(3)uit de Notitie op basis van de in de Notitie vermelde individuele waarden (47 dB(A) van de jachthaven, 53 dB van de N321, 55 dB van de A73 en 55 dB van de nieuwe ontsluitingsweg). De cumulatieve belasting bedraagt 59,5 dB, na afronding 60 dB. Dit is ter zitting door R.J.A. Alferink van Windmill bevestigd. Het betoog dat bij de berekening van de cumulatieve geluidbelasting de geluidbelasting van de nieuwe ontsluitingsweg niet is meegenomen faalt.
- [ appellant sub 7] voert aan dat ten gevolge van het plan de geluidbelasting op zijn woning toeneemt en dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze verslechtering aanvaardbaar is. De enkele stelling dat de milieukwalificatie niet wijzigt is daartoe onvoldoende, nu de belasting toeneemt van 57 dB tot 60 dB, hetgeen een verdubbeling is. Ook stelt de raad ten onrechte dat het plan zal leiden tot een verbetering van het woon- en leefklimaat omdat na de bouw van hotel Fitland en een geluidscherm slechts een geringe overschrijding van de voorkeurswaarde zal resteren, aangezien de bouw van het hotel en het geluidscherm in het plan niet zijn verzekerd. Het realiseren van een geluidscherm zou voorts in het plan verzekerd moeten zijn omdat het realiseren van de hoofdontsluiting van het verblijfsrecreatiepark zonder geluidscherm ook volgens de raad niet aanvaardbaar is met het oog op het woon- en leefklimaat. 15.
- De raad stelt zich onder verwijzing naar de Notitie en de Reactie op het standpunt dat het plan leidt tot een toename van ten hoogste 3 dB van de geluidbelasting ter plaatse van de woning [locatie 5]. Deze toename staat voor een verdubbeling van de geluidbelasting, maar niet voor een verdubbeling van de hinderbeleving. Voorts leidt het plan door de toename niet tot een andere classificering van de milieukwaliteit ter plaatse. Ook is in de planregels bepaald dat ter plaatse van de aanduiding "geluidscherm" het oprichten van geluidschermen is toegestaan. 15.
- Niet in geschil is dat het plan leidt tot een verhoging van de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] met 3 dB tot 60 dB. Zoals hiervoor is overwogen wordt dit mede veroorzaakt door een nieuwe ontsluitingsweg, waarvan de geluidbelasting op de woning van [appellant sub 7] 55 dB zal bedragen. In de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 7] stelt de raad zich onder verwijzing naar de Notitie op het standpunt dat in de bestaande situatie ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] al sprake is van een matig milieuhygiënisch leefklimaat als gevolg van de geluidbelasting van de A73 en de N
- Blijkens de Notitie is dit standpunt gebaseerd op een classificering van milieukwaliteit van het Nederlands Instituut voor Preventieve Gezondheidszorg-TNO (hierna: NIPG-TNO). Volgens de in de Notitie opgenomen tabel van NIPG-TNO wordt de milieukwaliteit bij een cumulatieve geluidbelasting van 55 tot 60 dB geclassificeerd als matig. In de beantwoording van de zienswijze staat verder dat na realisering van een geluidswal of -scherm ter plaatse enige verbetering zal optreden. Blijkens het verweerschrift en de toelichting ter zitting is de raad met het oog hierop voornemens een voorwaardelijke verplichting tot oprichting van een geluidscherm op te nemen in het uitwerkingsplan. Ter zitting is verklaard dat inmiddels is gekozen voor het realiseren van het in de stukken als variant 2 aangeduide geluidscherm. Onder deze omstandigheden acht de Afdeling het standpunt van de raad dat de geluidbelasting ten gevolge van het plan ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] aanvaardbaar is omdat de milieukwaliteit geclassificeerd blijft als matig en een geluidscherm zal worden opgericht, niet onredelijk. Wel volgt hier naar het oordeel van de Afdeling uit dat de raad de oprichting van een adequaat geluidscherm noodzakelijk acht met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de ontwikkeling waarvoor in het plan een uitwerkingsplicht is opgenomen. Nu het plan het kader vormt