201304100/1/V6. Datum uitspraak: 4 december 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd te [plaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 28 maart 2013 in zaak nr. 12/6175 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Procesverloop Bij besluit van 13 februari 2012 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 16.000,00 wegens twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav). Bij besluit van 14 november 2012 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. [appellante] heeft een nader stuk ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. P.H.M. Essink, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P.E. Farahani, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen. Overwegingen 1. De Afdeling heeft geen aanleiding gezien de door [appellante] meegebrachte personen, [persoon A] en [persoon B], te horen als getuigen, nu zij van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. 2. Gelet op artikel XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving; Stb. 2012, 462, is op dit geding de Wav van toepassing zoals deze wet luidde tot 1 januari 2013. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten. Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Ingevolge artikel 18, eerste lid, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als overtreding aangemerkt. Ingevolge artikel 19d, derde lid, stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de overtredingen worden vastgesteld. In de Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav, die als bijlage bij de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2010 is gevoegd, is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 per persoon per overtreding gesteld. 3. Het door een inspecteur van de Arbeidsinspectie (thans: de inspectie SZW) op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 4 januari 2012 (hierna: het boeterapport) houdt in dat tijdens een controle op 2 december 2010 in het pand gelegen aan de [locatie] te [plaats], zijnde het vestigingsadres van [appellante], twee vreemdelingen van Roemeense nationaliteit (hierna: de vreemdelingen) zijn aangetroffen die werkzaamheden verrichtten, bestaande uit het inpakken van vleesspiezen met folie, terwijl daarvoor geen tewerkstellingsvergunningen waren afgegeven. 4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de boetekennisgeving van 26 januari 2012 (hierna: de kennisgeving) en het boetebesluit van 13 februari 2012 op de juiste wijze bekend zijn gemaakt nu deze zijn geadresseerd aan de vennoten van [appellante] en zijn verzonden naar het vestigingsadres van [appellante] als vermeld in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Volgens [appellante] dienden deze stukken naar de afzonderlijke adressen van de vennoten te worden verzonden. De rechtbank is terecht tot haar oordeel gekomen. Nu de minister [appellante] als overtreder van de Wav heeft aangemerkt, heeft hij kunnen volstaan met toezending van de kennisgeving en het boetebesluit naar het in het handelsregister vermelde vestigingsadres van [appellante]. Het betoog faalt. 5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gestelde dat zij voorafgaande aan de boeteoplegging niet is gehoord, niet leidt tot vernietiging van het besluit van 14 november 2012. Door haar niet te horen, heeft de minister volgens haar onzorgvuldig gehandeld. Zij voert aan dat uit de Algemene wet bestuursrecht volgt dat zij het recht had om te worden gehoord alvorens het besluit werd genomen, en zij de minister na ontvangst van de kennisgeving tijdig heeft verzocht om uitstel van de termijn voor het indienen van een zienswijze, maar hij hier niet op heeft gereageerd en zonder meer tot boeteoplegging is overgegaan. 5.1. De minister heeft [appellante] met de kennisgeving medegedeeld dat hij het voornemen heeft de boete op te leggen, dat [appellante] in de gelegenheid wordt gesteld binnen twee weken na dagtekening van de kennisgeving hierover haar zienswijze naar voren te brengen, en dat als [appellante] niet binnen die termijn heeft gereageerd, ervan wordt uitgegaan dat zij geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om een zienswijze naar voren te brengen en dat vervolgens de boetebeschikking zal worden opgemaakt en daarna zo spoedig mogelijk aan haar zal worden toegezonden. In hetgeen is aangevoerd, wordt geen grond gezien voor het oordeel dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld. De minister heeft [appellante] bij de kennisgeving in de gelegenheid gesteld haar zienswijze naar voren te brengen, hetgeen zij niet heeft gedaan. Dat de minister [appellante] geen uitstel van de termijn voor het indienen van een zienswijze heeft gegeven en zonder haar te horen tot boeteoplegging is overgegaan, leidt niet tot een ander oordeel, nu [appellante] de minister pas bij brief van 16 februari 2012, en derhalve niet binnen de hiervoor door de minister gestelde termijn, om uitstel heeft verzocht. Daar komt bij dat [appellante] in de bezwaarfase is gehoord, zodat ook geen grond bestaat voor het oordeel dat zij in zoverre in haar belangen is geschaad. De rechtbank is dan ook terecht tot haar oordeel gekomen. Het betoog faalt. 6. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte niet haar standpunten heeft gevolgd dat de vreemdelingen op onzorgvuldige wijze zijn gehoord nu zij in de auto en zonder tolk zijn gehoord en aan [belanghebbende], toenmalig vennoot en woordvoerder van [appellante], aan het begin van zijn verhoren op 4 augustus 2011 en 5 september 2011 ten onrechte niet de cautie is gegeven, slaagt niet. De rechtbank heeft overwogen dat in het besluit van 14 november 2012 staat dat de vreemdelingen niet zijn gehoord en dat, nu [appellante] het gestelde dat zij wel zijn gehoord op geen enkele wijze heeft onderbouwd, daarvan dient te worden uitgegaan. Hetgeen [appellante] in hoger beroep naar voren heeft gebracht, vormt geen gemotiveerde weerlegging van hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Los daarvan, ook al zou [appellante] in haar standpunt worden gevolgd dat de vreemdelingen op de door haar gestelde wijze zijn gehoord, dan leidt dit niet tot het oordeel dat de boete ten onrechte is opgelegd, nu de minister aan de boetoplegging geen verklaringen van de vreemdelingen ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in de rapporten van horen van 4 augustus 2011 en 5 september 2011, gevoegd als bijlagen 2 en 3 bij het boeterapport, staat dat aan [belanghebbende] is meegedeeld dat hij geen gebruik hoeft te maken van zijn recht om te worden verhoord en hij eveneens geen antwoord op vragen hoeft te geven, en dat hieruit moet worden opgemaakt dat aan hem de cautie is gegeven. Het betoog faalt. 7. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdelingen arbeid hebben verricht waarvoor een tewerkstellingsvergunning was vereist nu zij niet als haar vennoten, en derhalve als zelfstandigen, werkzaam waren. [appellante] stelt dat de vreemdelingen de werkzaamheden wel als haar vennoten, en dus als zelfstandigen, hebben verricht. Volgens haar heeft de rechtbank ten onrechte de datum van inschrijving van de vennoten in het handelsregister van de Kamer van Koophandel van doorslaggevend belang geacht en is zij er ten onrechte aan voorbij gegaan dat de vreemdelingen zelfstandig werkten, er geen sprake was van een gezagsverhouding en zij deelden in de winst. 7.1. In het arrest van 15 december 2005, C-151/04 en C-152/04, Nadin en Durré, (www.curia.europa.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.