201110242/2/A3. Datum uitspraak: 5 december 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) hangende het hoger beroep van: [verzoeker], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 9 augustus 2011 in zaak nr. 11/558 in het geding tussen: [verzoeker] en de burgemeester van Skarsterlân. Procesverloop Bij besluit van 22 december 2010 heeft de burgemeester een aanvraag van [verzoeker] om afgifte van een Nederlandse identiteitskaart (hierna: NIK) niet in behandeling genomen. Bij brief van 1 februari 2011 heeft [verzoeker] daartegen bezwaar gemaakt en de burgemeester verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op de administratieve rechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb. De burgemeester heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de rechtbank. Bij uitspraak van 9 augustus 2011 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van de Afdeling van 28 september 2012 in zaak nr. 201110242/1/A3 heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op een aantal vragen. Deze vragen hebben onder meer betrekking op de toepasselijkheid van Verordening (EG) nr. 2252/2004 van de Raad van 13 december 2004 betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten, zoals gewijzigd door de Verordening (EG) nr. 444/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2009 (hierna: de Verordening) op door de lidstaten aan hun onderdanen afgegeven identiteitskaarten, zoals de NIK, ongeacht hun geldigheidsduur en ongeacht de mogelijkheden om deze als reisdocument te gebruiken en op de geldigheid van artikel 1, tweede lid, van de Verordening. De Afdeling heeft de behandeling van het hoger beroep geschorst tot het Hof uitspraak heeft gedaan en iedere verdere beslissing aangehouden. [verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 november 2013, waar [verzoeker], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. C.M. Bitter, advocaat te Den Haag, en H.A. Akse, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn verschenen. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2. [verzoeker] heeft verzocht bij wijze van voorlopige voorziening de burgemeester op de dragen hem een NIK af te geven, zonder dat hij daarbij twee vingerafdrukken behoeft af te staan voor opslag op een chip op de NIK en zonder dat hij daarbij vier vingerafdrukken behoeft af te staan voor opslag in een centraal en decentraal register. Hij heeft belang bij de spoedige afgifte van een NIK, omdat hij in onderhandeling is met een potentiële werkgever over een arbeidsovereenkomst. Hij kan bij die werkgever mogelijk al op 1 december 2013 in dienst treden, maar dient daarvoor wel een NIK of nationaal paspoort over te leggen. [verzoeker] betoogt dat het niet afgeven van een NIK zoals hij wenst, schending oplevert van artikel 6 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (hierna: IVESCR), waarin het recht op arbeid is vervat. [verzoeker] verwijst voorts naar het voorstel van wet waarbij de verplichting om vingerafdrukken af te staan voor het afgeven van een NIK wordt geschrapt uit de Paspoortwet (Kamerstukken II 2013/13, 33 440 (R 1990), nr. 2). 2.1. Ingevolge artikel 28a, zesde lid, gelezen in verbinding met artikel 10, derde lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 (hierna: PUN) wordt een NIK zonder vingerafdrukken slechts verstrekt in geval het fysiek dan wel als gevolg van een tijdelijke verhindering onmogelijk is om van de aanvrager te verlangen dat bij hem op het moment van het indienen van de aanvraag vier vingerafdrukken worden opgenomen. Het is niet fysiek onmogelijk van [verzoeker] vingerafdrukken af te nemen. Voorts kunnen zijn bezwaren over de veiligheid van de opslag van vingerafdrukken en het risico van functieverschuiving en gegevenskoppeling, die hij in de bodemprocedure naar voren heeft gebracht, niet worden aangemerkt als een tijdelijke verhindering, nu zijn bezwaren blijvend zijn, zodat [verzoeker] niet voor een dergelijke NIK in aanmerking komt. Voor de door hem gestelde gelijkstelling tussen gewetensbezwaren en fysieke onmogelijkheid bestaat, gelet op de wetsgeschiedenis, geen aanleiding. 2.2. In de verwijzingsuitspraak van de Afdeling in zaak nr. 201110242/1/A3 heeft de Afdeling aan het Hof gevraagd of de Verordening van toepassing is op door de lidstaten aan hun onderdanen afgegeven identiteitskaarten, zoals de NIK, ongeacht hun geldigheidsduur en ongeacht de mogelijkheden om deze als reisdocument te gebruiken. Voor zover die vraag bevestigend zou worden beantwoord, geldt het volgende. Voor zover het verzoek van [verzoeker] erop neerkomt dat de uitvoering van artikel 1, tweede lid, van de Verordening zou moeten worden opgeschort, wordt het volgende overwogen. In het arrest van het Hof van 21 februari 1991 in de gevoegde zaken nrs. C-143/88 en C-92/89 (Zuckerfabrik; www.curia.europa.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.