voor het door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen uitwerkingsplan en bij de vaststelling van het bestreden besluit dient te worden bezien of de situatie die door toepassing van de in het plan opgenomen uitwerkingsbevoegdheid kan ontstaan in beginsel in planologisch opzicht aanvaardbaar is, voorziet het plan ten onrechte niet een regeling die ertoe strekt dat wordt verzekerd dat de ontsluitingsweg pas wordt gerealiseerd nadat daarvoor een adequaat geluidscherm is opgericht. Het betoog van [appellant sub 7] dat het plan ten onrechte niet voorziet in een regeling ter zake treft doel. Dat ten tijde van het bestreden besluit nog geen keuze was gemaakt uit verschillende mogelijke schermvarianten vormt geen grond voor een ander oordeel. Immers, niet valt in te zien dat de raad geen regeling in het plan had kunnen opnemen, ertoe strekkende dat de ingebruikname van een ten noorden van het perceel [locatie 5] aan te leggen ontsluitingsweg slechts is toegestaan indien en voor zover ter plaatse een zodanig geluidscherm wordt opgericht en in stand gehouden dat de ingebruikname van die ontsluitingsweg, gelet ook op de cumulatieve geluidbelasting, niet tot gevolg heeft dat ter plaatse van bedoeld perceel niet langer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 15.
- In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3.1, gelezen in samenhang met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 7] is in zoverre gegrond zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. In de omstandigheid dat de raad te kennen heeft gegeven voornemens te zijn binnen afzienbare termijn een reparatieplan vast te stellen ziet de Afdeling aanleiding om, anders dan de raad heeft verzocht, het bestreden besluit niet zelfvoorziend aan te passen of een bestuurlijke lus toe te passen. Wel ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om het bestreden besluit met inachtneming van het hiervoor overwogene te herzien. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Ook ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van belang, na te melden voorlopige voorziening te treffen. Het beroep van [appellant sub 8]
- [ appellant sub 8] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover daarin de bij hem in eigendom zijnde woning op het adres [locatie 6] te Beers niet als zodanig is bestemd. Hij voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen. Voorts ontbreekt een goede ruimtelijke onderbouwing van het plan en is de financiële uitvoerbaarheid onzeker. 16.
- Aan het perceel van [appellant sub 8] zijn in het plan de bestemming "Recreatie - uit te werken" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - 2" toegekend. 16.
- Wat betreft de belangenafweging staat in het bestreden besluit dat de realisatie van het verblijfsrecreatiepark de gebruiks- en belevingswaarde van het plassengebied zal vergroten en de regionale gemengde plattelandseconomie zal versterken, hetgeen van groot maatschappelijk en economisch belang wordt geacht voor de gemeente Cuijk en de regio, en dat dit algemene belang op onderdelen zwaarder weegt dan sommige individuele belangen in het gebied. Indien het belang van de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan gevestigde rechten en belangen, wordt het bestaande legale gebruik van percelen niet dienovereenkomstig bestemd omdat dit niet langer in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt geacht. De Afdeling is van oordeel dat de raad bij de afweging van de betrokken belangen het belang van het realiseren van het verblijfsrecreatiepark in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van [appellant sub 8] bij de voortzetting van het huidige gebruik van zijn gronden. Voorts is in de toelichting een ruimtelijke onderbouwing van het plan opgenomen. Ook is in de toelichting ingegaan op de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan. Zonder nadere onderbouwing valt niet in te zien dat het plan om deze reden geen stand zou kunnen houden. 16.
- Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond. Het beroep van [appellante sub 6]
- [ appellante sub 6], die op het perceel [locatie 7] woont en er een hoveniersbedrijf annex boomkwekerij exploiteert, voert aan dat aan de helft van zijn huiskavel in het plan een recreatieve bestemming is toegekend, wat meebrengt dat zijn bedrijf op termijn mogelijk moet worden beëindigd. Voorts betoogt hij dat in het plan te veel waarde wordt gehecht aan een project dat vanwege het ontbreken van een provinciaal belang niet in provinciale stukken terug te vinden is. Daarbij voert hij aan dat voor het deel van zijn gronden dat een agrarische bestemming heeft gekregen ten onrechte geen wijzigingsbevoegdheid voor een vorm van dagrecreatie/groepsaccomodatie is opgenomen. 17.
- Aan het noordelijke deel van het perceel van [appellante sub 6] zijn, voor zover hier van belang, de bestemming "Recreatie - uit te werken" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - 1" toegekend. De rest van zijn perceel heeft de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden". Ook is dit deel van het perceel voorzien van een bouwvlak. 17.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsvoering van [appellante sub 6] niet in het gedrang zal komen omdat het overgrote deel van zijn binnen het plangebied gelegen gronden bestemd is voor agrarische doeleinden en [appellante sub 6] ook buiten het plangebied over gronden beschikt die worden gebruikt voor het bedrijf. Daarbij heeft [appellante sub 6] niet al zijn gronden in gebruik voor de boomkwekerij en is de bedoeling van de gemeente niet alleen om de gronden waarop de bestemming "Recreatie - uit te werken" rust van [appellante sub 6] aan te kopen, maar ook om hem gronden te verkopen die liggen in het deel van het plangebied dat conserverend is bestemd. Voorts is [appellante sub 6] te vaag over de door hem eventueel gewenste recreatieve bestemming; zoals ook blijkt uit het beroepschrift, wenst hij zijn boomkwekerij voort te zetten. 17.
- [appellante sub 6] heeft de stelling van de raad dat het overgrote deel van zijn binnen het plangebied gelegen gronden bestemd is voor agrarische doeleinden en hij ook buiten het plangebied over gronden beschikt die worden gebruikt voor zijn bedrijf, niet weersproken. Hetzelfde geldt voor de stelling dat de gemeente in het kader van de verwerving van de gronden met de bestemming "Recreatie - uit te werken" van plan is hem andere gronden binnen het plangebied te verkopen. Gelet daarop valt zonder nadere onderbouwing niet in te zien dat [appellante sub 6] door de toekenning van de bestemming "Recreatie - Uit te werken" aan een deel van zijn gronden zodanig in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd dat de raad deze bestemming in redelijkheid niet heeft kunnen vaststellen. Het betoog van [appellante sub 6] dat hij met lege handen zal komen te staan als de onderhandelingen met de exploitant over de verwerving van zijn perceel niets opleveren treft evenmin doel. Zoals in rechtsoverweging 4.5 is overwogen heeft de raad ter zitting verzekerd dat wordt gestreefd naar een minnelijke verwerving van de betrokken gronden, maar dat zo nodig binnen de planperiode tot onteigening zal worden over gegaan. 17.
- Volgens de toelichting is het gebied de Kraaijenbergse Plassen ontstaan door grootschalige ontgronding ten behoeve van de landelijke voorziening van beton- en metselzand die in 1968 is gestart en reeds in de jaren zestig van de vorige eeuw is op gemeentelijk en provinciaal niveau vastgesteld dat het gebied een functie zou moeten krijgen voor natuur en recreatie. Voorts staat in de toelichting dat het plangebied volgens de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening ligt binnen het gebiedspaspoort "Maasvallei", waarin de ontwikkeling van een recreatief watersportknooppunt Kraaijenbergseplassen - Dommelsvoort" wordt genoemd. Gelet hierop faalt het betoog dat het plan niet aansluit bij provinciaal beleid. 17.
