting is gebleken dat de raad bij het vaststellen van de begrenzing van deze dubbelbestemmingen, anders dan hij heeft beoogd, niet is uitgegaan van de plankaart van het bestemmingsplan "Portland I, herziening Bakkersparkweg e.o. 1e wijziging" uit 2007, waarin blijkens het verhandelde ter zitting de feitelijke ligging van de watergang is opgenomen, maar van de plankaart van het bestemmingsplan "Portland I, herziening Bakkersparkweg e.o." uit 2002. Gezien de feitelijke ligging van de watergang heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt waarom de voornoemde dubbelbestemmingen ter plaatse van de desbetreffende gronden nodig zijn. Uit de samenhang tussen deze plandelen en de plandelen met de bestemmingen "Water" en "Groen" volgt dat evenmin inzichtelijk is gemaakt waarom de bestemmingsvlakken van laatstgenoemde bestemmingen niet zijn opgenomen conform de feitelijke situatie. De Afdeling ziet dan ook aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Waterstaat", "Waterstaat - Waterkering", "Water" en "Groen", gesitueerd ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] alsmede onmiddellijk ten westen van dit perceel, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het betoog slaagt. Conclusie 8. Met het oog op een finale beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak de geconstateerde gebreken te herstellen door het nemen van een nieuw besluit. De raad dient daartoe met inachtneming van overweging 6.2 het besluit te wijzigen door het vaststellen van een andere planregeling voor het perceel De Beurs 41, waarbij gebruik ten behoeve van een sporthal wordt uitgesloten. Voorts dient de raad met inachtneming van overweging 7.3 nader onderzoek te doen dan wel het besluit te wijzigen door het vaststellen van een andere planregeling voor de plandelen met de bestemmingen "Waterstaat", "Waterstaat - Waterkering", "Water" alsmede "Groen", gesitueerd ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] alsmede onmiddellijk ten westen van dit perceel. Daarbij dient als uitgangspunt te worden gehanteerd de feitelijke ligging van de ten westen van het perceel van [appellant sub 1] gesitueerde watergang. 8.1. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van het nieuwe besluit niet opnieuw te worden toegepast. Het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt. 9. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: draagt de raad van de gemeente Albrandswaard op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak: - met inachtneming van overweging 8 de daar omschreven gebreken te herstellen en; - de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventuele wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat. w.g. Van der Wiel w.g. Drouen lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013 375-783.