- In de reactie op de zienswijze van [appellante sub 6] staat dat in het kader van de onderhandelingsgesprekken over de verwerving van de gronden van [appellante sub 6] zal worden bezien of een recreatieve bestemming van het perceel van [appellante sub 6] wenselijk is. Het op voorhand toekennen van een recreatieve bestemming acht de raad onwenselijk omdat de plannen daarvoor ten tijde van het bestreden besluit nog niet inzichtelijk waren gemaakt en dus ook niet kon worden beoordeeld of de plannen strekken tot een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling acht dit standpunt van de raad niet onredelijk. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellante sub 6] de raad blijkens zijn zienswijze heeft verzocht om een wijzigingsbevoegdheid op te nemen naar een vorm van dagrecreatie/groepsaccommodatie, maar dat van enige concrete plannen van [appellante sub 6] op dit punt niet is gebleken. 17.
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 6], voor zover gericht tegen het bestemmingsplan, ongegrond. Het beroep van [appellant sub 9]
- [ appellant sub 9] woont op het adres [locatie 8] te Beers en exploiteert daar de [zorgboerderij]. 18.
- Aan het perceel van [appellant sub 9] zijn in het plan de bestemmingen "Wonen", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Verkeer" toegekend. 18.
- Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt in deze regels verstaan onder: (…) 1.10 bedrijf-aan-huis het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid geheel of overwegend door middel van handwerk en waarvan de omvang van de activiteiten zodanig is dat de activiteiten in een woning en de daarbij behorende gebouwen met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend (…) 1.14 beroep-aan-huis een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is (…) 1.55 verbrede landbouw specifieke vorm van een nevenfunctie. De activiteit hangt samen met de agrarische bedrijfsvoering of staat ten dienste van het bedrijf, zoals agrotoerisme met bijbehorende ondergeschikte horeca, agrarisch natuurbeheer, bewerking en waardevermeerdering van ter plaats geproduceerde producten, productiegebonden/ondergeschikte detailhandel en zorgboerderijen (…) Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor: a. agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende agrarische voorzieningen; b. grondgebonden agrarische bedrijven (…); Ingevolge lid 3.4, onder 3.4.1, aanhef en onder a, wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan het gebruik van gronden ten behoeve van de uitoefening van nevenfuncties en verbrede landbouw. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder a zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen. Ingevolge artikel 16, lid 16.2, is in de bestemmingen waarin een (bedrijfs)woning is toegestaan of na een afwijking mogelijk kan worden gemaakt, ondergeschikt aan deze bestemmingen de uitoefening van een beroep-aan-huis of een bedrijf-aan-huis toegestaan als medegebruik, waarbij de volgende voorwaarden gelden: (…) b. het betreft een dienstverlenend of ambachtelijk beroep of bedrijf met een ruimtelijke uitwerking en uitstraling in overeenstemming met de functie wonen, zoals administratieve, juridische, (para-)medische, therapeutische, kunstzinnige, ontwerptechnische of daarmee vergelijkbare beroepen en bedrijven; (…).
- [ appellant sub 9] voert aan dat aan het noordelijke deel van zijn perceel ten onrechte de bestemming "Verkeer" is toegekend. Voorts is deze bestemming niet uitvoerbaar als dit deel van het perceel niet door de gemeente wordt gekocht of wordt onteigend. 19.
- De raad heeft te kennen gegeven dat uit nader onderzoek is gebleken dat de bestemming "Verkeer" ten onrechte aan een deel van het perceel van [appellant sub 9] is toegekend en dat het beroep van [appellant sub 9] in zoverre in aanmerking komt voor gegrondverklaring. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. 19.
- In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer" op het perceel aan de [locatie 8], plaatselijk bekend als gemeente Cuijk, sectie M, nummer 824, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 9] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 19.
- De raad heeft te kennen gegeven voornemens te zijn de bestemming van het perceel van [appellant sub 9] te wijzigen en daartoe binnen afzienbare termijn een reparatieplan vast te stellen. Hierin ziet de Afdeling aanleiding om, anders dan de raad heeft verzocht, het bestreden besluit niet zelfvoorziend aan te passen of een bestuurlijke lus toe te passen. Wel ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om het bestreden besluit met inachtneming van het hiervoor overwogene te herzien. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.
- [ appellant sub 9] voert aan dat de bestaande activiteiten van de zorgboerderij ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. 20.
- De raad stelt zich op het standpunt dat op het perceel van [appellant sub 9] in beperkte mate zorgactiviteiten plaatsvinden. Het plan voorziet er volgens de raad in dat [appellant sub 9] deze kan voortzetten omdat artikel 16.2 van de planregels een beroep- en bedrijf-aan-huis mogelijk maakt. 20.
- Ter zitting heeft [appellant sub 9] onweersproken gesteld dat de activiteiten van de bestaande zorgboerderij niet alleen op de gronden met de bestemming "Wonen" plaatsvinden, maar ook op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden", alwaar buxussen en dieren door cliënten van de zorgboerderij worden verzorgd. Gelet op artikel 3, lid 3.4, onder 3.4.1, onder a, gelezen in samenhang met artikel 1, onder 1.55, is het gebruik van die gronden voor deze zorgboerderijfunctie echter niet toegestaan, zodat dit gebruik niet als zodanig is bestemd. Nu de raad evenwel niet heeft beoogd dat bestaand gebruik van de gronden voor de zorgboerderij in te perken, is het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" ter plaatse van de [locatie 8] niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep van {appellant sub 9] is in zoverre gegrond, zodat het besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
- [ appellant sub 9] voert aan dat het plan ten onrechte niet de door hem gewenste uitbreiding van de zorgboerderij mogelijk maakt. Dat is in strijd met de tussen hem en de gemeente gesloten koopovereenkomst van december 2010 met betrekking tot het perceel met het kadastrale nummer 824, welk perceel hij toen heeft aangekocht met het oog op die uitbreiding. 21.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de gewenste uitbreiding van de zorgactiviteiten niet in het plan is opgenomen omdat [appellant sub 9] desgevraagd geen concrete plannen heeft ingediend. 21.
- Volgens het stuk "[zorgboerderij], een ruimtelijke visie" van september 2011 wil [appellant sub 9] de activiteiten van de zorgboerderij uitbreiden met onder meer een ontvangstruimte/theehuis waar bezoekers producten kunnen proeven en/of kopen, een bed- en breakfast en vakantiezorgwoningen. Het stuk bevat twee schetsen van inrichtingsvarianten, waaruit blijkt dat een deel van de uitbreiding wordt beoogd op het perceel ten zuiden van de Rode Voort dat, zoals ter zitting is bevestigd, nog niet in eigendom is bij [appellant sub 9]. Voorts bevat het stuk geen concrete informatie over de gewenste omvang van de te realiseren bebouwing en mogelijke andere ruimtelijk relevante aspecten. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plannen van [appellant sub 9] ten tijde van het bestreden besluit nog niet zodanig concreet waren dat hij daarin aanleiding had moeten zien de gewenste uitbreiding in het plan op te nemen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad [appellant sub 9] blijkens de stukken meermalen heeft verzocht meer duidelijkheid over zijn plannen te geven en [appellant sub 9] bij brief van 4 februari 2011 heeft laten weten voor een wijziging van het bestemmingsplan in ieder geval een beknopt bedrijfsplan nodig te hebben met (situatie)tekeningen waarop oppervlaktematen en de hoogten van de nieuw op te richten bouwwerken zijn aangegeven. Dat de uitbreiding van de zorgboerderij is vermeld in de tussen de gemeente en [appellant sub 9] afgesloten koopovereenkomst vormt geen grond voor een ander oordeel, reeds omdat daarin blijkens de overgelegde akte van levering van 13 december 2010 niet alleen is vermeld dat ervan wordt uitgegaan dat de bestemming van de gekochte grond wordt gewijzigd in "Maatschappelijk", maar tevens is voorzien in een terugbetalingsregeling indien de bestemming van het gekochte perceel niet wordt gewijzigd. Het betoog dat het plan ten onrechte geen uitbreiding van de zorgboerderij mogelijk maakt, faalt.
- [ appellant sub 9] voert aan dat zijn perceel omsloten raakt door wegen doordat het plan ten noorden van zijn perceel voorziet in een ontsluitingsweg voor het te ontwikkelen verblijfsrecreatiepark. De ontsluitingsweg en nabijgelegen rotonde zullen zijn woon- en leefklimaat op onaanvaardbare wijze aantasten vanwege geluid- licht- en stankoverlast en omdat de in de omgeving aanwezige fauna zal verdwijnen. Voorts verdraagt de ontsluitingsweg zich om redenen van geluidoverlast en verkeersveiligheid niet met de functie van de zorgboerderij. Daarbij is een andere regeling mogelijk omdat de andere bewoners van de Rode Voort de door [appellant sub 9] gewenste regeling blijkens de overgelegde verklaring ondersteunen, en uit de brieven van 8 april 2008 en 21 juli 2008 blijkt dat de gemeente bereid was mee te werken aan een alternatieve ontsluiting. Ook is het vertrouwen gewekt dat de ontsluitingsweg op grotere afstand van zijn gronden zou liggen en dat er een buffer zou komen tussen de weg en zijn gronden. 22.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de verkeersveiligheid ter plaatse door het plan zal verbeteren omdat de Rode Voort niet de toegangsweg tot het verblijfsrecreatiepark zal worden. 22.
- Het "Akoestisch rapport verkeerslawaai Recreatiepark [belanghebbende D] van 28 oktober 2010 (hierna: het Rapport) heeft betrekking op de indirecte geluidhinder ten gevolge van het plan, zijnde de geluidhinder veroorzaakt door het verkeer van en naar het verblijfsrecreatiepark dat gebruik maakt van de openbare weg. In het rapport wordt voor de normstelling en de beoordelingswijze aangesloten bij de circulaire Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening w.m. van 19 februari
- Uit tabel 2 van het Rapport blijkt dat de indirecte geluidbelasting LAeq ten gevolge van het plan ter plaatse van de woning van [appellant sub 9] in de dagperiode 38,3 dB(A), in de avondperiode 37,5 dB(A) en in de nachtperiode 29,8 dB(A) zal bedragen en dus onder de voorkeurswaarde van 50 dB(A) uit de circulaire blijft. Volgens de Notitie Akoestisch onderzoek Waterpark Dommelsvoort van Windmill van 25 april 2012 (hierna: de Notitie) zal de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 9] ten gevolge van de nieuwe weg 36 dB bedragen en daarmee ruim onder de voorkeurswaarde van 48 dB blijven. Voorts zal de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van de woning door het plan 58 dB bedragen en daarmee overeenkomen met de geluidbelasting ten gevolge van de bestaande infrastructuur. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van het plan voor de woning van [appellant sub 9] wat het aspect geluid betreft aanvaardbaar zijn. Dat het plan zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen op het gebied van licht- en stankoverlast heeft [appellant sub 9] niet aannemelijk gemaakt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de afstand tussen de woning van [appellant sub 9] en de nieuwe ontsluitingsweg minimaal vijftig meter zal bedragen en dat, gelet op de omvang van het perceel, niet valt in te zien dat de activiteiten van de zorgboerderij niet zodanig kunnen worden ingepast dat geen onaanvaardbare overlast wordt ondervonden. Hierbij is tevens van belang dat in het rapport "Onderzoek naar de milieuhygiënische randvoorwaarden voor de realisatie van bouwplan Waterpark Dommelsvoort" van Windmill van 26 mei 2010 wordt geconcludeerd dat er op het punt van luchtkwaliteit geen bezwaren zijn tegen het plan. Hieruit volgt tevens dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aanleggen van een groene buffer tussen de nieuwe ontsluitingsweg en het perceel van [appellant sub 9] niet noodzakelijk is. Over het betoog van [appellant sub 9] dat vertrouwen is gewekt dat de weg op grotere afstand van zijn perceel zou komen en dat een groene buffer zou worden aangelegd wordt overwogen dat [appellant sub 9] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad ter zake verwachtingen zijn gewekt. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Verkeer" ten noorden van het perceel van [appellant sub 9] aan te leggen weg zal aansluiten op de op de gronden met de bestemming "Recreatie - Uit te werken" en de aanduiding "ontsluiting" aan te leggen weg, dus niet op de Rode Voort. De nieuwe weg zal de ontsluiting vormen voor het verblijfsrecreatiepark en de Rode Voort zal als ontsluiting blijven fungeren voor de percelen van [appellant sub 9] en [appellant sub 7] aan de Rode Voort en voor twee percelen aan de Hoefseweg. De Afdeling acht dat niet onredelijk. De enkele omstandigheid dat het realiseren van een ontsluiting van de percelen van [appellant sub 7] en de percelen aan de Hoefseweg via de nieuwe ontsluitingsweg voor het verblijfsrecreatiepark zou leiden tot een afname van het verkeer op de Rode Voort ter plaatse van het perceel van [appellant sub 9] is daartoe onvoldoende. 22.
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 9] voor het overige ongegrond. De beroepen, voor zover gericht tegen het exploitatieplan Het beroep van [appellante sub 1]
- [ appellante sub 1] voert aan dat nog wordt onderhandeld over de actualisering van een zogenoemde tripartite afstemmingsovereenkomst die zij heeft afgesloten met de gemeente en [belanghebbende D] en dat ook de ontwikkelings- en realisatieovereenkomst die is afgesloten tussen de gemeente en [belanghebbende D] bijstelling behoeft. Dit betoog heeft geen betrekking op het exploitatieplan. In wat [appellante sub 1] aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het exploitatieplan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. 23.
- Het beroep van [appellante sub 1], voor zover gericht tegen het exploitatieplan, is ongegrond. De beroepen van [appellante sub 2] en [appellant sub 3]
- De beroepen van [appellante sub 2] en [appellant sub 3] zijn blijkens de beroepschriften tevens gericht tegen het exploitatieplan. De beroepschriften bevatten echter geen gronden die zijn gericht tegen het exploitatieplan. Ter zitting hebben [appellante sub 2] en [appellant sub 3] desgevraagd te kennen gegeven hun beroepen tegen het exploitatieplan te willen handhaven. Zij hebben echter niet toegelicht wat hun bezwaren zijn tegen het exploitatieplan. 24.
- De beroepen van [appellante sub 2] en [appellant sub 3], voor zover gericht tegen het exploitatieplan, zijn ongegrond. Het beroep van [appellante sub 6]
- [ appellante sub 6] voert aan dat onzorgvuldig is gehandeld bij het opstellen van het taxatierapport omdat hij geen overleg heeft gehad met de taxateur en de taxateur bij zijn weten ook zijn perceel niet heeft bezocht. Voorts is de taxatie beperkt tot het deel van zijn perceel dat ligt in het exploitatiegebied, waardoor er geen rekening mee is gehouden dat door het plan zijn huiskavel wordt gehalveerd en het bedrijf zijn toekomstperspectief wordt ontnomen. 25.
- In het rapport "Deskundigenadvies inbrengwaarde" van taxatie- en adviesbureau Gloudemans van januari 2012 staat dat de percelen en onroerende zaken die zijn getaxeerd alle vanaf de weg zijn waargenomen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat bij alle percelen dezelfde werkwijze is gehanteerd en dat bedoelde waarnemingen in combinatie met de informatie uit het kadaster voldoende informatie hebben opgeleverd. Bij de taxatie is uitgegaan van de verkeerswaarde omdat het uitgangspunt is dat de percelen in der minne zullen worden verworven. Dit is in overeenstemming met artikel 6.13, vijfde lid, van de Wro, waarin is bepaald dat indien geen sprake is van onteigening, de inbrengwaarde van gronden vastgesteld wordt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 40b tot en met 40f van de Onteigeningswet. Dat de inbrengwaarde niet in overeenstemming met die artikelen is bepaald, heeft [appellante sub 6] niet aannemelijk gemaakt. De enkele ook niet nader onderbouwde stelling dat het bedrijf zijn toekomstperspectief wordt ontnomen en door het plan zijn huiskavel wordt gehalveerd is daartoe, mede gelet op hetgeen in 17.3 is overwogen, onvoldoende. Het beroep van [appellante sub 6], voor zover gericht tegen het exploitatieplan, is ongegrond. Proceskosten
- De raad dient ten aanzien van [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 7] en [appellant sub 9] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor vergoeding van de proceskosten van [appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 6] en [appellant sub 8] bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van [appellante sub 1], voor zover gericht tegen het bestemmingsplan, niet-ontvankelijk; II. verklaart het beroep van de erven van [appellant sub 5] geheel en de beroepen van [appellant sub 4], [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] en [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B] gedeeltelijk gegrond; III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Cuijk van 18 juni 2012, zonder kenmerk , voor zover het betreft: a. het getal "600" in artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.1, van de planregels; b. het deel van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan de [locatie 3] dat is aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1; c. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan de [locatie 4]; d. het deel van het plandeel met de bestemming "Water - Waterloop" en het deel van het plandeel met de bestemming "Recreatie - Uit te werken" dat is aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 2; e. het niet opnemen van een regeling in de planregels, ertoe strekkende dat de ingebruikname van een ten noorden van het perceel [locatie 5] aan te leggen ontsluitingsweg slechts is toegestaan indien en voor zover ter plaatse een zodanig geluidscherm wordt opgericht en in stand gehouden dat de ingebruikname van die ontsluitingsweg, gelet ook op de cumulatieve geluidbelasting, niet tot gevolg heeft dat ter plaatse van bedoeld perceel niet langer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; f. het plandeel met de bestemming "Verkeer" op het perceel aan de [locatie 8], plaatselijk bekend als gemeente Cuijk, sectie M, nummer 824; g. het plandeel met de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden” op het perceel aan de [locatie 8]; IV. draagt de raad van de gemeente Cuijk op om binnen 12 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan te nemen voor de in onderdeel III genoemde planonderdelen en dit besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen; V. treft de voorlopige voorziening dat in artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.1, van de planregels in plaats van "600" wordt gelezen "700"; VI. treft de voorlopige voorziening dat geen besluit tot vaststelling van een uitwerkingsplan dat de aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg ten noorden van perceel [locatie 5] mogelijk maakt, mag worden genomen alvorens het besluit als bedoeld onder IV is genomen voor het in onderdeel III, onder e, genoemde planonderdeel; VII. bepaalt dat de onder V, respectievelijk VI getroffen voorlopige voorzieningen vervallen op het tijdstip dat het onder IV bedoelde besluit voor de onder V, respectievelijk VI bedoelde plandelen in werking treedt; VIII. verklaart het beroep van [appellante sub 1] voor zover gericht tegen het exploitatieplan, de beroepen van [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 6A] en [appellante sub 6B] en [appellant sub 8] geheel, en de beroepen van [appellant sub 4], [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] en [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B] gedeeltelijk ongegrond; IX. veroordeelt de raad van de gemeente Cuijk als volgt tot vergoeding van de bij de volgende appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten: - ten aanzien van [appellant sub 4] tot een bedrag van € 517,68 (zegge: vijfhonderdzeventien euro en achtenzestig cent), waarvan € 472,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; - ten aanzien van de erven van [appellant sub 5] tot een bedrag van € 1.180,00 (zegge: elfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander(en); - ten aanzien van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] tot een bedrag van € 1.180,00 (zegge: elfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; - ten aanzien van [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B] tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; X. gelast dat de raad van de gemeente Cuijk aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van: - € 156,00 ( zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 4], - € 156,00 ( zegge: honderdzesenvijftig euro) voor de erven van [appellant sub 5], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, - € 156,00 ( zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, - € 156,00 ( zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander. Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van M.J.M. Mathot, ambtenaar van staat. w.g. Hoekstra w.g. Mathot voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013